Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/5.2.2
5.2.2 Van bestaande nationale uitvoeringsorganen tot Europese organen?
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS396083:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld artikel 2, aanhef en onder 3, gelezen in verbinding met artikel 65, aanhef en onder a, van de Verordening 1083/2006 (structuurfondsen). Voor het ELFPO geldt dat het toezichtcomité slechts wordt geraadpleegd: zie artikel 78, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening nr. 1698/2005.
Zie bijvoorbeeld artikel 65, aanhef en onder b en c en artikel 66, eerste lid, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen) en artikel 78, aanhef en onder b en c, en artikel 79, eerste lid, van de Verordening nr. 1698/2005 (ELFPO).
Zie bijvoorbeeld artikel 65, aanhef en onder d, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen) en artikel 78, aanhef en onder d, van de Verordening nr. 1698/2005 (ELFPO).
Zie bijvoorbeeld artikel 65, aanhef en onder g, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen)en artikel 65, aanhef en onder f, van de Verordening nr. 1698/2005 (ELFPO).
Uit artikel 45, eerste lid, van de Verordening nr. 1198/2006 volgt dat visserijgroepen overheids- en particuliere partners uit diverse lokale relevante, sociaaleconomische sectoren vertegenwoordigen. Wat betreft de plaatselijke groepen is in artikel 62, eerste lid, onder b, van de Verordening nr. 1698/2005 neergelegd dat het moet gaan om een groep die reeds in aanmerking is genomen voor het communautair initiatief Leader II, het communautair initiatief Leader+ of overeenkomstig de Leader-aanpak, hetzij om een nieuwe groep die partners uit de verschillende lokaal verankerde sociaaleconomische geledingen in het betrokken gebied vertegenwoordigt. Voor de besluitvorming moeten de sociaaleconomische partners en andere vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, zoals landbouwers, plattelandsvrouwen, jongeren en hun verenigingen ten minste 50% van het plaatselijke partnerschap uitmaken.
Zie voor de zogenoemde Leader-groepen artikel 62 van de Verordening 1698/2005 en voor het Europees Visserijfonds artikel 45 van de Verordening nr. 1198/2005.
Ook Schöndorf-Haubold komt ten aanzien van de Comités van Toezicht tot de conclusie dat geen sprake is van een Europees orgaan. Zie Schöndorf-Haubold 2011, p. 51.
HvJEG 13 juni 1958, 9/56 (Meroni), Jur. 1958, p. 313. Om dezelfde reden kunnen ook de nationale agentschappen Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie niet als Europees orgaan worden aangemerkt. Zie hieromtrent ook Craig 2012B, p. 153 e.v.; Hofmann, Rowe & Trk 2011, p. 241 e.v. Craig merkt op dat het Meroni-principe indirect ook terug te vinden is in artikel 290 VWEU. Zie Craig 2012B, p. 155.
Zie Nieto-Garrido & Delgado 2007, p. 13.
Uit interviews met medewerkers van de Europese Commissie is eveneens naar voren gekomen dat sprake zou zijn van nationale organen.
Voor de structuurfondsen en het Europees Visserijfonds geldt dat de lidstaat over deze samenstelling moet overleggen met de beheersautoriteit. Zie artikel 64, eerste lid, tweede volzin van de Verordening nr. 1083/2006; artikel 63, eerste lid, tweede volzin, van de Verordening nr. 1198/2006. Inzake ELFPO is overleg met de beheersautoriteit niet voorgeschreven, maar is wel bepaald dat de in artikel 6 genoemde partners in het Comité van Toezicht moeten zijn vertegenwoordigd. Zie artikel 77, tweede lid, van de Verordening nr. 1698/2005.
Zie GvEA 28 januari 2009, T-74/07 (Duitsland/Commissie), Jur. 2009, p. 1I-107, r.o. 50 e.v. waaruit volgt dat de vertegenwoordiger van de Europese Commissie in het toezichtcomité niet kan worden gelijkgesteld met de Europese Commissie. Zie ook Schöndorf-Haubold 2011, p. 51-52; Craig 2006, p. 86; Schöndorf-Haubold 2005A, p. 452-453.
