Ik begrijp: hof.
HR, 15-10-2024, nr. 22/02993
ECLI:NL:HR:2024:1433
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-10-2024
- Zaaknummer
22/02993
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1433, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:679
ECLI:NL:PHR:2024:679, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑07‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1433
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0238
Uitspraak 15‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Rijden onder invloed van amfetamine en GHB (art. 8.5 WVW 1994) en rijden met ongeldig verklaard rijbewijs (art. 9.2 WVW 1994). Dubbel verstek. Hof (enkelvoudige kamer) heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408.1.c Sv. Kan uit brief van verdachte aan centrale balie en e-mailbericht van verdachte aan hof/ressortsparket worden afgeleid dat dag van tz. in eerste aanleg de verdachte voorafgaand aan (aanvang van) die tz. bekend was? In het licht van geschiedenis van art. 408 Sv brengt redelijke wetsuitleg mee dat art. 408.1.c Sv inhoudt dat als zich omstandigheid voordoet waaruit blijkt dat dag van (nadere) tz. de verdachte voorafgaand aan (aanvang van) die (nadere) tz. bekend was, beroepstermijn van 14 dagen na einduitspraak geldt. Die bepaling strekt immers niet ertoe te bewerkstelligen dat verdachte na het bekend raken met dag van tz. nog mogelijkheid heeft te verschijnen op die tz., maar betreft omstandigheid of van verdachte in redelijkheid kan worden verwacht dat hij n.a.v. deze wetenschap het nodige zal doen om zich op de hoogte te stellen van verder verloop van zijn strafzaak (vgl. HR:2017:2316). ‘s Hofs oordeel dat verdachte n-o is in h.b. omdat zich gelet op inhoud van e-mailbericht van verdachte en brief van verdachte een omstandigheid a.b.i. art. 408.1.c Sv heeft voorgedaan die zou meebrengen dat verdachte binnen 14 dagen na vonnis Rb h.b. had moeten instellen, is niet zonder meer begrijpelijk. Uit deze stukken noch anderszins blijkt immers dat dag van tz. in e.a. de verdachte voorafgaand aan (aanvang van) die tz. bekend was. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02993
Datum 15 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 december 2021, nummer 22-001204-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboortedatum] op [geboorteplaats] 1984,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat in Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep omdat het hoger beroep te laat is ingesteld.
2.2.1
De stukken die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, houden kort samengevat in dat de verdachte in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld, de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in eerste aanleg van 7 oktober 2020 om 10:30 uur niet in persoon aan hem is uitgereikt, het vonnis in eerste aanleg is uitgesproken op 7 oktober 2020 en namens de verdachte hoger beroep is ingesteld op 23 april 2021.
2.2.2
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en daartoe overwogen:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroepGelet op de inhoud van het zich in het dossier bevindende e-mailbericht van de verdachte van 15 juli 2021 alsmede de aan de centrale balie gerichte brief van de verdachte van 20 april 2021, is het hof van oordeel dat de in artikel 408 lid 1 aanhef en onder c van het Wetboek van Strafvordering genoemde omstandigheid zich voordoet. De verdachte had derhalve binnen veertien dagen na het vonnis waarvan beroep van 7 oktober 2020 in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter pas op 23 april 2021 hoger beroep ingesteld, zodat hij in het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.”
2.2.3
Het door het hof bedoelde e-mailbericht van de verdachte van 15 juli 2021, dat is verzonden naar het algemene e-mailadres van het hof/ressortsparket, houdt onder meer in:
“Met dit schrijven dien ik een verzoek in om mijn zitting op 16-07-2021 ter rechtbank (de Hoge Raad begrijpt: hof) Den Haag o.v.v. parketnummer 22-001204-21, met spoed te verplaatsen naar een andere datum. Dit vanwege het feit dat ik 1 dag van te voren (vandaag) de zitting oproep heb mogen ontvangen per post. Dit geeft mij geen mogelijkheid om mij redelijkerwijs te kunnen verdedigen in mijn zaak. Vanwege dit korte tijdsbestek wat mij is gegeven is het mij onmogelijk gemaakt dat mijn advocaat mij kan bijstaan in mijn zaak. Morgen dient mijn hoger beroep waarbij ik door de voorgaande rechtbank bij verstek ben veroordeeld onder dezelfde omstandigheden als nu met de oproep. Ik heb recht op een advocaat en recht om mijzelf te verdedigen.Tevens is het morgen een werkdag voor mij. Ik hoop dat u gehoor geeft aan mijn verzoek.”
