Hof Den Haag, 25-01-2022, nr. 22-004665-19.a
ECLI:NL:GHDHA:2022:1401
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
25-01-2022
- Zaaknummer
22-004665-19.a
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2022:1401, Uitspraak, Hof Den Haag, 25‑01‑2022; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:904
Cassatie: ECLI:NL:HR:2024:467
Uitspraak 25‑01‑2022
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn ex-vriendin. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.
Rolnummer: 22-004665-19
Parketnummer: 09-818264-16
Datum uitspraak: 25 januari 2022
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 30 september 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1977,
adres: [woonadres] te [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van
€ 250,00 subsidiair 5 dagen hechtenis. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij en omtrent de inbeslaggenomen goederen, een en ander zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep is blijkens de akte rechtsmiddel beperkt ingesteld en richt zich alleen tegen het vonnis voor zover het betreft de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 30 juni 2016 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven dan wel haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, naar de woning van voornoemde [slachtoffer] is gegaan, haar in het portiek van het appartementencomplex heeft opgewacht, haar van achteren is genaderd en bij haar keel/gezicht heeft gegrepen/vastgepakt en haar vervolgens heeft gestoken/gesneden met een mes, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, impliciet primair, en 2 tenlastegelegde, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
De bewijsmiddelen houden niet in dat de verdachte zich vooraf daadwerkelijk heeft beraden over zijn handelen.
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet derhalve komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Anders dan de advocaat-generaal, die zich hiervoor schaarde achter het requisitoir in eerste aanleg, acht het hof daarvoor niet overtuigend dat de verdachte zich nog een week tevoren bedreigend had uitgelaten – ook niet tegen de achtergrond van de omstandigheid dat de verdachte min of meer planmatig te werk is moeten gaan om het slachtoffer bij haar woning te ontmoeten.
Het hof is van oordeel dat naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet kan worden vastgesteld op welk moment de verdachte tot het besluit is gekomen tot de hem verweten handelingen over te gaan noch op welk moment hij daarover voorafgaand aan dat besluit is gaan nadenken. Derhalve kan evenmin worden vastgesteld of er bij de verdachte tijd en gelegenheid heeft bestaan om zich te beraden over het genomen of het te nemen besluit en na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Het hof zal daarom de verdachte vrijspreken van de primair, impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. hij op of omstreeks 30 juni 2016 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven dan wel haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, naar de woning van voornoemde [slachtoffer] is gegaan, haar in het portiek van het appartementencomplex heeft opgewacht, haar van achteren is genaderd en bij haar keel/gezicht heeft gegrepen/vastgepakt en haar vervolgens heeft gestoken/gesneden met een mes, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Bewijsoverweging
De verklaring van de aangeefster vindt naar het oordeel van het hof voldoende steun in de overigens gebezigde bewijsmiddelen, zowel wat betreft de betrokkenheid van de verdachte alsook de toedracht van de gebeurtenissen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt onder meer dat de verdachte, die volgens zijn eigen verklaring tot twee weken voor het incident een affectieve relatie met het slachtoffer had, wel degelijk ter plaatse is geweest, en bij zijn aanval een snijdende beweging heeft gemaakt waarbij door de jas heen de nek alsook het oor van de aangeefster zijn geraakt, en waaruit de verwondingen zijn ontstaan zoals deze zijn weergegeven in de medische verklaringen. Mede in aanmerking genomen dat de verdachte daarbij heeft gezegd: “ik snij je keel door”, kan uit de bewijsmiddelen geen andere conclusie volgen dan dat de verdachte handelde met het opzet om de aangeefster van het leven te beroven.
