Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/6.4
6.4 Open kandidaatstelling
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947779:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Broeksteeg 2015, p. 48.
Zie art. G 1-G 3 Kw.
Drexhage & Nehmelman 2010, p. 68.
Elzinga, Kummeling & Schipper-Spanninga 2012, p. 130-131.
Zie art. G 1 lid 2 Kw, G 2 lid 2 Kw, G 2a lid 2 Kw en G 3 lid 2 Kw; Kamerstukken II 1987/88, 20264, nr. 3, p. 30.
Eskes 1988, p. 427.
Elzinga, Kummeling & Schipper-Spanninga 2012, p. 132.
Drexhage en Nehmelman 2010, p. 68. Broeksteeg wijst erop dat men ook kan beargumenteren dat het vereisen van volledige rechtsbevoegdheid een onnodige beperking van de verenigingsvrijheid is. De eis kan voor informele verenigingen (dus zonder volledige rechtsbevoegdheid) een drempel vormen voor verkiezingsdeelname. Zie Broeksteeg 2015, p. 52-53.
Kamerstukken II 1987/88, 20264, nr. 3, p. 46. Ook werd gevreesd voor de onbruikbaarheid van stemmachines voor te grote kandidatenlijsten. Stemmachines worden op dit moment niet meer gebruikt.
Het principe van open kandidaatstelling speelt een belangrijke rol in de waarborging van het algemene passieve kiesrecht. Op grond van dit principe kan iedere kiesgerechtigde burger een kandidatenlijst indienen. 1Verbondenheid aan een politieke partij is niet vereist. Dit heeft bijvoorbeeld als gevolg dat de verbodenverklaring en ontbinding van een politieke partij er niet toe leidt dat de aan de partij verbonden leden niet alsnog aan de verkiezingen kunnen deelnemen, zij het niet onder de vlag van de partij.
Hoewel verbondenheid aan een politieke partij niet wettelijk vereist is, is dit in de praktijk wel de norm. Voor verkiezingsdeelname is de verenigingsvorm zeer aantrekkelijk. Deze organisatievorm ligt voor de hand voor partijen, omdat zij in de regel ledenorganisaties zijn, waarbij de verenigingsvorm beter past dan, bijvoorbeeld, de vorm van een stichting.2 Zo is de verenigingsvorm vereist om een aanduiding – in de praktijk de partijnaam – boven de kandidatenlijst te kunnen laten plaatsen.3 Daarnaast moeten groeperingen de verenigingsvorm kennen om aanspraak te maken op zendtijd en overheidssubsidie. Gelet op dit alles is het dan ook niet verwonderlijk dat alle partijen sinds de Tweede Wereldoorlog de verenigingsvorm kennen.4
Evenmin is het vreemd dat de introductie van het verenigingsvereiste voor naamsregistratie in de Kieswet niet tot bezwaren leidde, nu alle op dat moment in het parlement vertegenwoordigde partijen aan die voorwaarde voldeden. Het vereiste werd in 1989 ingevoerd, met als doel om het grote aantal niet-serieuze verzoeken tot naamsregistratie te beperken. Zo kwam het voor dat een registratieverzoek enkel en alleen gedaan werd om te verhinderen dat een andere partij, die wél daadwerkelijk aan de verkiezingen wilde deelnemen, de naam kon opeisen.5 Om dezelfde reden werd op dat moment overigens besloten om de indiening van een registratieverzoek gepaard te laten gaan met het betalen van een waarborgsom, die de partij terugkrijgt bij het indienen van een geldige kandidatenlijst.6
In de literatuur is de introductie van het verenigingsvereiste door enkele auteurs bekritiseerd. In zijn proefschrift stelt Eskes bijvoorbeeld dat de eis een ‘feitelijke korting is op de organisatievrijheid van partijen’ en een niet-noodzakelijke grens vormt voor verkiezingsdeelname.7 Ook Elzinga, Kummeling en Schipper-Spanninga vinden de eis te ver gaan en stellen dat het beter was geweest als de Kieswet slechts volledige rechtsbevoegdheid had vereist. Verder dan dat hoeft een regel die serieuze kandidaturen wil bevorderen, volgens hen niet te gaan.8 Drexhage en Nehmelman verdedigen een gelijkluidende stelling.9 Hoewel deze auteurs daarin in beginsel gelijk hebben, noopt het in paragraaf 10.2 vervatte pleidooi voor een wettelijke regeling omtrent een intern democratische kandidaatstelling door politieke partijen tot de conclusie dat het verenigingsvereiste juist tot een dwingende voorwaarde voor verkiezingsdeelname moet worden gemaakt. Zoals daar duidelijk zal worden, zou dat het einde van het beginsel van open kandidaatstelling betekenen.
