Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.2.2.3
3.2.2.3 De wet van 1841
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702008:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Sluysmans & Procee 2016, p. 10-12.
W. 1839, 24.
Stb. 19. Zeer uitvoerig hierover: Van den Honert 1841. Voorts over die wet: Sluysmans & Procee 2016, p. 13-23; Jonckers Nieboer 1931, p. 59-61; Van Andel 1857, p. 11-15.
W. 1841, 166 en W. 1841, 168.
Kamerstukken II 1840/41, XIV, 3, p. 365.
Kamerstukken II 1840/41, XIV, 4, p. 366.
De Belgische wet (d.d. 17 april 1835) is raad te plegen in Van den Honert 1841, p. 305 e.v.
Kamerstukken II 1840/41, XIV, 4, p. 366. Datzelfde lid, zijn naam is mij onbekend, wenste overigens ook dat een lid van het Openbaar Ministerie bij de plaatsopneming aanwezig zou zijn.
Kamerstukken II 1840/41, XIV, 4, p. 371.
Kamerstukken II 1840/41, XIV, 5, p. 379.
De werkelijke waarde en eventueel de waardevermindering van het overblijvende.
Jonckers Nieboer 1931, p. 61.
Met name voor de aanleg van spoorwegen. Ik noem hier in het bijzonder het fameuze ‘laantje van Van der Gaag’ te raadplegen in Sluysmans & Procee 2016, p. 19-22. Alwaar er na eindeloze discussie tussen Van der Gaag en de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij een spoorweg in een boog rond Van der Gaags laantje gelegd werd. Meer uitvoerig in: Veenendaal 2008, p. 53-54 en Sluysmans 2011, p. 19-20.
Door het echec van het wetsvoorstel 1825 was men genoodzaakt om door te werken met de Franse wet van 1810. Er werd op basis van die wet ook daadwerkelijk onteigend. Voor voorbeelden verwijs ik naar Sluysmans & Procee. 1Toch begon die wet steeds meer te wringen; de wet was geschreven in een denkwereld waarin ‘des keizers wil wet was’. Dat principe ging echter, in het Nederland van begin 19e eeuw, niet meer op. Een destijds beroemd onteigeningsadvocaat en later minister van Justitie, Donker Curtius, verwoordde dit op treffende wijze in een pleitrede voor de Utrechtse rechtbank.
“(…) de Wet van 1810 was gemaakt onder het Keizerlijk despotismus, onder eene eenhoofdige regering; en de gehele staatsregeling van dien tijd druist in tegen alle denkbeeld van constitutionele regering, die door de Grondwet hier te lande is tot stand gebragt (…)”.2
Na de grondwetswijziging van 1840 werd bij Koninklijke boodschap van 11 maart 1841 een nieuwe ontwerp-onteigeningswet aangeboden aan de Tweede Kamer. Die wet werd betrekkelijk makkelijk aangenomen en vastgesteld bij de wet van 29 mei 1841.3 De eerste onteigeningswet van Nederlandse makelij was daarmee een feit. De wet voldeed aan de vereisten die de Grondwet verlangde, al werd door critici geponeerd dat de wet de facto weinig vernieuwend was ten opzichte van de Franse voorganger.4
Interessant in het kader van de deskundigenadvisering is dat er voorgoed afstand werd genomen van de facultatieve inzet van deskundigen. Art. 10 Ow 1841 stipuleerde namelijk:
“De Regtbank zal, hetzij op de gedane vordering, hetzij ambtshalve, drie deskundigen benoemen om de goederen te waarderen (…) het rapport van deskundigen is voor de Regtbank niet verbindende.”
Blijkens de Memorie van Toelichting was de bedoeling van het artikel dat de rechtbank dadelijk en in ieder geval deskundigen zou benoemen, zonder dat de rechtbank aan hun advies gebonden was. 5Een verschuiving van facultatief naar imperatief. De precieze reden voor de verandering bleef bij de parlementaire behandeling onbelicht. Bij de beraadslaging wenste één kamerlid de Belgische tegenhanger van deze bepaling te implementeren.6 Die bepaling kende een waardering in loco, ter plaatse dus, door de deskundigen onder verplichte aanwezigheid van een rechter-commissaris.7 De overige leden meenden echter dat de verplichte aanwezigheid niet van de rechter-commissaris gevergd kon worden.8
Meer commotie bestond er over de taakomschrijving van deskundigen. Het parlement was van mening dat het ‘eigenaardige’ woord ‘goederen’ in de wettekst vervangen moest worden door ‘schade’.9 Daardoor zou de wettekst deskundigen opdragen de schade te waarderen in plaats van de goederen. De regering toonde zich echter standvastig:
“De Regering heeft vermeend het woord goederen, in den 2den regel, te moeten behouden en niet door het woord schade te doen vervangen, daar men alleen de waardeering der te onteigenen goederen aan de deskundigen wil overgelaten hebben, en de begrooting der schade, als behoorende tot de bepaling der schadeloosstelling, aan den Regter moet opgedragen blijven.”10
De regering was duidelijk in de door haar beoogde taakverdeling: de deskundigen waarderen (taxeren) de te onteigenen goederen,11 de rechter begroot de schade. De wet van 1841 was overigens bepaald geen onomstreden bestaan gegund. De meeste kritiek richtte zich op de vele formaliteiten en beroepsmogelijkheden waardoor onteigeningsprocedures erg lang duurden.12 Dat was een enorme doorn in het oog voor menig onteigenaar en bovendien hinderlijk in een toch al traag industrialiserend Nederland.13 Een lang bestaan was de onteigeningswet van 1841 dan ook niet gegund.