Zie HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.
HR, 26-03-2024, nr. 22/00281
ECLI:NL:HR:2024:467
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-03-2024
- Zaaknummer
22/00281
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:467, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑03‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:1401
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:155
ECLI:NL:PHR:2024:155, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑02‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:467
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0062
Uitspraak 26‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Poging tot doodslag op ex-vriendin door haar in portiek van haar flat met mes aan te vallen, art. 287 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefster voldoende steun in ander bewijsmateriaal? 2. Had hof tot vrijspraak strekkend verweer van raadsman moeten opvatten als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over onbetrouwbaarheid van verklaringen van aangever a.b.i. art. 359.2 Sv? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Verklaringen van aangeefster vinden steun in andere bewijsmiddelen. Gelet op bewijsconstructie is geen sprake van schending van bewijsminimumvoorschrift van art. 342.2 Sv. Stelling dat bewijsminimumvoorschrift verlangt dat er een tweede b.m. moet zijn waaruit handelen van verdachte direct blijkt, gaat uit van eis die het recht niet stelt. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft betoog van raadsman kennelijk niet aangemerkt als uos a.b.i. art. 359.2 Sv. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk gelet op inhoud van dit betoog. Bovendien is niet “met voldoende precisie” aangegeven waar het in ’s hofs motivering aan schort. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00281
Datum 26 maart 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 januari 2022, nummer 22-004665-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J.C. Reisinger en M.N. Greeven, beiden advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouw M.N. Greeven heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige, te weten de aangeefster.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.7.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster.
3.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 3.2 tot en met 3.4.
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 66 maanden.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 65 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2024.
Conclusie 13‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Poging tot doodslag. M1: 342.2 Sv unus testis. M2: uos-klacht. Plv. AG is van mening dat beide klachten falen. Ambtshalve opmerking over overschrijdingredelijke termijn in cassatiefase. Conclusie strekt daarom tot vermindering van de gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00281
Zitting 13 februari 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 25 januari 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens "poging tot doodslag", veroordeeld tot een gevangenisstraf van 66 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de teruggave gelast van een aantal inbeslaggenomen voorwerpen, de vordering van de benadeelde partij toegewezen en daarmee verbonden een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.C. Reisinger en M.N. Greeven, beiden advocaat te Utrecht, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
2.1
Het middel bevat de klacht dat het bewijsminimumvoorschrift van art. 342 lid 2 Sv is geschonden.
2.2
Ten laste van de verdachte is door het hof bewezenverklaard dat:
“hij omstreeks 30 juni 2016 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven haar van achteren is genaderd en bij haar keel heeft gegrepen/vastgepakt en haar vervolgens heeft gesneden met een mes, terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 29 juni 2016 met nr. PL1500-2016181060-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 63 tot en met 65):
als de op 29 juni 2016 afgelegde verklaring van [slachtoffer] :
Aangekomen op de [a-straat] te [plaats] , parkeerde ik mijn auto voor mijn woning. Ik had [betrokkene 1] aan de telefoon. Ik liep de hal van de flat binnen. Ik hoorde ineens voetstappen achter mij en draaide mij om, om te kijken wie er achter mij liep. Het is 04.00 - 04.15 uur. Ik zag dat [verdachte] achter mij stond. [verdachte] betreft mijn ex-vriend.
Ik zag op een afstand van zo'n 3 a 4 meter [verdachte] op mij af komen lopen. Ik zag dat [verdachte] in zijn rechterhand een mes beethield. Ik denk dat de lemmet van het mes ongeveer 15 a 20 cm betrof. Ik zag dat hij met dit mes naar mij toe kwam lopen. Op dat moment had ik nog steeds [betrokkene 1] aan de telefoon. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij bij mijn hoofd/keel pakte. Doordat hij mij zo beetpakte, liet ik mijn mobiele telefoon uit mijn handen vallen. Ik zag dat de mobiele telefoon op de grond viel, maar hoorde dat de verbinding nog openstond, daar ik [betrokkene 1] hoorde schreeuwen door de telefoon. Hij hield mijn hoofd beet in een soort wurggreep tussen zijn armen. Ik was zo bang, dat ik de kraag van mijn jas omhoog probeerde te doen. Ik zag dat hij met zijn andere hand, waar hij het mes in had, dicht bij mijn gezicht kwam. Ineens voelde ik het warm worden in mijn nek. Ik dacht op dat moment dat hij mij gesneden had en het warme wat ik voelde bloed was. Ik dacht dat hij mijn oor of keel doorgesneden had. Ik voelde in de directe omgeving, vanwaar ik de warmte en het brandende gevoel voelde en zag vervolgens dat ik bloed aan mijn handen had en dat dit op mijn kleding druppelde.
