Het systeem van sanctionering van fiscale fraude
Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/4.5.5:4.5.5 Tussenstand
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/4.5.5
4.5.5 Tussenstand
Documentgegevens:
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270092:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wattel 1992, p. 29.
Schijnhandelingen vallen daarmee wel onder de noemer van ‘fiscale fraude’. Het gaat om situaties waarin belastingplichtige iets anders wilde dan de (civiele) werkelijkheid en deze andere schijn voor echt hield. De fiscus raakt dus niet op de hoogte van de relevante feiten. De overeenkomst tussen een schijnhandeling en fraus legis is dan weer dat handelingen kunnen worden teruggedraaid.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Fiscale waarheidsvinding valt of staat met de verstrekking van informatie die klopt. Maar hoe weet een belastingplichtige zeker of zijn aangifte juist is? Wat is de fiscale waarheid? Deze vraag is in algemene theoretische termen makkelijker te beantwoorden dan in een concreet voorliggend geval.
Van belang is allereerst dat een belastingplichtige kan weten dat hij zich in de gevarenzone begeeft als hij louter uit fiscaal winstbejag handelt. De keerzijde van de medaille is echter dat – om belastingbetaling te minimaliseren – wel enige bewegingsvrijheid bestaat. Interpretatiemethoden en de uitwerking hiervan binnen het fiscale recht bepalen de ruimte die een belastingplichtige heeft om een pleitbaar standpunt in te nemen. De bedoeling van de wetgever, en dus de teleologische interpretatiemethode, staat daarbij vaak voorop, vanzelfsprekend naast de tekst van de wet, waarop een belastingplichtige conform het legaliteitsbeginsel mag vertrouwen.
Het legaliteitsbeginsel is het beginsel dat in paragraaf 4.5. centraal stond. Belastingplichtige mag immers op de tekst van de wet vertrouwen, maar moet ook de bedoeling van de wetgever indachtig hebben. Dat is nogal veel gevraagd, misschien wel te veel in de strikte zin van het genoemde beginsel.
De verhouding tussen tekst en bedoeling van de wet komt tot uiting in het bijzondere rechtsmiddel fraus legis. Fraus legis komt in beeld wanneer de belastinginspecteur of rechter op grond van een feitelijk situatie tot een rechtsgevolg concludeert, dat enerzijds gelet op de vastgestelde feiten en de juiste (tekstuele) interpretatie van het recht onontkoombaar is, maar anderzijds gelet op doel en strekking van de wet evenzeer onaanvaardbaar is. Het jurisprudentiële leerstuk van fraus legis leidt dan tot de mogelijkheid om van een geherkwalificeerd feitencomplex uit te gaan, zodanig dat het rechtsgevolg zich wel verdraagt met de bedoeling van de rechtsregel. Deze methode, die van het herkwalificeren van feiten, verhoudt zich niet goed tot het legalteitsbeginsel. Het verbaast dan ook niet dat deze bijzondere rechtsvindingsmethode pas aan bod komt als uiterst redmiddel.
Als de rechter oordeelt dat van fraus legis sprake is, kan de conclusie kan worden getrokken dat de wet kennelijk zo onduidelijk was (hier is die moeilijke verhouding tot het legaliteitsbeginsel weer zichtbaar), dat belanghebbende heel goed een pleitbaar standpunt kon hebben en dat er dus geen opzet op een onjuiste aangifte/te weinig heffen bestond. In deze situatie kan dan ook geen straf worden opgelegd. Fraus legis wordt door Wattel in zijn dissertatie ook wel het ‘ontbreken van de materiële belastbaarheid’ genoemd.1
Het verschil met fraude is daarin gelegen dat een belastingplichtige in een frauslegiaanse situatie de uiterste grens opzoekt door gebruik te maken van een rafelige wet en op deze manier fiscaal voordeel behaalt, terwijl het fiscale voordeel bij ontduiking optreedt omdat de fiscus niet op de hoogte geraakt van alle relevante feiten.2