Zie artikel 65, tweede lid, van de Verordening nr. 1083/2006. Voor de programmaperiode 2000-2006 was dit opgenomen in artikel 35, tweede lid, van de Verordening 1260/99.
Dit geldt overigens alleen voor de structuurfondsen. Zie artikel 2, aanhef en onder 3, gelezen in verbinding met artikel 65, aanhef en onder a, van de Verordening nr. 1083/2006. Comités van Toezicht die in het kader van het ELFPO worden opgericht worden slechts geraadpleegd over de selectiecriteria; de criteria worden vastgesteld door het bevoegd orgaan (zie artikel 71, tweede lid, van de Verordening nr. 1698/2005).
Tot welke categorie nationaal recht de regels behoren die door de Comités van Toezicht worden opgesteld, komt aan de orde in hoofdstuk 6, paragraaf 6.3.52.
Zie Schöndorf-Haubold 2011, p. 52; Schöndorf-Haubold 2005A, p. 452-453; Comijs 1998, p. 39.
Artikel 25, derde lid, van de Cffirdinatieverordening. Zie hieromtrent Comijs 1998, p. 129 e.v. en Schöndorf-Haubold 2005A, p. 452.
Artikel 25, derde lid, tweede alinea van de Cffirdinatieverordening. Zie hieromtrent ook Comijs 1995, p. 3.
Comijs 1998, p. 132.
Comijs 1998, p. 132. Voorwaarde zou wel zijn dat de Europese Commissie het Comité van Toezicht kan controleren.
Comijs 1998, 134.
Schöndorf-Haubold 2011, p. 52; Schöndorf-Haubold 2005A, p. 452-453.
Schöndorf-Haubold 2011, p. 52; Schöndorf-Haubold 2005A, p. 452-453.
Zie artikel 35, tweede lid, eerste alinea, van de Verordening nr. 1260/99 en artikel 64, eerste en tweede lid, van de Verordening nr. 1083/2006. Zie ook Schöndorf 2005A, p. 452: 'Nach der aktuellen Strukturfondsverordnung hat er allerdings weder den Vorsitz inne, noch verfögt er liber ein Stimmrecht; die Mitwerkung der Kommission in den Begeleitausschüssen ist vielmehr lediglich beratender Art. Die zurückgenommene Position der Kommission unterstreicht die Tatsache, dass es sich bei den Begleitausschüssen um nationale Gremien handelt und sie nicht als gemeinschaftsrechliche Einrichtungen anzusehen sind.'
GvEA 15 maart 2004, T-139/02 (Avgerinopoulou), Jur. 2004, p. II-875, r.o. 68 en 69; zie ook Schöndorf-Haubold 2005A, p. 452-453.
Schöndorf-Haubold 2011, p. 51.
Schöndorf-Haubold 2011, p. 51-52.
Artikel 14, derde lid, van de Verordening nr. 1080/2006.
Zie artikel 19, derde lid, van de Verordening nr. 1080/2006.
In veel gevallen is het goed mogelijk om bestaande nationale uitvoeringsorganen aan te wijzen die de Europese subsidieregelgeving uitvoeren. Zij moeten op grond van nationale wet- en regelgeving wel zijn geëquipeerd om de Europese taken en bevoegdheden uit te voeren. Daarnaast moeten de bestaande nationale uitvoeringsorganen de kenmerken hebben die de Europese subsidieregelgeving vereist. In sommige gevallen is het minder voorstelbaar dat bestaande nationale uitvoeringsorganen worden aangewezen en worden nieuwe nationale uitvoeringsorganen gecreëerd. In deze paragraaf wordt ingegaan op de zogenaamde Comités van Toezicht en lokale en plaatselijke groepen.
