HR, 15-02-2022, nr. 20/04214
ECLI:NL:HR:2022:88
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-02-2022
- Zaaknummer
20/04214
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:88, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑02‑2022; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2020:3959
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1208
ECLI:NL:PHR:2021:1208, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 21‑12‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:88
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2020:3959
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑06‑2021
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2022-0042
JIN 2022/35 met annotatie van Oort, C. van
Uitspraak 15‑02‑2022
Inhoudsindicatie
Opzettelijk gebruik maken van vals geschrift (meermalen gepleegd), art. 225.2 Sr. Beoordelingskader overschrijding redelijke termijn na terugwijzing/verwijzing door HR. Als HR uitspraak (gedeeltelijk) vernietigt en zaak terugwijst/verwijst, moet feitenrechter bij beoordeling van verweer over overschrijding van redelijke termijn zowel acht slaan op tijdsverloop vóór gecasseerde uitspraak als op tijdsverloop in cassatiefase en periode van hoger beroep na terugwijzing/verwijzing van zaak door HR. Tijdsverloop tijdens onderscheidenlijke procesfases moet afzonderlijk worden beoordeeld (vgl. HR:2021:197). Hof heeft o.m. overwogen dat tijdsverloop in hoger beroep “meer dan drie jaren” is geweest, waarmee hof kennelijk alleen oog heeft gehad op periode die is verstreken tussen instellen van hoger beroep en eerste arrest van hof. Hof heeft bij beoordeling van verweer dat sprake is van overschrijding van redelijke termijn niet gelet op tijdsverloop na instellen van cassatieberoep tegen dat arrest. Daarmee heeft hof miskend wat hiervoor is vooropgesteld. HR doet zaak zelf af door opgelegde gevangenisstraf te verminderen. Vervolg op HR:2020:508.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/04214
Datum 15 februari 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 december 2020, nummer 23-000978-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof bij zijn oordeel of sprake is geweest van berechting binnen een redelijke termijn ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de termijn die is verstreken na het instellen van cassatieberoep tegen het eerdere arrest van het hof in deze zaak van 26 april 2017.
2.2.1
Het voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijnde procesverloop is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 1.1, 2.2 en 2.4. Daaruit blijkt dat (i) de Hoge Raad in een eerdere cassatieprocedure in deze zaak het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 april 2017 heeft vernietigd en de zaak naar dat hof heeft teruggewezen om (onder meer) wat betreft de strafoplegging opnieuw te worden berecht en afgedaan en dat (ii) vervolgens ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte verweer is gevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn.
2.2.2
In de bestreden uitspraak heeft het hof met betrekking tot de berechting binnen een redelijke termijn onder meer het volgende overwogen:
“Op 13 mei 2009 is de verdachte aangehouden en bij de politie gehoord als verdachte, waardoor hij in redelijkheid heeft kunnen verwachten dat het openbaar ministerie een strafvervolging tegen hem zou instellen. Bij vonnis van 16 januari 2014 is de verdachte door de rechtbank te Amsterdam veroordeeld. Zowel de verdachte als het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld. Vervolgens heeft het gerechtshof op 26 april 2017 arrest gewezen. Vervolgens hebben wederom zowel de verdachte als het openbaar ministerie cassatie ingesteld en op 24 maart 2020 heeft de Hoge Raad arrest gewezen en de zaak (gedeeltelijk) teruggewezen naar het hof. Het hof doet op 15 december 2020 uitspraak.
Het hof is, gelet op de hierboven beschreven gang van zaken, van oordeel dat de berechting in eerste aanleg (bijna vijf jaren), in hoger beroep (meer dan drie jaren) niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM. Een deel van deze termijnoverschrijding valt te verklaren door de omvang van het onderzoek, de complexiteit van de feiten en de verhoren van getuigen bij zowel de rechter-commissaris als de raadsheer-commissaris. De termijnoverschrijding is echter van zodanige omvang dat niet met de enkele vaststelling daarvan kan worden volstaan.
