Het rechterlijk bevel en verbod als remedie
Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/9.2:9.2 Een bevel of verbod heeft een beperkte werkingsduur
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/9.2
9.2 Een bevel of verbod heeft een beperkte werkingsduur
Documentgegevens:
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692175:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Betekening is nodig voor het verbeuren van dwangsommen, niet voor de werking van het verbod. Een uitspraak heeft immers van zichzelf rechtskracht. Zie HR 27 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6573, NJ 1980/169, m.nt. W.H. Heemskerk (Tepea/Wilkes).
Zie hierover nader Hugenholtz & Heemskerk 2021/140.
Vgl. Van Nispen 1978/254.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
532. Een verbod of een bevel is gebaseerd op de feiten en omstandigheden ten tijde van het geven van een verbod of bevel en is een erkenning van de rechtspositie van de eiser op dat moment. Daarmee is gegeven dat een bevel of een verbod niet eeuwigdurend is. De omstandigheden in het licht waarvan het bevel of verbod is gegeven kunnen immers wijzigen en dat kan invloed hebben op het voortduren van het bevel of verbod.
533. Bij beantwoording van de vraag wat de werkingsduur van een bevel of verbod is, dient voorop gesteld te worden dat de rechter de mogelijkheid heeft in zijn uitspraak een bepaalde werkingsduur te bepalen. Bijvoorbeeld bij een straat- en contactverbod zal de noodzaak om de bewegingsvrijheid van de veroordeelde te beknotten met het verstrijken van de tijd in de regel afnemen en die maatregel zal zijn rechtvaardiging verliezen. Niets belemmert de rechter om de gedaagde te verbieden om gedurende ‘een periode van twee jaar na betekening / na de datum van dit vonnis’ zich op een bepaalde plaats te bevinden.1 Met zo’n formulering is gegeven dat het verbod ophoudt te werken na ommekomst van die periode. Dat betekent noodzakelijkerwijs ook dat, als na ommekomst van die periode het verboden gedrag weer wordt vertoond of nog steeds dreigt, een nieuw rechterlijk oordeel nodig is. Het rechterlijk bevel of verbod is voor haar voortbestaan niet afhankelijk van de vraag of het wordt nageleefd. Voor een automatische verlenging is dus geen ruimte.
534. De voorzieningenrechter kan, oordelend in kort geding, voorts bepalen dat de hoofdvordering binnen een bepaalde termijn aanhangig gemaakt moet worden.2 Daarmee bewerkstelligt hij dat de veroordeling in kort geding een tijdelijk karakter heeft, omdat die op enig moment zal worden ingehaald door het oordeel van de bodemrechter.
535. Een bevel tot een positief handelen zoals ontruiming of rectificatie vervalt nadat het is uitgevoerd.3 Voor het voortbestaan van een dergelijk bevel bestaat daarna geen reden meer, zij het dat een ontruimingsbevel veelal ook het bevel inhoudt de onroerende zaak ‘ontruimd te houden’. Een dergelijk bevel werkt na de ontruiming door, maar het belang daarbij zal afnemen naarmate de tijd verstrijkt. Het bevel om een onroerende zaak ontruimd te houden betekent in de regel dat het de veroordeelde is verboden direct na ontruiming de onroerende zaak weer te bezetten. Dat spreekt in veel gevallen vanzelf. Een huurder die gedwongen wordt een woning te ontruimen zal die ontruimd moeten houden. Er is veelal geen grond om aan te nemen dat hij na de ontruiming de woning weer zal proberen te betreden, ook al niet omdat dit in veel gevallen onmogelijk zal zijn zonder de deur open te breken. Het rechterlijk bevel is daarmee na de ontruiming feitelijk uitgewerkt. Een bevel daarentegen om een roerende zaak van andermans erf te verwijderen en verwijderd te houden zal een langere werking kunnen hebben, zeker als er tot het bevel een gewoonte bestond om die roerende zaak (bijvoorbeeld een auto) op het erf van een ander te parkeren. Zolang de situatie niet verandert, houdt het bevel zijn werking, zij het voor de situatie waarover de rechter heeft geoordeeld. En ook bij een kraker, die zonder recht of titel een onroerende zaak in gebruik heeft genomen, zal geoordeeld kunnen worden dat de veroordeling om die onroerende zaak ontruimd te houden, langer doorwerkt dan bij de huurder. De kraker heeft immers in het ontbreken van een recht om de onroerende zaak te betreden eerder ook geen belemmering gezien die onroerende zaak in gebruik te nemen, dus het risico dat hij dat na ontruiming opnieuw doet is mogelijk groter dan bij de ontruimde huurder. Maar ook in dat geval zal het bevel en verbod op enig moment zijn werking verliezen. In ieder geval zal dat aan de orde zijn wanneer door tijdverloop er geen reëel risico meer is dat de onroerende zaak opnieuw gekraakt zal gaan worden, maar ook kan gedacht worden aan de situatie waarin de onroerende zaak door derden regulier in gebruik is genomen.
536. In al die gevallen is, om te bepalen wat de werking van het bevel of verbod is, uitleg van de beslissing van de rechter nodig in het licht van de omstandigheden van het geval en de omstandigheden waaronder een bevel of verbod is gegeven. Op die uitleg ga ik hierna in paragraaf 10.3.2 nader in. Voor dit moment is belangrijk vast te stellen dat een bevel en verbod niet oneindig werken.