Voorts leidt het hof uit de verklaring van [naam 1], die de hem bekende stem van [naam 2] herkende in de stem van degene die met [slachtoffer] telefoneerde in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen af dat [naam 2] heeft gezegd dat hij verdachte de bewuste nacht naar de flat van het slachtoffer heeft gebracht en hem daar weer heeft opgepikt. De omstandigheid dat in de door de politie geraadpleegde verkeersgegevens van de in aanmerking komende telefoons voor dit telefoongesprek geen bevestiging werd gevonden doet daaraan - gegeven de omstandigheid dat niet ieder medium met behulp waarvan telefoongesprekken kunnen worden gevoerd leidt tot registratie van verkeersgegevens - niet af.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Blijkens de in dat verband opgemaakte akte, is het hoger beroep beperkt tot feit 1. De in eerste aanleg ter zake van feit 2 opgelegde straf, een geldboete van € 250,00 te vervangen door 5 dagen hechtenis, is daarmee onherroepelijk geworden. Het hof heeft zich enkel te buigen over de ter zake van het hierboven onder 1 bewezenverklaarde feit op te leggen straf. In dit verband overweegt het hof als volgt.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn ex-vriendin.
De verdachte heeft zijn ex-vriendin in het portiek van haar eigen flat van achteren genaderd en heeft haar gegrepen/vastgepakt en haar vervolgens onder het uitroepen van het voornemen om haar de keel door te snijden gesneden met een mes. Alleen door het eigen ingrijpen van de aangeefster lijkt erger te zijn voorkomen.
Direct na de aanval is bij aangeefster volgens haar slachtoffer-verklaring niet alleen fysieke pijn ontstaan, maar heeft zij ook last gekregen van hevige angst- en stressgevoelens. Voor de aangeefster is het handelen van de verdachte traumatisch geweest en zij is zowel persoonlijk als fysiek in haar integriteit aangetast. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de aangeefster tot op de dag van vandaag kampt met de gevolgen daarvan. Het hof rekent de verdachte dit alles zwaar aan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 december 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In beginsel acht het hof daarbij een gevangenisstraf van 72 maanden passend en geboden. Het hof houdt er echter rekening mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM op verschillende momenten in de procedure is overschreden:
- tussen het moment waarop de verdachte in verzekering is gesteld (30 juni 2016) en de datum waarop in eerste aanleg vonnis is gewezen (30 september 2019) zit een periode die langer is dan 16 maanden, die overigens ten dele is toe te rekenen aan vertraging aan de zijde van de verdediging;
- tussen het moment waarop hoger beroep is ingesteld (7 oktober 2019) en de ontvangst van het dossier door het hof zit een periode van langer dan 8 maanden,
- tussen het moment waarop hoger beroep is ingesteld (7 oktober 2019) en de datum van dit arrest (25 januari 2022) zit een periode van langer dan 2 jaren.
Gelet op de geconstateerde overschrijdingen van de redelijke termijn, zal het hof de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf met 6 maanden verminderen, zodat aan hem zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden.
Na te melden duur acht het hof daarbij in de omstandigheden van het geval passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 1.100,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is niet door of namens de verdachte betwist en ligt reeds daarom in beginsel voor toewijzing gereed.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder onder 1 bewezenverklaarde. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zodanig voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 1.100,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].
Beslag
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat terzake beslist moet worden als hierna volgt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 63, en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, impliciet subsidiair tenlastegelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 (zesenzestig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de teruggave aan [slachtoffer] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
2. 1.00 STK Jas KI: Zwart;.
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. 1.00 STK Telefoontoestel Kl: Zwart,
Samsung Galaxy;
3. 1.00 STK Telefoontoestel Kl: Zwart, iPhone 4;
4. 1.00 STK Jas Kl: Blauw;
5. 1.00 STK Schoeisel, Lacoste sneakers.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.100,00 (duizend honderd euro) bestaande uit € 100,00 (honderd euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.100,00 (duizend honderd euro) bestaande uit € 100,00 (honderd euro) materiële schade en
€ 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 21 (eenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 30 juni 2016.
Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius,
mr. M.P.J.G. Göbbels en mr. W.M. Limborgh, in bijzijn van de griffier mr. F.A. Janse.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 januari 2022.
Mr. M.P.J.G. Göbbels en de griffier zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.