Ik riep keihard in de richting van mijn mobiele telefoon, dat [betrokkene 1] de politie moest bellen. Ik riep tegen [betrokkene 1] dat [verdachte] mij ging vermoorden. Ik zag dat [verdachte] mij losliet en hierop naar buiten wegrende. Ik zag dat hij in een grijze grote auto stapte. Het betreft niet zijn auto.
Door dit incident is mijn gewatteerde jas beschadigd geraakt en heeft hij kennelijk meerdere sneden toegebracht. Ik ben voor mijn opgelopen letsel naar het ziekenhuis geweest. Aldaar hebben zij mijn rechteroor gehecht. In dat oor zat een flinke snee.
2. Een proces-verbaal verhoor van getuigen rechter-commissaris van 13 september 2016, rc-nummer 16/2703. Dit proces-verbaal houdt als verklaring van [slachtoffer] onder meer in:
Hij kwam op mij af. Ik zag het mes. Hij zei tegen mij: ik snij je keel door.
3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2016 met nr. PL1500-2016181060-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 49 en 50):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 29 juni 2016 om 04:40 uur kregen wij melding te gaan naar de [a-straat] te [plaats] . Wij kwamen ter plaatse en zagen de meldster bij de flat staan. Wij zagen dat er bloed aan de rechterkant van het hoofd van de vrouw stroomde. Haar hand zat onder het bloed. Wij zagen dat haar telefoon onder het bloed zat. Wij zagen dat de vrouw een jas aan had waar allemaal pluisjes uit kwamen. Wij zagen dat aan de achterkant van haar kraag, aan de kant van haar rug, een lange snee over de kraag was. Ik, verbalisant, hoorde haar zeggen dat dat van het mes kwam. De vrouw was duidelijk ontdaan van wat er gebeurd was. Ik hoorde de vrouw zeggen: "Ik ben mijn flat binnen gelopen. Ik werd plotseling van achteren aangevallen. Ik herkende de man als zijnde mijn ex." Ik vroeg haar hoe haar ex heette. Ik hoorde haar zeggen: [verdachte] . Ik hoorde haar zeggen dat het mes die haar ex in haar hand had ongeveer 20 cm lang was.
4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 juni 2016 met nr. PL1500-2016181060-25. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 1 tot en met 4):
als de op 30 juni 2016 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :
Gisteren was [slachtoffer] aan de telefoon met mij in de auto naar [plaats] gegaan, ze liet weten dat zij ging parkeren en liep naar de deur, de deur ging open en toen begon zij ineens te schreeuwen. Ze schreeuwde: “Politie, politie, help, ik word vermoord.” Er was veel paniek, het duurde ongeveer 15 seconden en toen ging de telefoon uit.
5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2016 met nr. PL1500-2016181060-23. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 135 tot en met 137):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Verdachte verklaarde niet in het bezit te zijn van een rijbewijs. Ik hoorde de verdachte zeggen dat hij gebracht en gehaald wordt.
6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 juli 2016 met nr. 30. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 167 tot en met 177):
als de op 6 juli 2016 afgelegde verklaring van de verdachte:
Ik heb zelf geen auto.
7. Een proces-verbaal van kenteken personenauto [betrokkene 2] d.d. 17 april 2017 met nr. 43. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 321 en 322):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op maandag 10 april 2017 hoorde ik, verbalisant, [betrokkene 2] als getuige. Ten tijde van dit verhoor liet de getuige een foto van zijn personenauto zien. Ik zag dat deze personenauto een grijze BMW betrof.