De Comités van Toezicht die in het kader van het ELFPO, het Europees Visserijfonds en de structuurfondsen per OP moeten worden opgericht, hebben in de eerste plaats tot taak toezicht te houden op de kwaliteit van de uitvoering van het programma.1 Ten tweede stellen zij de criteria vast op grond waarvan projecten worden geselecteerd.2 Ten derde onderzoekt het Comité van Toezicht de jaarverslagen en het eindverslag over de uitvoering van het programma en keurt deze verslagen goed.3 Ten slotte wordt elke voorstel tot wijziging van de inhoud van de beschikking van de Europese Commissie over de bijdrage uit de fondsen door het Comité van Toezicht onderzocht en goedgekeurd.4 Omdat het om publiek-private partnerschappen gaat en daarbij ook een vertegenwoordiger van de Europese Commissie deel uitmaakt van het Comité van Toezicht, zal het veelal nodig zijn om een nieuw uitvoeringsorgaan op te richten.
Voor de plaatselijke en lokale groepen die in het kader van het ELFPO en het Europees Visserijfonds moeten worden opgericht, is Europees voorgeschreven dat het om publiek-private partnerschappen gaat.5 Deze groepen selecteren op basis van door hen opgestelde ontwikkelingsstrategieën, de projecten die voor een Europese subsidie in aanmerking komen.6 De groepen dienen te bestaan uit vertegenwoordigers van allerlei plaatselijke en lokale partners. In veel gevallen zullen dergelijke groepen op nationaal niveau nog niet bestaan.
Omdat de bevoegdheid tot het oprichten van deze organen is neergelegd in Europese subsidieverordeningen, rijst de vraag of zij zijn aan te merken als Europese organen. Als daarvan sprake is, dan zou tegen door hen verrichte handelingen rechtsbescherming kunnen openstaan bij de Europese rechter. Voorts zouden door deze organen opgestelde regelingen tot het Eu-recht behoren. Hoewel de grondslag voor de bevoegdheden voor de Comités van Toezicht en de plaatselijke en lokale groepen is neergelegd in Europese verordeningen kan van Europese organen geen sprake zijn.7 Zowel de Comités van Toezicht, als de plaatselijke en lokale groepen beschikken namelijk over discretionaire bevoegdheden. In het arrest Meroni heeft het Hof van Justitie uitgemaakt dat delegatie door Eu-instellingen van regelgevende bevoegdheden aan door de EU opgerichte entiteiten niet mogelijk is en de delegatie van uitvoeringsbevoegdheden slechts is geoorloofd wanneer deze bevoegdheden nauwkeurig zijn omschreven en de uitvoering daarvan geheel aan de controle van het delegerende orgaan zijn onderworpen.8 Gelet hierop, is een delegatie van discretionaire bevoegdheden aan Europese organen niet geoorloofd.9 Dientengevolge moeten de Comités van Toezicht en de plaatselijke en lokale groepen als nationale organen worden aangemerkt.