Het hof zou, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, een gevangenisstraf voor de duur van 86 dagen en een taakstraf voor de duur van 200 uren hebben opgelegd. Gelet op de hiervoor vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen en een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen passend en geboden.”
2.3
Als de Hoge Raad een bestreden uitspraak (gedeeltelijk) heeft vernietigd en de zaak heeft teruggewezen of verwezen om (in elk geval wat betreft de strafoplegging) opnieuw te worden berecht en afgedaan, moet de rechter bij de beoordeling van een verweer over de overschrijding van de redelijke termijn zowel acht slaan op het tijdsverloop vóór de ‑ gecasseerde - uitspraak als op het tijdsverloop in de cassatiefase en in de periode van het hoger beroep na terugwijzing of verwijzing van de zaak door de Hoge Raad. Daarbij moet het tijdsverloop tijdens de onderscheidenlijke procesfases afzonderlijk worden beoordeeld (vgl. HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:197).
2.4
Het hof heeft onder meer overwogen dat het tijdsverloop in hoger beroep “meer dan drie jaren” is geweest, waarmee het hof kennelijk alleen het oog heeft gehad op de periode die is verstreken tussen het instellen van hoger beroep en het eerste arrest van het hof op 26 april 2017. Blijkens de hiervoor onder 2.2.2 weergegeven overwegingen heeft het hof bij de beoordeling van het verweer dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn niet gelet op het tijdsverloop na het instellen van het cassatieberoep tegen dat arrest van 26 april 2017. Daarmee heeft het hof miskend wat hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld. Het cassatiemiddel is daarom terecht voorgesteld.
2.5
De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen. De Hoge Raad stelt vast dat in de eerdere cassatieprocedure de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 80 dagen.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 72 dagen beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 februari 2022.
Conclusie 21‑12‑2021
Inhoudsindicatie
Conclusie plv-AG. Schending van de redelijke termijn in eerste aanleg, in hoger beroep en in de eerdere cassatieprocedure. Na terugwijzing door de Hoge Raad heeft het hof de strafoplegging onvoldoende met redenen omkleed. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/04214
Zitting 21 december 2021
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
1.1.
Nadat de Hoge Raad bij arrest van 24 maart 20201.de zaak heeft teruggewezen naar het hof Amsterdam, heeft dat hof bij arrest van 15 december 2020 de verdachte voor het “opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr en tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1.
In het middel wordt geklaagd dat de verwerping van het verweer dat de redelijke termijn is geschonden, althans de stafoplegging, onvoldoende met redenen is omkleed. Aangevoerd wordt dat het hof ten aanzien van de redelijke termijn in hoger beroep slechts de periode gelegen tussen 16 januari 2014 en 26 april 2017 in de beoordeling heeft betrokken, terwijl het hof in hoger beroep uiteindelijk pas op 15 december 2020 uitspraak heeft gedaan, derhalve bijna 6 jaar nadat hoger beroep is ingesteld. In de toelichting op het middel wordt voorts aangevoerd dat “in de eerdere cassatieprocedure (…) reeds was aangevoerd dat de redelijke termijn was geschonden, nu het hof de stukken niet binnen 8 maanden na het instellen van cassatie naar de Hoge Raad had verzonden, nu de Hoge Raad deze pas op 18 september 2018 ter griffie had ontvangen, aan welke klacht de Hoge Raad niet is toegekomen omdat hij het arrest van het hof heeft vernietigd. Opmerking verdient dat de Hoge Raad door het talmen van het hof ook pas uitspraak heeft gedaan op 24 maart 2020 en dus ook niet in staat is geweest binnen twee jaar na het instellen van cassatie uitspraak te doen, zodat ook hierdoor de redelijke termijn was geschonden”.
2.2.