8. Een proces-verbaal van telefonisch contact " [betrokkene 3] " d.d. 2 mei 2017 met nr. 45. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 330 en 331):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op donderdag 13 april verklaarde [slachtoffer] dat zij een telefoongesprek had gevoerd met [betrokkene 2] en dat “ [betrokkene 3] ” dit telefoongesprek had gehoord.
Op maandag 17 april nam ik telefonisch contact op met [betrokkene 3] . Ik hoorde [betrokkene 3] het volgende zeggen:
Dat hij het telefoongesprek heeft gehoord wat [slachtoffer] met [betrokkene 2] heeft gevoerd,
Dat hij hoorde dat [betrokkene 2] zei dat hij met een andere man in de auto had gezeten,
Dat deze man uit de auto stapte,
Dat [betrokkene 2] toen in de auto bleef wachten,
Dat [betrokkene 2] zei dat hij niet wist wat de man ging doen,
Dat die andere man vervolgens terug kwam,
Dat [betrokkene 2] aan de man vroeg wat er gebeurd was,
Dat de man zei dat hij een beetje had gevochten met [slachtoffer] en dat hij een mes had gebruikt.
Desgevraagd hoorde ik [betrokkene 3] zeggen dat de naam van de andere man [verdachte] is. Ik hoorde dat [betrokkene 3] zei dat hij dit weet omdat hij al 28 jaar in de horeca werkt en een hoop mensen kent. Hierdoor weet hij wie [betrokkene 2] is.
9. Een proces-verbaal verhoor van getuigen, op 30 mei 2017 opgemaakt en ondertekend door mr. S.M. Krans, rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank [plaats] en diens griffier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als de op de datum afgelegde verklaring van [betrokkene 3] :
[slachtoffer] werd toen gebeld. Op een gegeven moment riep ze mij bij zich. Ze vroeg of ik mee wilde luisteren. Ik heb het gesprek vervolgens meegeluisterd. Wat er is gezegd heeft zij laten herhalen, ik heb het dus twee keer gehoord. U vraagt mij of ik mij (kan - zo begrijpt het hof) herinneren dat ik vanwege dit gesprek ben opgebeld door een politieagente. Ja. Ik heb vervolgens verteld wat ik heb gehoord. Ik ken [betrokkene 2] . Ik weet dat zijn achternaam [betrokkene 2] is. U vraagt of ik wist met wie [slachtoffer] aan de telefoon was. Ja dat wist ik. Dat was [betrokkene 2] . U vraagt hoe ik wist dat [betrokkene 2] aan lijn was. Ik herken zijn stem.
10. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring d.d. 11 juli 2016, opgemaakt en ondertekend door A.C. de Vries, chirurg. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 274):
Medische informatie betreffende:
Achternaam: [slachtoffer]
Voornaam: [slachtoffer]
A. Uitwendig waargenomen letsel:
Wond oor
Kneuzing keel
Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 29 juni 2021
11. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2016 met nr. PL1500-2016181060-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 68 tot en met 70):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Ik, verbalisant, heb naar aanleiding van de steekpartij foto's gemaakt van het letsel van het slachtoffer (het hof begrijpt: [slachtoffer] ). Op de foto's is te zien dat het slachtoffer geraakt is aan haar rechteroor en een flinke schram heeft in haar nek.
12. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 11 januari 2022 verklaard - zakelijk weergegeven -:
U, voorzitter, vraagt mij of ik een relatie heb gehad met [slachtoffer] die kort voor 28 juni 2016 ten einde is gekomen.
We hebben gesproken met elkaar en de relatie beëindigd. Vervolgens heb ik twee of drie weken niet gesproken met haar, omdat we uit elkaar waren. Voordat we uit elkaar gingen hebben we een verhouding gehad.
