Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/2.6.4
2.6.4 Spreekrecht
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS386095:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het spreekrecht ziet immers slechts op aandeelhoudersbesluiten, en bij structuurvennootschappen wordt het bestuur benoemd en ontslagen door de RVC. Kamerstukken II, 2008-2009, 31877, nr. 3, p. 9.
Ten aanzien van de bezoldiging van bestuurders is het uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de or de bevoegdheid krijgt zich uit te laten over primaire arbeidsvoorwaarden. Kamerstukken II, 20082009, 31877, nr. 3, p. 4. Mijns inziens is een dergelijke invloed niet geheel te voorkomen, nu de AV(A) in het bezoldigingsbeleid veelal de grenzen aan de hoogte van de beloning zal aangeven. Zie ook: P.A.M. Witteveen, P.T. Sick en L.C.J. Sprengers, ‘Positie van werknemers versus andere stakeholders', in: De toekomst van medezeggenschap. Aanbevelingen aan de wetgever, Deventer: Kluwer 2009, p. 58.
In het SER-advies evenwichtig ondernemingsbestuur is het spreekrecht voor de or in de algemene vergadering onderzocht als één van de mogelijkheden om de positie van werknemers in de vennootschap te versterken. SER-advies 2008/01, p. 61 e.v.
C.W.P. van Ommeren, D.J.W.M. Kemperink, ‘Het spreekrecht van de ondernemingsraad’, ArbeidsRecht 2011-5.
Kamerstukken II, 2008-2009, 31877, nr. 3, p. 3.
Kamerstukken II, 2008-2009, 31877, nr. 3, p. 10.
Dok wanneer geen schriftelijk standpunt is ingenomen, bestaat de mogelijkheid de AV(A) toe te spreken. Kamerstukken II, 2008-2009, 31877 nr. 3, p. 3.
Kamerstukken II, 2008-2009, 31877, nr. 3, p. 4.
Kamerstukken I, 2003-2004, 28179, nr. B, p. 22.
Zie ook: R.G.J. Nowak, ‘Het wetsvoorstel spreekrecht or bij belangrijke AV-besluiten', Ondernemingsrecht 2009, 59. Nowak stelt overigens dat vernietiging wegens strijdigheid met de redelijkheid en billijkheid niet is uitgesloten, maar dit is door de Minister tijdens de behandeling in de Eerste Kamer uitdrukkelijk ontkracht. Kamerstukken I, 2009-2010, 31877 C, p. 5. Zie hierover ook: M. Holtzer, ‘Het spreekrecht van de ondernemingsraad van de naamloze vennootschap bij belangrijke besluiten', Ondernemingsrecht 2010,114.
P.A.M. Witteveen, P.T. Sick, L.C.J. Sprengers, ‘Positie van werknemers versus andere stakeholders', in: L.C.J. Sprengers, G.W. van der Voet (red), De toekomst van medezeggenschap, Deventer: Kluwer 2009, p. 56.
Weliswaar ziet art. 30 WDR op de benoeming en het ontslag van de bestuurder in de zin van art. 30 WDR, maar, zoals eerder al opgemerkt, wordt deze functie in veel gevallen uitgeoefend door een bestuurder in de zin van Boek 2 BW.
Sinds 2010 heeft de or van de NV een standpuntbepalingsrecht, ook wel spreekrecht genoemd (hierna spreekrecht) ten aanzien van een aantal belangrijke besluiten van de aandeelhoudersvergadering. Het gaat om de volgende besluiten: de goedkeuring door de AV(A) van belangrijke bestuursbesluiten (art. 2:107a lid 3 BW), de benoeming, de schorsing en het ontslag van bestuurders (art. 2:134a BW) tenzij sprake is van een structuurvennootschap,1 de bezoldiging van bestuurders (art. 2:135 lid 2 BW)2 en de benoeming en het ontslag van commissarissen (art. 2:144a BW en art. 2:158 lid 4 BW). Het spreekrecht is een uitvloeisel van een coalitieafspraak tussen VVD, PvdA en ChristenUnie (kabinet-Balkenende IV) dat voorzag in een adviesrecht voor de or van (beursgenoteerde) NV's ten aanzien van het bezoldigingsbeleid. Het uiteindelijke standpuntbepalingsrecht lijkt in weinig opzichten nog op die afspraak. Het is geen adviesrecht, maar een spreekrecht geworden. De reikwijdte is verbreed naar niet-beursgenoteerde NV's en andere besluiten dan het bezoldigingsbeleid.3
De reikwijdte van het spreekrecht voor de or is beperkt tot NV’s. Het moet gaan om een or die ‘krachtens wettelijke bepalingen is ingesteld’. Ik ben het met Van Ommeren en Kemperink eens dat het hier ook kan gaan om een vrijwillig ingestelde or.4 Deze heeft immers met art. 5a lid 2 WOR een wettelijke basis. Indien alleen een op verplichte basis ingestelde or bedoeld was, had het bovendien meer voor de hand gelegen aan te sluiten bij de formulering in art. 2:153/263 BW ten aanzien van de toepasselijkheid van de structuurregeling.