De Hoge Raad heeft in de eerdere cassatieprocedure – voor zover nu van belang – i) de uitspraak van het hof Amsterdam van 26 april 2017 vernietigd wat betreft de beslissingen over het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging, ii) het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging voor het onder 4 tenlastegelegde feit en iii) de zaak teruggewezen naar het hof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien van de strafoplegging (voor het resterende (derde) feit) opnieuw wordt berecht en afgedaan.2.
2.3.
De strafoplegging van het hof houdt, voor zover in verband met het cassatiemiddel van belang, het volgende in:
“Redelijke termijn
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn zodanig ernstig is overschreden dat deze overschrijding tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet leiden.
Ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer oordeelt het hof als volgt. Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De vermindering van de straf is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Gelet op het voorgaande wordt het verweer strekkende tot de niet- ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging verworpen.
Met betrekking tot de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM overweegt het hof als volgt. Op 13 mei 2009 is de verdachte aangehouden en bij de politie gehoord als verdachte, waardoor hij in redelijkheid heeft kunnen verwachten dat het openbaar ministerie een strafvervolging tegen hem zou instellen. Bij vonnis van 16 januari 2014 is de verdachte door de rechtbank te Amsterdam veroordeeld. Zowel de verdachte als het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld. Vervolgens heeft het gerechtshof op 26 april 2017 arrest gewezen. Vervolgens hebben wederom zowel de verdachte als het openbaar ministerie cassatie ingesteld en op 24 maart 2020 heeft de Hoge Raad arrest gewezen en de zaak (gedeeltelijk) teruggewezen naar het hof. Het hof doet op 15 december 2020 uitspraak.
Het hof is, gelet op de hierboven beschreven gang van zaken, van oordeel dat de berechting in eerste aanleg (bijna vijf jaren), in hoger beroep (meer dan drie jaren) niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM. Een deel van deze termijnoverschrijding valt te verklaren door de omvang van het onderzoek, de complexiteit van de feiten en de verhoren van getuigen bij zowel de rechter-commissaris als de raadsheer-commissaris. De termijnoverschrijding is echter van zodanige omvang dat niet met de enkele vaststelling daarvan kan worden volstaan.
Het hof zou, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, een gevangenisstraf voor de duur van 86 dagen en een taakstraf voor de duur van van 200 uren hebben opgelegd. Gelet op de hiervoor vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen en een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen passend en geboden.”
2.4.
Uit de ter terechtzitting in hoger beroep van 1 december 2020 voorgedragen pleitnota blijkt dat de raadsman van de verdachte ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn heeft aangevoerd: “Tenslotte is de verdediging van oordeel dat van zodanig ernstige overschrijding van de redelijke termijn sprake is, dat tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te worden besloten”. Voor zover in het middel wordt geklaagd dat het hof het niet-ontvankelijkheidsverweer op onbegrijpelijke wijze heeft verworpen, faalt het. Het hiervoor onder 2.3. geciteerde oordeel van het hof dat en waarom het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging wordt verworpen, is in het geheel niet onbegrijpelijk, is toereikend gemotiveerd en ligt geheel in de lijn van de jurisprudentie.3.
2.5.
Het hof heeft geoordeeld dat de berechting in eerste aanleg (bijna vijf jaren) en in hoger beroep (meer dan drie jaren) niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Over dat oordeel wordt in het middel – uiteraard – niet geklaagd.
2.6.
Wel wordt er in het middel over geklaagd dat het hof ten aanzien van de redelijke termijn in hoger beroep slechts de periode gelegen tussen 16 januari 2014 (de uitspraakdatum van de rechtbank, PF) en 26 april 2017 (de eerste uitspraakdatum van het hof, PF) in de beoordeling heeft betrokken, terwijl het hof in hoger beroep uiteindelijk pas op 15 december 2020 (de uitspraakdatum van het hof na terugwijzing door de Hoge Raad, PF) uitspraak heeft gedaan, derhalve bijna 6 jaar nadat het hoger beroep is ingesteld. Hoewel dat niet met zoveel woorden in het middel wordt gezegd, begrijp ik de stellers van het middel aldus dat het belang van de verdachte bij het slagen van het middel daarin is gelegen dat het hof gelet op het voorgaande tot meer strafvermindering had moeten komen dan het hof heeft gedaan. In zoverre zou de strafoplegging dan onvoldoende met redenen zijn omkleed.
