De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/7.3.3:3.3 De nadere rechtvaardiging voor ingrijpen via artikel 1:95 lid 1 BW en de beperkingen die dit met zich meebrengt
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/7.3.3
3.3 De nadere rechtvaardiging voor ingrijpen via artikel 1:95 lid 1 BW en de beperkingen die dit met zich meebrengt
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948165:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 2002/03, 28 867, nr. 3, p. 22. Zie ook Kamerstukken II 2005/06, 28 867, nr. 9, p. 9.
Vgl. paragraaf 3.5.2.3 van hoofdstuk 6.
Zie paragraaf 5.3 van hoofdstuk 3.
Zie paragraaf 3.4 van hoofdstuk 8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
400. In paragraaf 2.2 is reeds aangegeven dat voor ingrijpen middels zaaksvervanging altijd een nadere rechtvaardiging nodig is. Alleen een dreigende verarming van de een ten koste van de ander is niet voldoende. In diezelfde paragraaf is gebleken dat deze aanvullende rechtvaardiging er in ieder geval uit bestaat dat de verarming van de een en de verrijking van de ander direct met elkaar moeten samen hangen. Dat ‘onmiddellijk samenhangen’ moet dan hierin tot uitdrukking komen dat de verarming en de verrijking direct terug te voeren zijn op dezelfde gebeurtenis, en daaraan causaal zijn verbonden. Dit vereiste causale verband komt óók in artikel 1:95 lid 1 BW terug. In artikel 1:95 lid 1 BW is immers bepaald dat het vervangende goed buiten de gemeenschap blijft wanneer het ‘bij de verkrijging’ voor meer dan de helft ten laste van het eigen vermogen van de betreffende echtgenoot komt. Door deze woorden aan de tekst van artikel 1:95 lid 1 BW toe te voegen heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat het moment van verkrijging van het vervangende goed beslissend is voor het antwoord op de vraag of dat goed al dan niet op grond van artikel 1:95 lid 1 BW in dezelfde rechtsbetrekking treedt als het verloren goed daarvóór (en dus buiten de huwelijksgemeenschap valt).1 Hiermee heeft de wetgever ervoor gekozen om een strikt causaal verband te vereisen. Het verlies van het ene goed, en de verkrijging van het andere, moeten op hetzelfde moment hebben plaatsgevonden. Is dat niet het geval, dan kan de werking van boedelmenging later niet meer worden doorkruist. Dat betekent dus óók dat wanneer een goed door een echtgenoot is verkregen, en hij de koopprijs daarvoor schuldig is gebleven waarna hij deze schuldig gebleven koopprijs later alsnog met privémiddelen voldoet, het resultaat daarvan nimmer kan zijn dat het goed alsnog via de werking van artikel 1:95 lid 1 BW van de werking van boedelmenging is uitgezonderd. Hetzelfde geldt wanneer de verkrijging van een goed door een echtgenoot wordt betaald met geleende gelden, en hij deze lening op een later moment met privémiddelen aflost of een deel van die lening wordt kwijtgescholden. Ook dan kan de eerdere werking van boedelmenging niet alsnog op grond van artikel 1:95 lid 1 BW worden doorkruist.2
401. Uit paragraaf 2.2 is daarnaast gebleken dat de aanvullende rechtvaardiging die voor ingrijpen via zaaksvervanging is vereist er verder uit bestaat dat de dreigende vermogensverschuiving tot stand komt zónder dat degene wiens positie wordt aangetast daar direct invloed op heeft. Indien degene die bescherming aan zaaksvervanging wil ontlenen zélf de aantasting van de te beschermen rechtsbetrekking heeft bewerkstelligd, en dit had kunnen voorkomen, is de aantasting van zijn positie niet ongerechtvaardigd en dient een beroep op zaaksvervanging afgewezen te worden. Dit tweede bestanddeel leidt tot een aantal (verdere) belangrijke beperkingen in de reikwijdte van artikel 1:95 lid 1 BW. De eerste beperking is dat artikel 1:95 lid 1 BW niettoegepast kan worden wanneer het vervangende goed aan de beide echtgenoten gemeenschappelijk wordt geleverd en men de alternatieve opvatting over de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap volgt. In die