Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.3.6.3
4.3.6.3 Mogelijkheid tot aanvulling van een beroepschrift dat nog geen of nog niet alle gronden voor beroep behelst
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS378660:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 25 september 1981, NJ 1982, 451 en 452 (WHH). Vgl. m.b.t het cassatieberoep HR 31 augustus 1981, NJ 1981, 615 en HR 26 juni 1981 (Van Aken/Savelbergh), NJ 1982, 450 (Ma en EAA). Zie voorts, voor procedures ex art. 67 Fw in hoger beroep, HR 8 februari 1991 (Mijnhardt/Conyn q.q.), NJ 1992, 406 (JBMV onder NJ 1992, 407). Naar het oordeel van de Hoge Raad behoeft de appellant die ingevolge art. 67 lid 1 Fw binnen vijf dagen in hoger beroep dient te komen van een beschikking van de rechter-commissaris betreffende het beheer en de vereffening van een failliete boedel, gelet op de wetsgeschiedenis en de eisen van de praktijk, niet in het beroepschrift al de gronden van het beroep op te nemen: 'Zo die gronden al niet voor de rechtbank en belanghebbenden uit de enkele aard van het oorspronkelijke verzoek in verband met de beschikking zelf voldoende duidelijk zijn, zullen zij, mits met bekwame spoed, in een aanvullend beroepschrift naar voren kunnen worden gebracht.' Bevestigd in HR 10 januari 1992 (Balkema/De Ranitz q.q. c.s.), NJ 1992, 195. Hierover Snijders/Wendels, nrs. 352-354, Veegens/Korthals Altes/Groen 2005, nr. 213.
HR 19 november 1982, NJ 1983, 100. Zie ook reeds HR 24 december 1976, NJ 1977, 385 (WHH). Vgl. HR 26 november 2004, NJ 2005, 25.
174. In 1981 oordeelde de Hoge Raad dat 'een redelijke wetstoepassing' in de verzoekschriftprocedure kan nopen tot het maken van een uitzondering op het vereiste dat een beroepschrift (of het verzoekschrift in cassatie) de gronden inhoudt waarop het beroep berust.1 Een zodanige uitzondering is blijkens de jurisprudentie op haar plaats indien de partij die beroep instelt nog niet bekend is met de motivering van de door haar bestreden beschikking, omdat deze niet aan haar is afgegeven voor het verstrijken van de beroepstermijn, dan wel zeer kort daarvoor. In een dergelijk geval mag een partij volstaan met een 'blanco' beroepschrift. De ontbrekende gronden dient zij dan met bekwame spoed na het verstrijken van de beroepstermijn in een aanvullend rekest voor te dragen. In alle gevallen waarin deze uitzondering werd aanvaard, gold een bijzondere, korte beroepstermijn.
175. Ten aanzien van de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen later dan in het inleidende rekest de gronden van beroep aan te vullen, geldt in hoger beroep en cassatie blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad een vrijwel gelijk regime. Om die reden wordt hier ook gewezen op de rechtspraak van de Hoge Raad volgens welke aan een verzoeker tot cassatie wordt toegestaan om vóór de mondelinge behandeling van de gronden van beroep bij aanvullend verzoekschrift te wijzigen of aan te vullen. Voorwaarde daarvoor is dat verzoeker tijdens de cassatietermijn nog niet kon beschikken over het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof en hij zich de mogelijkheid om op grond van gegevens uit dat proces-verbaal zijn middelen van cassatie te wijzigen of aan te vullen in zijn verzoekschrift heeft voorbehouden.2 Deze beslissing zal nader aan bod komen in par. 43.7.2.