2.7.
Voor zover het middel op de rechtsopvatting berust dat onder ‘de termijn waarbinnen de zaak in hoger beroep met een einduitspraak behoort te zijn afgerond’, ook de cassatiefase en de daarop volgende fase van het hernieuwde hoger beroep is begrepen, faalt het, omdat het eraan voorbijgaat dat elke fase zijn eigen redelijke termijn kent.4.
2.8.
In het middel wordt vervolgens betoogd dat in de eerdere cassatieprocedure reeds is aangevoerd dat de redelijke termijn was geschonden omdat het hof de stukken niet binnen acht maanden na het instellen van cassatie naar de Hoge Raad had verzonden, maar dat de Hoge Raad aan deze klacht niet is toegekomen omdat hij het arrest van het hof heeft vernietigd. Door “het talmen van het hof” heeft de Hoge Raad pas uitspraak gedaan op 24 maart 2020. Daardoor is de Hoge Raad niet in staat is geweest binnen twee jaar na het instellen van cassatie uitspraak te doen, zodat ook hierdoor de redelijke termijn was geschonden, aldus de stellers van het middel.
2.9.
Uit de stukken van het geding in de eerdere cassatieprocedure blijkt dat dat beroep is ingesteld op 10 mei 2017, dat de stukken van het geding op 19 juni 2018, dus ruim vijf maanden te laat, zijn binnengekomen bij de Hoge Raad en dat de uitspraaktermijn in cassatie is verstreken op 10 mei 2019. De Hoge Raad deed uitspraak op 24 maart 2020. In de eerdere cassatiefase zijn de stukken van het geding derhalve niet alleen te laat binnengekomen, ook heeft de Hoge Raad niet binnen 24 maanden na het instellen van het cassatieberoep uitspraak gedaan, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in die eerste cassatieronde is overschreden. Uit het op 24 maart 2020 gewezen arrest van de Hoge Raad blijkt dat de Hoge Raad door de partiële vernietiging van de bestreden uitspraak van het hof en het terugwijzen van de zaak naar het hof Amsterdam, het cassatiemiddel waarin werd geklaagd over het schenden van de inzendtermijn, onbesproken heeft gelaten. Dat is in overeenstemming met zijn vaste jurisprudentie. Bij de nieuwe behandeling van de zaak dient het hof - in geval van strafoplegging - (ook) de overschrijding van de inzendtermijn ambtshalve bij de strafoplegging te betrekken.5.Uiteraard kan de verdediging dat specifieke tijdsverloop bij de behandeling door het hof ook zelf expliciet aan de orde stellen.6.
2.10.
Voorop staat dat, behoudens bijzondere omstandigheden,7.in eerste aanleg het geding dient te zijn afgerond binnen twee jaar “nadat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld”. In hoger beroep dient het geding te zijn afgerond binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld.8.
2.11.
De feitenrechter dient ambtshalve te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM gewaarborgde recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn. De feitenrechter behoeft in zijn uitspraak alleen te doen blijken van dat onderzoek als ter terechtzitting door of namens de verdachte ter zake verweer is gevoerd, aangezien op een zodanig verweer een gemotiveerde beslissing dient te worden gegeven.9.De uitleg van een in hoger beroep gevoerd verweer is in beginsel voorbehouden aan het hof en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.10.
2.12.
