Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.0.III
I.III Terminologie en reikwijdte
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624597:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De rechtsgevolgen van het handelen door de gedelegeerde worden toegerekend aan de erflater. De gedelegeerde handelt met andere woorden ‘in de geest van’ de erflater en wilsdelegatie raakt in dit opzicht mijns inziens dan ook het vertegenwoordigingsleerstuk . Vgl. hiermee de bestuursrechtelijke definitie van delegatie. Hier vindt een bevoegdheidsoverdracht met de daarbij behorende verantwoordelijkheid plaats. Art. 10:13 Awb luidt immers: ‘Onder delegatie wordt verstaan: het overdragen door een bestuursorgaan van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten aan een ander die deze onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent.’ Delegatie, in bestuursrechtelijke zin, is zodoende geen vorm van vertegenwoordiging. Dit in tegenstelling tot het mandaat. Het bestuursorgaan dat het mandaat verleent, behoudt de verantwoordelijkheid. Art. 10:1 Awb: ‘Onder mandaat wordt verstaan: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen’. Zie ook Kamerstukken II 1993/94, 23700, 3, p. 165: ‘Bij mandaat gaat het om een bevoegdheidsuitoefening waarvoor het mandaterende bestuursorgaan verantwoordelijk blijft, en waarover het dan ook de zeggenschap blijft behouden. Rechtens geldt een in mandaat genomen besluit als een besluit van de mandaatgever: de rechtsgevolgen zijn dezelfde als wanneer de mandaatgever zelf het besluit tot stand had gebracht. Mandaat is te beschouwen als de publiekrechtelijke tegenhanger van de volmacht uit het privaatrecht. Delegatie is daarentegen een overdracht van bevoegdheid. De verantwoordelijkheid voor de uitoefening van de overgedragen bevoegdheid berust niet langer bij de delegans, maar komt bij degene aan wie de bevoegdheid is gedelegeerd te liggen; deze oefent haar verder zelfstandig uit. Daarmee stemt overeen dat het delegerende bestuursorgaan de zeggenschap over de wijze van uitoefening in beginsel kwijt is. Terwijl men mandaat kan beschouwen als een vorm van vertegenwoordiging, is daarvan bij delegatie geen sprake. De overgedragen bevoegdheid wordt zelfstandig en op eigen naam uitgeoefend.’ Vanuit bestuursrechtelijk oogpunt heeft de term ‘delegatie’ in dit onderzoek, mijns inziens, een te zware lading. Termen als ‘overdracht van beslissingsbevoegdheden’ of ‘het testamentaire mandaat’ dekken de lading in erfrechtelijke context, naar mijn mening, beter.
Waar behoren de grenzen van wilsdelegatie te liggen? Ofwel zijn de theoretische grenzen wel wenselijke grenzen en komen er geen uitvoerings- en controleproblemen indien een erflater tal van testeerbevoegdheden aan een ander delegeert? Voor de beantwoording van deze vraag kan een rechtsvergelijking met het Anglo-Amerikaanse recht (ondanks dat dit recht geheel andere wortels kent dan ons rechtssysteem) interessant zijn. In het Anglo-Amerikaanse recht kan namelijk met behulp van het trustrecht en het verlenen van ‘powers of appointment’ tegemoet worden gekomen aan de gewenste erfrechtelijke flexibiliteit om na erflaters overlijden via een vertrouwenspersoon nog in te spelen op gewijzigde omstandigheden.
In dit onderzoek wordt onder delegatie in het erfrecht ofwel onder wilsdelegatie verstaan: een bepaalde bevoegdheidsverlening door de erflater bij uiterste wil aan een bepaald persoon, de gedelegeerde, waarmee deze aan de hand van de eigen wil binnen een bepaalde of redelijke termijn de uiterste wilsbeschikking van erflater nader kan invullen en daarmee de beoogde rechtsgevolgen nader kan vaststellen.1
Hierbij dient steeds te worden gerealiseerd dat wilsdelegatie op twee manieren kan plaatsvinden:
Door de inhoud van de uiterste wilsbeschikking door een ander te laten bepalen. Bijvoorbeeld: ‘Ik legateer mijn handboeken erfrecht aan diegene van mijn neefjes die mijn broer Y binnen zes weken na mijn overlijden zal aanwijzen.’
Door de werking van de uiterste wilsbeschikking door een ander te laten bepalen. Bijvoorbeeld: ‘Mijn vriend X krijgt mijn handboeken erfrecht gelegateerd, tenzij mijn broer Y dit niet wil.’
Om de grenzen van wilsdelegatie in kaart te kunnen brengen, zal met dit onderscheid rekening dienen te worden gehouden. Wellicht leiden de twee verschillende wijzen waarop wilsdelegatie kan plaatsvinden tot te onderscheiden soorten criteria aan de hand waarvan de toelaatbaarheid van wilsdelegatie dient te worden beoordeeld.
Bij de zoektocht naar de grenzen van wilsdelegatie heb ik enkel oog voor de wettelijke grenzen. Wat is op delegatiegebied toegestaan zonder dat de uiterste wilsbeschikking nietig is? De vraag in hoeverre er praktische grenzen zijn ten aanzien van bijvoorbeeld de uitvoering van de delegatiebevoegdheid en de controle van de gedelegeerde, wordt in dit onderzoek niet onder de loep genomen. Wellicht ligt hier een mooi (vervolg-) onderzoek voor het oprapen.2