De minister heeft uitdrukkelijk niet bedoeld een adviesrecht voor de or te creëren.5 De reden daarvoor is dat het beroepsrecht voor de or, gezien de vertraging die dat meebrengt, onwenselijk is ten aanzien van de besluiten waarop het spreekrecht ziet. De minister besteedt geen aandacht aan het fundamentele argument dat een adviesrecht van de or ten aanzien van aandeelhoudersbesluiten niet goed in het systeem van de WOR past. Het is een standpuntbepalingsrecht geworden, zoals ook al bestond ten aanzien van het collectieve ontslag van commissarissen van structuurvennootschappen (art. 2:161a/271a BW). Het spreekrecht kent een schriftelijke en een mondelinge ronde. Voor de oproeping van de algemene vergadering moet de or in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk zijn standpunt kenbaar te maken. Dit moet tijdig vóór de algemene vergadering zijn, hetgeen volgens de memorie van toelichting in het algemeen dertig dagen voorafgaand aan de oproeping zal zijn.6 Vervolgens kan de vertegenwoordiger van de or dit standpunt op de algemene vergadering toelichten.7 De (voorzitter van de) or heeft alleen toegang tot de algemene vergadering voor zover het de onderwerpen betreft waarover hij een spreekrecht heeft. De minister heeft uitdrukkelijk geen algemeen (permanent) spreekrecht voor de or willen creëren. Als de or dit wil, kan hij een aandeel in de vennootschap nemen. Niet alleen kan de or in dat geval de gehele vergadering bijwonen, maar hij kan ook het stemrecht uitoefenen.
Aandeelhouders hoeven niet te reageren op het standpunt van de or. Naar het oordeel van de minister is een motiveringsverplichting niet wenselijk, nu aandeelhouders voorafgaand aan de vergadering een volmacht kunnen verlenen. Daarnaast zijn aandeelhouders niet gehouden zich te richten naar het belang van de vennootschap en de aan haar verbonden onderneming.8 Ook schending van het spreekrecht wordt niet gesanctioneerd. In alle bepalingen inzake de spreekrechten is opgenomen dat het ontbreken van het standpunt van de or de besluitvorming niet aantast. Dit betekent dat een dergelijk besluit niet nietig of vernietigbaar is. Hiermee wordt afgeweken van de sanctie van art. 2:161a/2:272a BW waarop de spreekrechten zijn geïnspireerd.9 Het verschil tussen deze bepalingen is mijns inziens niet te rechtvaardigen10 en leidt er – samen met het ontbreken van een motiveringsverplichting – toe dat het spreekrecht vooral symbolisch van aard is.11 Daarbij komt dat de toegevoegde waarde van het spreekrecht gering is, nu sprake is van overlap met andere bevoegdheden van de or. Zo heeft de or al bevoegdheden ten aanzien van de benoeming van bestuurders op grond van art. 30 WOR12 en op basis van de medezeggenschapsregeling uit de structuurregeling ten aanzien van benoeming en ontslag van commissarissen. De besluiten uit art. 2:107a BW komen in belangrijke mate overeen met de opsomming in art. 25 WOR. Zoals hierboven al opgemerkt, kan de or ook een aandeel in de vennootschap nemen waarmee hetzelfde kan worden bereikt als met het spreekrecht en ook het stemrecht kan worden uitgeoefend. De meerwaarde van het spreekrecht is volgens de ministers dat de dialoog met de or wordt aangegaan en dat er op die manier meer draagvlak voor de besluitvorming komt.13
Ondanks het symbolische karakter en de samenloop met andere procedures is mijns inziens toch sprake van een belangrijke aanvulling op de andere bevoegdheden van de or. Het spreekrecht geeft de or immers invloed in de algemene vergadering van aandeelhouders, hetgeen – buiten de structuurregeling – een novum is. Hierboven beschreef ik dat het adviesrecht van de WOR zich slecht verhoudt tot de besluitvorming in vennootschapsrechtelijke verhoudingen. Dit geldt niet voor het spreekrecht. Het spreekrecht sluit aan bij de vennootschapsrechtelijke besluitvorming, waardoor recht wordt gedaan aan het beginsel ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’. Dit versterkt de positie van de or aanzienlijk en betreft mijns inziens ook een verbetering van de systematiek van het medezeggenschapsrecht. Holtzer wijst er verder op dat de vergaderingen dynamischer worden en de discussie scherper wordt gesteld door aanwezigheid van de or op de algemene vergadering. Ook kan het spreekrecht naar zijn mening leiden tot een hogere kwaliteit van de medezeggenschap. Het spreekrecht voor de OR is mijns inziens een positieve ontwikkeling, maar de wijze waarop de regeling is vormgegeven behoeft verbetering. In de volgende paragraaf ga ik daarom in op de vraag op welke wijze het spreekrecht versterkt en uitgebreid kan worden.