In de onderhavige zaak heeft de verdediging ter terechtzitting van het hof enkel gesteld dat sprake is van een zodanig ernstige overschrijding van de redelijke termijn dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard (zie randnummer 2.4.). Het hof heeft die ‘stellingname’ als een niet-ontvankelijkheidsverweer aangemerkt. Die etikettering van het verweer is aan het hof. Maar veel meer dan een algemeen geformuleerd niet-ontvankelijkheidsverweer is er niet van te maken. Inhoudelijk is in het ‘verweer’ immers op geen enkele wijze gespecificeerd waaruit de “ernstige overschrijding van de redelijke termijn” heeft bestaan. Niet is aangegeven in welke fase(s) van de procedure de redelijke termijn is overschreden, laat staan dat wordt gespecificeerd hoe moet worden gerekend en vanaf welke datum/data de termijn(en) is/zijn gaan lopen. Aan een kale stellingname kan het hof naar mijn oordeel ongemotiveerd voorbij gaan. Daarmee is echter niet gezegd dat het cassatiemiddel in het onderhavige geval niet zou slagen.
2.13.
Ik begrijp het arrest van het hof zo dat het hof reden heeft gezien blijk te geven van zijn ambtshalve onderzoek naar de redelijke termijn. Het is de vraag of het hof daar goed in is geslaagd. Naar mijn oordeel is dat niet het geval. Enerzijds stelt het hof expliciet vast dat in de eerste ronde bij de rechtbank en het hof de redelijke termijn is geschonden, maar anderzijds rept het hof met geen woord over de schending van de redelijke termijn in de eerdere cassatieprocedure. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat het hof dat laatste wel heeft willen doen. In zijn arrest oordeelt het hof immers “dat de berechting in eerste aanleg (bijna vijf jaren), in hoger beroep (meer dan drie jaren) niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM”. Die zin loopt niet en de komma na “(bijna vijf jaren)” duidt erop dat het hof op meer fasen van de totale procedure heeft willen wijzen. Zoals het er nu staat heeft het hof geen enkel oog voor de in randnummer 2.9. genoemde twee schendingen van de redelijke termijn in de eerdere cassatieprocedure en evenmin voor het totale tijdsverloop tussen 13 mei 2009 en 15 december 2020. De mate waarin het hof, ook in vergelijking met de eerste ronde, de schending van de redelijke termijn in de strafoplegging heeft gecompenseerd, voedt het beeld dat er ergens iets niet goed is gegaan.11.Dat alles maakt dat het hof de strafoplegging onvoldoende met redenen heeft omkleed. Daarover wordt in het middel terecht geklaagd. Het middel slaagt.
3. Slotsom
3.1.
Het middel slaagt.
3.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv-AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑12‑2021
In de eerste ronde had het gerechtshof de verdachte al vrijgesproken van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.
Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.5.1.
Dat volgt uit HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis.
Zie wederom HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.8 en voordien bijvoorbeeld HR 3 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8349, rov. 6.2 laatste volzin.
Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.5.3. Zie ook de conclusie van Knigge van 22 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:359 onder 3.4.
Zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.13.1 en 3.16.
Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.12 – 3.15. NB: Wanneer de verdachte in voorlopige hechtenis zit en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, is die termijn telkens zestien maanden. Dat is hier niet aan de orde.
Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.8.
Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 193.
Vóór de terugwijzing door de Hoge Raad legt het hof op 26 april 2017 voor feit 3 én feit 4 een gevangenisstraf op die gelijk is aan het ondergane voorarrest, te weten een gevangenisstraf van 86 dagen en daarnaast een taakstraf van 240 uur. Daaraan voorafgaand heeft het hof overwogen dat het zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf van 120 dagen zou hebben opgelegd. Na de terugwijzing door de Hoge Raad legt het hof op 15 december 2020 voor het dan nog resterende derde feit een gevangenisstraf op van 80 dagen en een taakstraf van 160 uur, nadat het eerst heeft overwogen dat het zonder schending van de redelijke termijn voor dat resterende feit een gevangenisstraf van 86 dagen en een taakstraf van 200 uur zou hebben opgelegd. (De advocaat-generaal bij het hof vorderde op 1 december 2020 voor dit resterende feit een gevangenisstraf van 60 dagen met aftrek).
