Grensoverschrijdende overgang van onderneming
Einde inhoudsopgave
Grensoverschrijdende overgang van onderneming (MSR nr. 69) 2015/7.2.3:7.2.3 Interne werking
Grensoverschrijdende overgang van onderneming (MSR nr. 69) 2015/7.2.3
7.2.3 Interne werking
Documentgegevens:
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg
- JCDI
JCDI:ADS439521:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 17 oktober 2013, JAR 2013/302 m.nt. E.J.A. Franssen (Unamar). De zaak wordt bemoeilijkt door het feit dat het Belgische recht deels is gebaseerd op de agentuurrichtlijn, maar de bescherming van de handelsagent op twee punten heeft verruimd: zij biedt meer bescherming aan de agent en doet dat voor een grotere groep agenten.
HvJ EU 17 oktober 2013, JAR 2013/302 m.nt. E.J.A. Franssen (Unamar), r.o. 40.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Over de interne werking van richtlijnen heeft het Hof van Justitie geoordeeld in de zaak United Antwerp Maritime Agencies (Unamar) NV/Navigation Maritime Bulgare (NMB).1 In deze zaak had Unamar te België als handelsagent met NMB te Bulgarije als principaal een handelsagentuurovereenkomst gesloten met betrekking tot de exploitatie van de maritieme containerlijndienst van NMB. De handelsagentuurovereenkomst werd op grond van een rechtskeuze in de overeenkomst beheerst door Bulgaars recht en geschillen moesten worden beslecht door de arbitragekamer van de Kamer van Koophandel en Industrie te Sofia (Bulgarije). NMB heeft op enig moment haar agentenmedegedeeld dat zij vanwege economische redenen gedwongenwas om de contractuele betrekkingen te beëindigen. Omdat Unamar van mening was dat de handelsagentuurovereenkomst onrechtmatig was beëindigd heeft zij een procedure tegen NMB aanhangig gemaakt bij de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen teneinde NMB te laten veroordelen tot betaling van diverse in de Belgische wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst bepaalde schadevergoedingen. Omdat het Belgische recht Unamar meer mogelijkheden tot schadevergoeding bood probeerde Unamar het Belgische recht van toepassing te laten zijn krachtens artikel 7 lid 2 EVO. In de cassatieprocedure heeft het Belgische Hof van Cassatie het Hof van Justitie gevraagd of de artikelen 3 en 7 lid 2 EVO (inmiddels artikel 3 en 9 lid 2 Rome I-Verordening) aldus moeten worden uitgelegd dat het door partijen bij een handelsagentuurovereenkomst gekozen recht van een lidstaat dat de door agentuurrichtlijn opgelegde minimumbescherming biedt, door de in een andere lidstaat gevestigde rechter bij wie de zaak aanhangig is opzij mag worden geschoven voor de lex fori (het recht van het forum) omdat de regels die de situatie van zelfstandige handelsagenten beheersen in de rechtsorde van deze lidstaat van (bijzonder) dwingend recht zijn. Anders gezegd: prevaleert op grond van artikel 7 lid 2 EVO het Belgische recht als de agentuurrichtlijn zowel naar Belgisch als Bulgaars recht correct is omgezet, maar het Belgische recht aan de handelsagent meer bescherming biedt dan het gekozen recht?
Het Hof van Justitie heeft de overwegingen uit het Ingmar-arrest, dat de regeling in artikel 17 en 18 van de agentuurrichtlijn van dwingende aard is, herhaald.2 Het Hof van Justitie heeft vervolgens geoordeeld:
‘Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de artikelen 3 en 7, lid 2, EVO aldus moeten worden uitgelegd dat het door partijen bij een handelsagentuurovereenkomst gekozen recht van een lidstaat van de Unie dat de door richtlijn 86/653 opgelegde minimumbescherming biedt, door de in een andere lidstaat gevestigde rechter bij wie de zaak aanhangig is uitsluitend opzij mag worden geschoven voor de lex fori op grond dat de regels die de situatie van zelfstandige handelsagenten beheersen van dwingend recht zijn in de rechtsorde van deze lidstaat, indien de aangezochte rechter, rekening houdend met de aard en het voorwerp van deze dwingende bepalingen, omstandig vaststelt dat de wetgever van de lidstaat waar de zaak wordt behandeld, het in het kader van de omzetting van de richtlijn van fundamenteel belang heeft geacht om de handelsagent in de betrokken rechtsorde een bescherming te bieden die ruimer is dan die waarin deze richtlijn voorziet.’
Analoog aan het Unamar-arrest kan worden gesteld in intra-EU situaties slechts sprake is van een voorrangsregel als de wetgever het in het kader van de omzetting van de richtlijn overgang van onderneming van fundamenteel belang heeft geacht de werknemers werkzaam in ondernemingen in de betrokken rechtsorde een ruimere bescherming te bieden dan die waarin de richtlijn overgang van onderneming voorziet.