13. Een proces-verbaal van bevindingen melding incident d.d. 3 juli 2016 met nr. 24. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 157 en 158):
Op 29 juni 201 heeft [slachtoffer] gebeld naar de Politie Meldkamer met de volgende melding:
04:40:39 uur : A Aangevallen door ex vriend met mes
04:40:46 uur : A Op hoofd allemaal bloed
04:40:50 uur : A Ex is weggerend
04:41:49 uur: A Ex viel mw aan in trappenhuis
04:45:54 uur : P RTIC info: ex betreft [verdachte] , geb [geboortedatum] /1977
04:45:56 uur : P Groot grijs vrt weggereden
04:46:03 uur : P weg met grote grijze auto
04:46:45 uur : P Slo inderdaad bebloed mogelijk gestoken
04:47:25 uur : P 15 minuten geleden gebeurd
04:47:34 uur : P Grijze BMW of Mercedes, grijze BMW of Mercedes
05:08:51 uur : P 2401 mes is 20 cm lang
2.4
Het hof heeft in het arrest de volgende bewijsmotivering opgenomen:
‘Bewijsoverweging
De verklaring van de aangeefster vindt naar het oordeel van het hof voldoende steun in de overigens gebezigde bewijsmiddelen, zowel wat betreft de betrokkenheid van de verdachte alsook de toedracht van de gebeurtenissen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt onder meer dat de verdachte, die volgens zijn eigen verklaring tot twee weken voor het incident een affectieve relatie met het slachtoffer had, wel degelijk ter plaatse is geweest, en bij zijn aanval een snijdende beweging heeft gemaakt waarbij door de jas heen de nek alsook het oor van de aangeefster zijn geraakt, en waaruit de verwondingen zijn ontstaan zoals deze zijn weergegeven in de medische verklaringen. Mede in aanmerking genomen dat de verdachte daarbij heeft gezegd: "ik snij je keel door", kan uit de bewijsmiddelen geen andere conclusie volgen dan dat de verdachte handelde met het opzet om de aangeefster van het leven te beroven.
Voorts leidt het hof uit de verklaring van [betrokkene 3] , die de hem bekende stem van [betrokkene 2] herkende in de stem van degene die met [slachtoffer] telefoneerde, in onderling verband en samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen af dat [betrokkene 2] heeft gezegd dat hij verdachte de bewuste nacht naar de flat van het slachtoffer heeft gebracht en hem daar weer heeft opgepikt. De omstandigheid dat in de door de politie geraadpleegde verkeersgegevens van de in aanmerking komende telefoons voor dit telefoongesprek geen bevestiging werd gevonden doet daaraan - gegeven de omstandigheid dat niet ieder medium met behulp waarvan telefoongesprekken kunnen worden gevoerd leidt tot registratie van verkeersgegevens - niet af.’
2.5
Het juridisch kader voor het beoordelen van de vraag of is voldaan aan het bewijsminimumvoorschrift van art. 342 lid 2 Sv zal bekend zijn. Recent (HR 5 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1152) heeft de Hoge Raad dat kader nog herhaald:
“2.3 Volgens artikel 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. (Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452.)”
2.6
In de onderhavige zaak vinden de verklaringen van het slachtoffer (bewijsmiddelen 1, 2 en - via de meldkamer - bewijsmiddel 13) steun in de verklaring van de opsporingsambtenaar die haar ter plaatse bebloed heeft aangetroffen (bewijsmiddel 3) en de verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 4), wiens lezing van het telefoongesprek dat het slachtoffer voerde toen zij werd aangevallen grotendeels overeenstemt met de verklaring van het slachtoffer. Daarnaast passen de verklaringen van de verdachte dat hij zelf geen auto heeft (bewijsmiddel 6) en “gebracht en gehaald wordt” (bewijsmiddel 5) en de verklaring van [betrokkene 2] over dat hij een grijze BMW heeft (bewijsmiddel 7) bij de verklaring van het slachtoffer dat de verdachte na de aanval in een grote grijze auto stapte (bewijsmiddel 1). De verklaring van [betrokkene 3] (in overgebrachte vorm in bewijsmiddel 8, bij de rechter-commissaris in bewijsmiddel 9) over het telefoongesprek dat hij heeft meegeluisterd tussen het slachtoffer en [betrokkene 2] op 17 april (ik neem aan: 2017, MvW), waarin laatstgenoemde zou hebben verteld dat hij een andere man op enig moment ergens heeft afgezet en dat die andere man bij terugkomst zei dat hij had gevochten met het slachtoffer en een mes had gebruikt, geeft - bezien in samenhang met de verklaringen over de auto van deze [betrokkene 2] - ook steun aan de verklaringen van het slachtoffer. De bewijsmiddelen 10 en 11, ten slotte, geven steun aan deze verklaringen voor wat betreft het door het slachtoffer opgelopen letsel.