Beroepschrift 02‑06‑2021
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 20/04214
Betekening aanzegging: 13 april 2021
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker
dossiernummer: D20200415
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam d.d. 15 december 2020, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen en een taakstraf voor de duur van 160 uren.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 6 en 13 EVRM alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
In het arrest heeft het hof ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn geoordeeld dat de redelijke termijn is aangevangen op 13 mei 2009; het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 16 januari 2014 en het hof op 26 april 2017 arrest heeft gewezen, terwijl tegen dat arrest door zowel de verdediging als het OM cassatie is ingesteld; de Hoge Raad vervolgens op 24 maart 2020 uitspraak heeft gedaan en het hof daarna op 15 december 2020 uitspraak doet. Vervolgens heeft het hof overwogen/geoordeeld dat de procedure in eerste aanleg bijna vijf jaar heeft geduurd en in hoger beroep meer dan drie jaar, zodat de berechting niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn. Uit het arrest volgt dat het hof ten aanzien van de redelijke termijn in hoger beroep slechts de periode gelegen tussen 16 januari 2014 en 26 april 2017 in de beoordeling heeft betrokken, terwijl het hof in hoger beroep uiteindelijk pas op 15 december 2020 uitspraak heeft gedaan, derhalve bijna 6 jaar nadat hoger beroep is ingesteld. Gelet hierop is de verwerping van het verweer, althans het arrest/stafoplegging onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1.1
Bij arrest van het hof Amsterdam van 26 april 2017 heeft het hof aan de verdachte een gevangenisstraf van 86 dagen en een taakstraf van 240 uren opgelegd. De Hoge Raad heeft in cassatie het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ter zake van feit 4 en de zaak in verband met de strafoplegging (terzake feit 3) teruggewezen.1.
1.2
Namens de verdachte is door zijn raadsman, mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede, ter zitting van 1 december 2020 in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de redelijke termijn geschonden is.
1.3
Het hof heeft in het arrest onder meer het volgende overwogen:
‘Redelijke termijn
De Raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn zodanig ernstig is overschreden dat deze overschrijding tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet leiden.
Ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer oordeelt het hof als volgt. Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van he openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door verminderding van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De vermindering van de straf is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Gelet op het voorgaande wordt het verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging verworpen.
Met betrekking tot de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM overweegt het hof als volgt. Op 13 mei 2009 is de verdachte aangehouden en bij de politie gehoord als verdachte, waardoor hij in redelijkheid heeft kunnen verwachten dat het openbaar ministerie een strafvervolging tegen hem zou instellen. Bij vonnis van 16 januari 2014 is de verdachte door de rechtbank te Amsterdam veroordeeld. Zowel verdachte als het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld. Vervolgens heeft het gerechtshof op 26 april 2017 arrest gewezen. Vervolgens hebben wederom zowel de verdachte als het openbaar ministerie cassatie ingesteld en o p24 maart 2020 heeft de Hoge raad arrest gewezen en de zaak (gedeeltelijk) teruggewezen naar het hof. Het hof doet op 15 december 2020 uitspraak.
He hof is, gelet op de hierboven beschreven gang van zaken, van oordeel dat de berechting in eerste aanleg (bijna vijf jaren), in hoger beroep (meer dan drie jaren) niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM. Een deel van deze termijnoverschrijding valt te verklaren door de omvang van het onderzoek, de complexiteit van de feiten en de verhoren van getuigen bij zowel de rechter-commissaris als de raadsheer-commissaris. De termijnoverschrijding is echter van zodanige omvang dat niet met de enkele vaststelling daarvan kan worden volstaan.
Het hof zou, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, een gevangenisstraf voor de uur van 86 dagen en een taakstraf voor de duur van 200 uren hebben opgelegd. Gelet op de hiervoor vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen en een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen passend en geboden.’