Het feit dat naar huidig recht iedere kiesgerechtigde burger bevoegd is om een kandidatenlijst in te dienen, laat echter onverlet dat de wetgever aan de indiening voorwaarden heeft verbonden, die de open kandidaatstelling inkaderen. Men kan daarbij allereerst denken aan enkele procedurele vereisten, die bijvoorbeeld het tijdstip van inleveren (tussen negen uur ’s ochtends en vijf uur ’s avonds op de dag van de kandidaatstelling) en een identificatieplicht voor de inleveraar van de lijst behelzen.10 Daarnaast verdienen het overleggen van voldoende ondersteuningsverklaringen en het betalen van een waarborgsom een korte bespreking.11 Het niet voldoen aan deze vereisten leidt tot de ongeldigverklaring van de kandidatenlijst.12 Beide vereisten gelden alleen voor partijen die bij de laatste verkiezingen geen zetels behaalden.13
De ondersteuningsverklaring deed in 1989 haar intrede. Tot dat moment moesten indieners van kandidatenlijsten hun lijsten een aantal maal laten ondertekenen, een vereiste dat was ingevoerd om lichtvaardige verkiezingsdeelname te voorkomen en aldus serieuze kandidaturen te bevorderen. De praktijk wees echter uit dat zich op dat gebied problemen voordeden. Kiezers stelden dat zij er onder valse voorwendselen toe werden bewogen om hun handtekening te zetten. Een stap verder ging het simpelweg vervalsen van handtekeningen.14 Om die reden werd in 1989 tot invoering van de ondersteuningsverklaring besloten. Het feit dat de verklaring ter secretarie van de gemeente ondertekend moest worden, waarbij de ondertekenaar bovendien zijn identiteit kenbaar maakt, moest voorkomen dat kandidaturen werden ondersteund door vervalste of onder valse voorwendselen gezette handtekeningen.15 Per kieskring moeten dertig ondersteuningsverklaringen verzameld worden, met uitzondering van de kieskring Bonaire, waarvoor tien verklaringen nodig zijn.16
Ook de waarborgsom, die in 1935 werd ingevoerd, moet lichtvaardige verkiezingsdeelname voorkomen. Daarnaast blijkt uit de wetsgeschiedenis dat met de waarborgsom gepoogd werd om de omvang van het stembiljet beperkt te houden, waarmee het biljet voor de kiezer overzichtelijk blijft en het stemgeheim gewaarborgd is. Een grote kandidatenlijst is voor kiezers in het stemhokje immers moeilijk hanteerbaar, hetgeen de kiezer kan beletten om zijn keuze voor zichzelf te kunnen houden.17 Voor deelname aan de Tweede Kamerverkiezingen bedraagt de waarborgsom € 11.250.18 Het bedrag wordt terugbetaald wanneer de lijst 75% van de kiesdeler behaalt. Slaagt de lijst daar niet in, dan vervalt het bedrag aan de Staat.19
Overigens valt te betwijfelen of het huidige aantal vereiste ondersteuningsverklaringen en de huidige hoogte van de waarborgsom nog wel volstaan om de hierboven genoemde doelen te bereiken. Aan de verkiezingen van 2021 deden 37 partijen mee, een naoorlogs record. Het vorige record werd vier jaar eerder gevestigd, toen aan de Tweede Kamerverkiezingen van 2017 28 partijen meededen.20