2.2.4
De door het hof bedoelde brief van de verdachte van 20 april 2021, die aan de “akte instellen hoger beroep” is gehecht en is gericht aan de centrale balie, houdt onder meer in:
“Ik [verdachte] wil graag in beroep tegen zaak 96-100927-20. De reden is ik kreeg de (beschikking) pas op de dag (oproep) dat de recht zitting was dus ik kon er niet op tijd meer heen.”
2.3
Artikel 408 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt, voor zover hier van belang:
“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;(...)2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”
2.4
In het licht van de geschiedenis van deze bepaling brengt een redelijke wetsuitleg mee dat artikel 408 lid 1, aanhef en onder c, Sv inhoudt dat als zich een omstandigheid voordoet waaruit blijkt dat de dag van de terechtzitting of de nadere terechtzitting de verdachte voorafgaand aan (de aanvang van) die terechtzitting of die nadere terechtzitting bekend was, de beroepstermijn van veertien dagen na de einduitspraak geldt. Die bepaling strekt immers niet ertoe te bewerkstelligen dat de verdachte na het bekend raken met de dag van de terechtzitting nog de mogelijkheid heeft te verschijnen op die terechtzitting, maar betreft de omstandigheid of van de verdachte in redelijkheid kan worden verwacht dat hij naar aanleiding van deze wetenschap het nodige zal doen om zich op de hoogte te stellen van het verdere verloop van zijn strafzaak. (Vgl. HR 12 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2316.)
2.5
Het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep omdat zich gelet op de inhoud van het e-mailbericht van de verdachte van 15 juli 2021 en de brief van de verdachte van 20 april 2021 een omstandigheid als bedoeld in artikel 408 lid 1, aanhef en onder c, Sv heeft voorgedaan die zou meebrengen dat de verdachte binnen veertien dagen na het vonnis van de rechtbank hoger beroep had moeten instellen, is niet zonder meer begrijpelijk. Uit deze stukken noch anderszins blijkt immers dat de dag van de terechtzitting in eerste aanleg de verdachte voorafgaand aan (de aanvang van) die terechtzitting op 7 oktober 2020 bekend was.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2024.
Conclusie 02‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Betekeningsperikelen. De verdachte is door het hof niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, omdat het hoger beroep niet binnen veertien dagen na het vonnis is ingesteld. Middel klaagt terecht dat een schriftelijke mededeling van de verdachte aan het hof over de zitting in eerste aanleg niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaruit blijkt dat de dag der terechtzitting in eerste aanleg de verdachte tevoren bekend was (art. 408 lid 1 aanhef en onder c Sv). De niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in hoger beroep is daarom niet zonder meer begrijpelijk. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02993
Zitting 2 juli 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 13 december 2021 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 7 oktober 2020.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel heeft betrekking op de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in hoger beroep.
2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
Voordat ik toekom aan de bespreking van het middel stel ik de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde. Uit de stukken die op voet van art. 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad zijn toegezonden, kan het volgende worden afgeleid:
- Op 24 juni 2021, 28 juni 2021 en 1 juli 2021 zijn pogingen gedaan om de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep van 16 juli 2021 uit te reiken aan de verdachte. Op 12 juli 2021 is deze dagvaarding uitgereikt aan het openbaar ministerie, met verzending van een afschrift daarvan naar het BRP-adres van de verdachte.