1.4
Evenals de vergelijkbare regel van art. 14, derde lid aanhef en onder c, IVBPR beoogt het voorschrift van art. 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. Naast de bescherming die aldus aan de verdachte wordt geboden zijn er andere factoren die nopen tot een voortvarende afhandeling van strafzaken, zoals de preventieve werking die geacht wordt uit te gaan van berechting en bestraffing, de gerechtvaardigde belangen van het eventuele slachtoffer van het feit en de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van — bijvoorbeeld — eventuele getuigen.2. In strafzaken kan op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Een meer specifieke regel daaromtrent valt niet te geven.
1.5
Zowel in strafzaken als in ontnemingszaken dient de berechting plaats te vinden binnen een redelijke termijn. De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop door de bevoegde autoriteiten is gehandeld. Een overschrijding van de redelijke termijn kan in de volgende fase worden gecompenseerd.3. De Hoge Raad kan het oordeel van de feitenrechter omtrent de redelijke termijn als ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter hieraan verbindt slechts op zijn begrijpelijkheid toetsen.4. De Hoge Raad heeft enige algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het in art. 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden.5. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling in eerste aanleg of in hoger beroep dient te zijn afgerond met een uitspraak binnen 2 jaar. Een uitzondering dient te worden aangenomen voor de gevallen waarin een verdachte bijvoorbeeld in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert. In zulke zaken behoort de zaak in die eerste aanleg of in hoger beroep (telkens) binnen 16 maanden te zijn afgedaan.6. Die uitgangspunten en regels zijn nadien in een reeks van arresten verfijnd en aangescherpt.7.
1.6
In het arrest heeft het hof ten aanzien van de schending van de redelijke termijn overwogen/geoordeeld dat de termijn is aangevangen op 13 mei 2009; het vonnis op 16 januari 2014 is gewezen en het hof op 26 april 2017 arrest heeft gewezen; tegen dat arrest door zowel de verdediging als het OM cassatie is ingesteld; de Hoge Raad vervolgens op 24 maart 2020 uitspraak heeft gedaan en het hof ‘nu’, op 15 december 2020 uitspraak doet. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de procedure in eerste aanleg bijna vijf jaar heeft geduurd en in hoger beroep ‘meer dan drie jaar’, zodat de berechting niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn. Uit het arrest volgt dat het hof ten aanzien van de redelijke termijn in hoger beroep kennelijk slechts de periode gelegen tussen 16 januari 2014 en 26 april 2017 in de beoordeling heeft betrokken, terwijl het hof in hoger beroep uiteindelijk pas op 15 december 2020 uitspraak heeft gedaan nadat in januari 2014 hoger beroep was ingesteld, derhalve bijna 6 jaar na het instellen van beroep. Daar komt nog bij dat in de eerdere cassatieprocedure overigens reeds was aangevoerd dat de redelijke termijn was geschonden, nu het hof de stukken niet binnen 8 maanden na het instellen van cassatie naar de Hoge Raad had verzonden, nu de Hoge Raad deze pas op 18 september 2018 ter griffie had ontvangen, aan welke klacht de Hoge Raad niet is toegekomen omdat hij het arrest van het hof heeft vernietigd. Opmerking verdient dat de Hoge Raad door het talmen van het hof ook pas uitspraak heeft gedaan op 24 maart 2020 en dus ook niet in staat is geweest binnen twee jaar na het instellen van cassatie uitspraak te doen, zodat ook hierdoor de redelijke termijn was geschonden.
1.7
Gelet op het bovenstaande is de verwerping van het verweer/arrest/strafoplegging onvoldoende met redenen omkleed.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 2 juni 2021
Advocaten
R.J. Baumgardt | P. van Dongen | S. van den Akker |
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑06‑2021
HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:508.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.
HR 14 maart 2006, NJ 2006/206.
HR 13 oktober 2015, NJ 2015/445.
HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/721.
HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/721, r.o. 3.14. en 3.15..
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358.