alternatieve opvatting kwalificeert een aandeel in een gemeenschappelijk goed immers niet als vermogensrecht sui generis dat als afzonderlijk goed tot het vermogen van een deelgenoot behoort, maar is het de aanduiding per afzonderlijke deelgenoot van het absolute/exclusieve effect van ieders verkrijging van de gemeenschappelijke zaak of het gemeenschappelijke vermogensrecht als zodanig (‘als geheel’).3 In de alternatieve opvatting heeft ieder van de deelgenoten derhalve iedere zaak of ieder vermogensrecht als geheel (‘als zodanig’) verkregen. Dat geldt óók als echtgenoten gemeenschappelijk een goed hebben verkregen. Ook in dat geval heeft ieder van hen de gemeenschappelijke zaak of het gemeenschappelijke vermogens als geheel (‘als zodanig’) verkregen. Heeft een echtgenoot in dat geval meer dan de helft van de tegenprestatie voor de verkrijging van (zijn ‘aandeel in’) het gemeenschappelijke goed ten laste van zijn eigen vermogen voldaan, dan kunnen de regels van zaaksvervanging niet meer in de daaropvolgende werking van boedelmenging ingrijpen. De betreffende echtgenoot heeft er immers zelf voor gezorgd dat het vervangende goed (i.e. de gemeenschappelijke zaak of het gemeenschappelijke vermogensrecht) ook aan de andere echtgenoot is gaan toebehoren; hij heeft toegestaan dat de gemeenschappelijke zaak of het gemeenschappelijke vermogensrecht ook aan de andere echtgenoot is geleverd. Daarmee is het vervangende goed reeds vóór de werking van boedelmenging aan de beide echtgenoten gemeenschappelijk gaan toebehoren, en wel door toedoen van de betreffende echtgenoot zelf. De goederenrechtelijke rechtsbetrekking die artikel 1:95 lid 1 BW beoogt te beschermen (de enig eigendomspositie van een echtgenoot) is daarmee door eigen toedoen van de te beschermen echtgenoot aangetast. Voor ingrijpen via de regeling van artikel 1:95 lid 1 BW bestaat dan geen rechtvaardiging meer. In hoofdstuk 8 zal op dit alles nog uitgebreid(er) worden teruggekomen.4
402. De tweede beperking van het uitgangspunt dat artikel 1:95 lid 1 BW niet werkt wanneer de ‘enig eigendomspositie’ van een echtgenoot door toedoen van hemzelf is aangetast, is dat de werking van boedelmenging niet op grond van artikel 1:95 lid 1 BW doorkruist kan worden wanneer het vervangende goed niet aan de betreffende echtgenoot zélf, maar aan de andere echtgenoot is geleverd. In de vorige paragraaf is reeds aangegeven dat artikel 1:95 lid 1 BW er niet voor kan zorgen dat het vervangende goed wordt verkregen door degene wiens eigen vermogen verloren is gegaan, wanneer dat goed aan de andere echtgenoot is geleverd. Artikel 1:95 lid 1 BW beschermt immers uitsluitend tegen de verkrijgende werking van boedelmenging, en is zelf géén vorm van verkrijging van goederen. Daarmee is echter nog niet gezegd dat artikel 1:95 lid 1 BW niet zou kunnen bewerkstelligen dat het vervangende goed, dat (dus) door de andere echtgenoot is verkregen, op grond van artikel 1:95 lid 1 BW alsnog van de werking van boedelmenging is uitgezonderd. De uitkomst daarvan zou dan zijn dat een vervangend goed dat door de ene echtgenoot is verkregen ook van de werking van boedelmenging is uitgezonderd wanneer bij de verkrijging meer dan de helft van de tegenprestatie ten laste is gekomen van het eigen vermogen van de andere echtgenoot. Een dergelijke werking van artikel 1:95 lid 1 BW kan echter niet worden aanvaard. Omdat de echtgenoot wiens ‘eigen vermogen’ het betrof heeft toegestaan dat het vervangende goed aan de andere echtgenoot werd geleverd, is de rechtsbetrekking die artikel 1:95 lid 1 BW beoogt te beschermen reeds door toedoen van die betreffende echtgenoot zélf aangetast. Aldus is er géén grond meer om het vervangende goed van de verkrijgende werking van boedelmenging uit te zonderen. Uiteraard zal in dergelijke gevallen wel een vergoedingsrecht van de betreffende echtgenoot op de huwelijksgemeenschap ontstaan. De basis voor dat vergoedingsrecht is dan gelegen in artikel 1:95 lid 2 BW.