- Op 15 juli 2021 heeft de verdachte een e-mailbericht gestuurd naar het gerechtshof Den Haag, inhoudende:
“(…)
Met dit schrijven dien ik een verzoek in om mijn zitting op 16-07-2021 ter rechtbank1.Den Haag o.v.v parketnummer 22-001204-21, met spoed te verplaatsen naar een andere datum. Dit vanwege het feit dat ik 1 dag van te voren (vandaag) de zitting oproep heb mogen ontvangen per post. Dit geeft mij geen mogelijkheid om mij redelijke wijs te kunnen verdedigen in mijn zaak. Vanwege dit korte tijdsbestek wat mij is gegeven is het mij onmogelijk gemaakt dat mijn advocaat mij kan bijstaan in mijn zaak. Morgen dient mijn hoger beroep waarbij ik op de voorgaande rechtbank bij verstek ben veroordeeld onder te zelfde omstandigheden als nu met de oproep. Ik heb recht op een advocaat en recht om mijzelf te verdedigen.Tevens is het morgen een werkdag voor mij. Ik hoop dat u gehoor geeft aan mijn verzoek.(…)”
- De verdachte is niet verschenen op de rolzitting van 16 juli 2021. Het gerechtshof heeft verstek verleend en het onderzoek geschorst tot 3 december 2021 om 9.45 uur.
- De op 3 december 2021 geplande zitting is kennelijk verplaatst naar 13 december 2021, zo kan worden afgeleid uit de stukken: op 26 oktober, 29 oktober, 3 november en 6 november 2021 zijn pogingen gedaan om de dagvaarding voor de zitting van 13 december 2021 uit te reiken aan de verdachte. De oproeping voor de zitting van 13 december is op 30 november 2021 uitgereikt aan het openbaar ministerie, met verzending van een afschrift daarvan naar het BRP-adres van de verdachte.
- De verdachte is niet verschenen op de zitting van 13 december 2021. Het gerechtshof heeft verstek verleend en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
- Op 27 juli 2022 is een gerechtelijke brief in persoon aan de verdachte uitgereikt, inhoudende de uitspraak van 13 december 2022.
- Op 9 augustus 2022 is namens de verdachte cassatieberoep ingesteld.
2.2
Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep is de volgende bepaling van belang:
Artikel 432 Sv1. Het beroep in cassatie moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
(…)c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;(…)
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet cassatie worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het vonnis of arrest de verdachte bekend is.
2.3
De e-mail die de verdachte op 15 juli 2021 naar het gerechtshof Den Haag heeft gestuurd, kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was: de verdachte vermeldt in de e-mail de datum van de zitting en het bijbehorende parketnummer, zodat uit de e-mail voldoende blijkt dat de verdachte tevoren op de hoogte was van datum van die zitting. Op die zitting is het onderzoek geschorst tot de zitting van 3 december 2021.
2.4
Hoewel uit de stukken daarover niets blijkt heeft op 3 december 2021 kennelijk geen zitting plaatsgevonden. Deze is naar alle waarschijnlijkheid aangehouden tot 13 december 2021, voor welke zitting het openbaar ministerie de verdachte opnieuw heeft opgeroepen, welke oproeping niet in persoon heeft plaatsgevonden zoals hiervoor onder 2.1 is weergegeven.
2.5
Nu de verdachte niet op de nadere terechtzitting van 13 december 2021 is verschenen en zich geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van die nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, is de termijn als bedoeld in art. 432 lid 2 Sv van toepassing. Een omstandigheid waaruit blijkt dat de verdachte bekend is geraakt met het arrest heeft zich voorgedaan op 27 juli 2021. Het cassatieberoep is vervolgens binnen de termijn van veertien dagen ingesteld, namelijk op 9 augustus 2021. Het cassatieberoep is daarmee tijdig ingesteld, zodat de verdachte in zijn cassatieberoep dient te worden ontvangen.