2.7
Gelet op deze bewijsconstructie is schending van het bewijsminimumvoorschrift in deze zaak niet aan de orde. Voor zover het middel berust op de stelling dat het bewijsminimumvoorschrift verlangt dat er een tweede bewijsmiddel moet zijn waaruit het handelen van de verdachte direct blijkt (randnummer 5 en 8 van de schriftuur), gaat het uit van een eis die het recht niet stelt. Voor zover de toelichting op het middel nog een afzonderlijke klacht bevat over de begrijpelijkheid van bewijsmiddel 8 (randnummer 6 en 7 van de schriftuur), en dan in het bijzonder over de zin “[d]esgevraagd hoorde ik [betrokkene 3] zeggen dat de naam van de andere man [verdachte] is”, merk ik op dat de betekenis van deze zin mij ook niet zonder meer duidelijk is. Tot een slagende klacht leidt dit evenwel niet, nu over de betekenis van deze zin bij het hof voor zover ik kan zien - en dit wordt in cassatie ook niet aangevoerd - geen verweer is gevoerd en de bewijsconstructie ook met weglating van deze zin zonder meer toereikend is.
2.8
Het middel faalt.
Het tweede middel
3.1
Het middel bevat de klacht dat het hof in strijd met het bepaalde in art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv is voorbijgegaan aan het ter zitting door de raadsman van de verdachte ingenomen en uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaringen van het slachtoffer onvoldoende betrouwbaar zouden zijn.
3.2
In de toelichting op het middel worden vier pagina’s van het in het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep weergegeven pleidooi van de raadsman geciteerd. Hierover wordt vervolgens door de stellers van het middel opgemerkt dat - ik citeer de cassatieschriftuur - hierin “het standpunt van de verdediging [weliswaar] niet in meest gestructureerde vorm naar voren gebracht [is]”, maar dat dit betoog niettemin “bezwaarlijk anders [kan] worden verstaan dan als een standpunt dat betrekking heeft op de bewijsvraag van art. 350 Sv omtrent de tenlastegelegde poging tot doodslag”. In de toelichting wordt dus niet meer uitgegaan van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat is toegespitst op de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer, maar als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat betrekking heeft op de bewijsvraag in haar geheel.
3.3
Om de responsieplicht bedoeld in de tweede volzin van art. 359 lid 2 Sv te activeren worden zoals bekend zekere eisen gesteld aan zogenoemde uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.1.Het is vervolgens in de eerste plaats aan de feitenrechter om te beoordelen of sprake is van zo’n uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, welk feitelijk oordeel in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.2.
3.4
Het middel kan niet slagen. In de onderhavige zaak heeft het hof het betoog van de raadsman van de verdachte klaarblijkelijk niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aangemerkt. Dit is niet onbegrijpelijk, gelet op de inhoud van dit betoog (waarvoor zij verwezen naar pagina 8-13 van het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep). Daarbij teken ik nog aan dat in de cassatieschriftuur niet alleen wordt vastgesteld dat het ter zitting in hoger beroep ingenomen standpunt van de verdediging niet uitblinkt in structuur en op twee gedachten wordt gehinkt voor wat betreft de vraag waar het standpunt betrekking op heeft, maar tevens niet nader wordt aangegeven aan welke onderdelen van dit betoog het hof onvoldoende gemotiveerd voorbij zou zijn gegaan. Van het ‘met voldoende precisie’ aangeven waar het in de motivering van het hof aan schort, is dan ook geen sprake.3.
3.5
Het middel faalt.
Afronding
4.1
Beide middelen falen en zouden zich zonder meer lenen voor afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO, ware het niet dat de verdachte in deze zaak in eerste aanleg is vrijgesproken. Daarom ligt een verkorte afdoeningswijze in deze zaak minder in de rede.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑02‑2024
Vgl. de toetsing in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:909, rov. 3.3.1.
Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, rov. 3.7.2.