Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/6.2.2:6.2.2 Pragmatische doel-middel benadering van het Hooggerechtshof
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/6.2.2
6.2.2 Pragmatische doel-middel benadering van het Hooggerechtshof
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS619042:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Strunk v. United States, 412 U.S. 434 (1973).
Buiten het kader van door de overheid uitgelokte strafbare feiten en schending van het recht op een speedy trial.
Zie United States v. Morrison, 449 U.S. 361 (1981).
Steiker 1996, p. 2469.
Bijvoorbeeld in de rechtspraak over standing, de good faith exception, fruit of the poisonous tree en impeachment evidence. Zie Steiker 1996, p. 2469 en Kuiper 2010, p. 63.
Zie nader Kuiper 2010, p. 122.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Hooggerechtshof heeft een aantal scherpe keuzes gemaakt, zowel op het niveau van hetgeen beoogd wordt met het stelsel van reacties op vormfouten als geheel, als op het niveau van de doeleinden van de verschillende binnen het strafproces mogelijke reacties. Strafvermindering als reactie op een vormfout is door het Hooggerechtshof expliciet afgewezen in een zaak over de gevolgen van schending van het recht op een speedy trial.1 Dismissal van de zaak is2 als reactie op vormfouten in het voorbereidend onderzoek vooral een theoretische mogelijkheid. In de visie van het hierover unanieme Hooggerechtshof moet het toe te passen rechtsgevolg in evenwicht zijn met de gemaakte vormfout. Dismissal is vanuit dat perspectief veelal een te grove reactie, omdat zij niet alleen de vrucht van het ongrondwettig handelen treft, maar de hele vervolging van tafel veegt.3 Bewijsuitsluiting is in de VS de dominante reactie op vormfouten in het voorbereidend onderzoek. In de rechtspraak van het Hooggerechtshof heeft deze reactie wat betreft haar grondslag en haar (daarmee samenhangende) toepassingsbereik een metamorfose ondergaan.
Hoewel Mapp en Miranda met de daarin geformuleerde grondwettelijke rechten (rights) nog steeds deel uitmaken van het geldende recht, hebben grote veranderingen plaatsgevonden op het gebied van de aan schending van die rechten te verbinden rechtsgevolgen (remedies). Dit heeft niet de vorm gekregen van een algehele afschaffing van de exclusionary rule, maar van het ontwikkelen van een variëteit aan – wat Steiker noemt – inclusionary rules.4 Dat zijn jurisprudentiële regels die ofwel ter terechtzitting het gebruik toelaten van op ongrondwettige wijze verkregen bewijsmateriaal, ofwel de mogelijkheden beperken om voor de rechter een beroep te doen op schending van de grondwet bij de bewijsverkrijging.5
Deze ontwikkeling werd mogelijk door een verschuiving van de grondslag van bewijsuitsluiting van een dogmatisch naar een pragmatisch kader. De huidige rechtspraak over bewijsuitsluiting kenmerkt zich door een gemakkelijk te begrijpen argumentatiestructuur, die afhankelijk van het betrokken grondwettelijk recht wat verschilt. In het kader van het Vierde Amendement, dat strekt tot bescherming van de privacy, zijn de belangrijkste kenmerken:
dat bewijsuitsluiting niet wordt beschouwd als een recht van de verdachte, maar als een door de rechter gecreëerde remedie;
dat die remedie enkel en alleen tot doel heeft opsporingsambtenaren te weerhouden van schending van het Vierde Amendement. Men noemt dat ‘police-deterrence’. Bewijsuitsluiting strekt dus niet tot compensatie van de verdachte en ook niet tot het waarborgen van de integriteit van de rechter/rechtspraak: het gebruik door de rechter van bewijsmateriaal dat is verkregen met inbreuk op de grondwet wordt niet geacht een aparte grondwetsschending op te leveren;
of bewijsuitsluiting wordt toegepast is afhankelijk van een kosten-batenafweging. Daarbij bestaan baten uitsluitend in de mate waarin ‘policedeterrence’ kan worden bereikt en wenselijk is. Of toepassing van bewijsuitsluiting in de praktijk het beoogde effect zal hebben is daarbij een belangrijke vraag evenals de vraag of dit nodig is in het licht van het politiehandelen en de betrokken grondwettelijke rechten. Aan de kostenzijde staat de schade voor de waarheidsvinding en voor de handhaving van het materiële strafrecht, waarbij ook acht wordt geslagen op de kosten die gepaard gaan met het openen van de mogelijkheid om over het desbetreffende punt in het strafproces te procederen.
Deze doel-middel benadering waarbij kosten en baten tegen elkaar worden afgewogen (die ik in het rechtsvergelijkend onderzoek, voorzien van vele voorbeelden, heb beschreven) schiep ruimte voor de ontwikkeling van verschillende uitzonderingen op de bewijsuitsluitingsregel. Ook bracht de keuze voor een enkelvoudige doelstelling (police-deterrence) mee dat voor compensatie van nadeel dat de verdachte leed als gevolg van een grondwetsschending een andere procedure moest worden opengesteld, hetgeen ook is gebeurd.6 Het Amerikaanse beslis- en motiveringsmodel biedt ruimte voor een precieze invulling afhankelijk van de aard van het geschonden recht, de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel en van de wijze waarop de bescherming van het betrokken recht in een bepaald tijdsgewricht het beste kan worden vormgegeven. De duidelijkheid die het Hooggerechtshof heeft gegeven over het doeleinde van bewijsuitsluiting en over de in concrete gevallen in de beoordeling te betrekken factoren biedt de lagere rechter een scherp omlijnd afwegingskader. Het geeft alle bij de strafrechtspleging betrokken partijen veel houvast.