Dat Comités van Toezicht niet als Europees orgaan kunnen worden beschouwd, vindt bevestiging in de Europese subsidieverordeningen.10 In de eerste plaats worden de comités door de lidstaat opgericht en beslist de lidstaat over de samenstelling van de comités.11 Voorts hebben de vertegenwoordigers van de Europese Commissie in het Comité van Toezicht slechts een raadgevende stem.12 Daarbij komt dat het Comité van Toezicht de reglementen van orde opstelt, binnen het institutionele, juridische en financiële kader van de betrokken lidstaat.13 Dat het Comité van Toezicht bevoegdheden uitoefent op grond van Europese subsidieverordeningen — namelijk het vaststellen van de selectiecriteria14 — heeft niet tot gevolg dat sprake is van een Europees orgaan. Bestaande nationale uitvoeringsorganen oefenen immers ook direct bevoegdheden uit op grond van Europese subsidieverordeningen. De regels die de Comités van Toezicht op grond van de Europese subsidieregelgeving vaststellen voor de selectie van projecten die voor Europese subsidie in aanmerking komen, behoren dan ook tot het nationale recht.15
In de programmaperioden 1989-1993 en 1994-1999 was minder duidelijk of een Comité van Toezicht als Europees dan wel nationaal orgaan moest worden aangemerkt.16 Ambtenaren van de Europese Commissie maakten volwaardig deel uit van het Comité van Toezicht17 en daarbij werden de toezichtcomités krachtens een overeenkomst tussen de betrokken lidstaat en de Europese Commissie ingesteld18 Voor zover het Comité van Toezicht binnen de Nederlandse rechtsorde de bevoegdheid had gekregen subsidiebesluiten te nemen, is volgens Comijs gewoon sprake van een nationaal orgaan.19 Voor zover aan het Comité van Toezicht in een verordening rechtstreeks bevoegdheden worden toegekend, zou sprake kunnen zijn van een Europees orgaan.20 De enige bevoegdheid die het Comité van Toezicht ingevolge artikel 25, vijfde lid, van de Coördinatieverordening was toegekend, was het aanpassen van de oorspronkelijk goedgekeurde toekenningsvoorwaarden van de financiële bijstand, zonder het totale bedrag van de toegekende communautaire bijstand te wijzigen en binnen de per doelstelling geharmoniseerde grenzen. Deze wijzigingen dienden echter door zowel de Europese Commissie als de lidstaat te worden bevestigd. Zowel de lidstaat als de Europese Commissie was derhalve verantwoordelijk voor deze wijziging, hetgeen eventuele rechtsbescherming daartegen uiteraard niet eenvoudiger maakte. In de praktijk beslisten de Comités van Toezicht ook over de toekenning van Europese subsidies21 Schëndorf-Haubold beschrijft dat zowel de Europese rechter als nationale rechter zich onbevoegd verklaarden om van beroepen tegen subsidietoekenningen door het Comité van Toezicht kennis te nemen.22 De Europese rechter was van mening dat het om een nationale beschikking ging, terwijl de nationale rechter zich onbevoegd verklaarde omdat een vertegenwoordiger van de Europese Commissie meebesliste. Naar aanleiding van deze onduidelijkheden over de beslissingen van het Comité van Toezicht23 neemt sinds de programmaperiode 2000-2006 een vertegenwoordiger van de Europese Commissie met raadgevende stem deel aan de werkzaamheden van het Comité van toezicht.24 Uit de jurisprudentie blijkt dat het Gerecht voor de programmaperiode 2000-2006 in ieder geval van mening is dat beslissingen van het Comité van Toezicht zijn te kwalificeren als nationale beschikkingen.25 Rechtsbescherming is derhalve op nationaal niveau mogelijk. Voor de huidige programmaperiode geldt dat het Comité van Toezicht geen beslissingen neemt op aanvragen om Europese subsidie.
Dat een vertegenwoordiger van de Europese Commissie in de Comités van Toezicht zitting heeft, maakt het mogelijk dat het Eu-belang wordt vertegenwoordigd bij de selectie van projecten.26 Daarnaast biedt deelname in het Comité van Toezicht aan de Europese Commissie de mogelijkheid om beter toe te zien op de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving door nationale uitvoeringsorganen.27
Het Comité van Toezicht dat wordt opgericht ten behoeve van operationele programma's in het kader van de doelstelling Europese territoriale samenwerking neemt een bijzondere positie in, nu in dit comité vertegenwoordigers van de verschillende partnerlidstaten zitting hebben.28 Het Comité van Toezicht is in het kader van de doelstelling Europese territoriale samenwerking belast met de selectie van projecten.29 De verordening nr. 1080/2006 maakt niet duidelijk welk nationaal rechtstelsel op het comité van toezicht van toepassing is. De Verordening nr. 1080/2006 bepaalt evenmin in welke lidstaat rechtsbescherming openstaat indien een aanvrager het niet eens is met genomen beslissingen van het Comité van Toezicht. Hierop wordt wat betreft Nederland verder ingegaan in hoofdstuk 6, paragraaf 6.3.5.2.