3. Het middel
3.1
Het middel klaagt dat de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in hoger beroep niet zonder meer begrijpelijk is, nu de schriftelijke mededeling van de verdachte, inhoudende “Ik [verdachte] wil graag in hoger beroep tegen zaak 96-100927-20. De reden is ik kreeg de (beschikking) pas op de dag (oproep) dat de recht zitting was dus ik kon er niet op tijd meer heen” niet zonder meer kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaruit blijkt dat de dag der terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
3.2
Het hof heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 december 2021 het volgende overwogen over de ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep:
“Gelet op de inhoud van het zich in het dossier bevindende e-mailbericht van de verdachte van 15 juli 2021 alsmede de aan de centrale balie gerichte brief van de verdachte van 20 april 2021, is het hof van oordeel dat de in artikel 408 lid 1 aanhef en onder c van het Wetboek van Strafvordering genoemde omstandigheid zich voordoet. De verdachte had derhalve binnen veertien dagen na het vonnis waarvan beroep van 7 oktober 2020 in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter pas op 23 april 2021 hoger beroep ingesteld, zodat hij in het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.”
3.3
De aan de centrale balie van het hof gerichte brief van de verdachte van 20 april 2021 waarnaar het hof verwijst, houdt onder meer het volgende in:
"Ik [verdachte] wil graag in hoger beroep tegen zaak 96-100927-20. De reden is ik kreeg de (beschikking) pas op de dag (oproep) dat de recht zitting was dus ik kon er niet op tijd meer heen”
3.4
Het e-mailbericht van de verdachte van 15 juli 2021 waarnaar het hof verwijst, houdt het volgende in:
“(…)
Met dit schrijven dien ik een verzoek in om mijn zitting op 16-07-2021 ter rechtbank2.Den Haag o.v.v parketnummer 22-001204-21, met spoed te verplaatsen naar een andere datum. Dit vanwege het feit dat ik 1 dag van te voren (vandaag) de zitting oproep heb mogen ontvangen per post. Dit geeft mij geen mogelijkheid om mij redelijke wijs te kunnen verdedigen in mijn zaak. Vanwege dit [verdachte] tijdsbestek wat mij is gegeven is het mij onmogelijk gemaakt dat mijn advocaat mij kan bijstaan in mijn zaak. Morgen dient mijn hoger beroep waarbij ik op de voorgaande rechtbank bij verstek ben veroordeeld onder te zelfde omstandigheden als nu met de oproep. Ik heb recht op een advocaat en recht om mijzelf te verdedigen.Tevens is het morgen een werkdag voor mij. Ik hoop dat u gehoor geeft aan mijn verzoek.(…)”
3.5
Op grond van art. 408 lid 1 aanhef en onder c Sv dient het hoger beroep binnen 14 dagen na de einduitspraak te worden ingesteld indien zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte tevoren op de hoogte was van de terechtzitting of de nadere terechtzitting in eerste aanleg. Het vonnis is gewezen op 7 oktober 2020. De verdachte heeft op 20 april 2021 een brief gestuurd naar het hof waarin hij aangeeft dat hij de “beschikking” pas op de dag van de terechtzitting heeft gekregen en er dus niet op tijd meer heen kon. Uit de brief volgt niet wat de verdachte met de term ‘beschikking’ bedoelt en welk document de verdachte op de dag van de terechtzitting heeft ontvangen. De verdachte specificeert daarnaast de datum van de terechtzitting niet en uit de brief blijkt ook niet hoe laat de verdachte op die dag op de hoogte is geraakt van de zitting. Nu uit de stukken van het geding tevens blijkt dat de behandeling van de zaak van de verdachte op 7 oktober 2020 om 10.30 uur aanving, is op grond van de brief van de verdachte niet zonder meer vast te stellen dat de verdachte tevoren op de hoogte is geraakt van de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft aan de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in hoger beroep tevens het e-mailbericht van de verdachte van 15 juli 2021 ten grondslag gelegd. Ik zie niet in op welke wijze dit e-mailbericht voor de beoordeling van de ontvankelijkheid in hoger beroep van belang is. Het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in hoger beroep is op grond van het voorgaande niet zonder meer begrijpelijk.
4. Slotsom
4.1
Het middel is terecht voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑07‑2024
Ik begrijp: hof.