Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.4.4
3.4.4 Voorschriften en keuzes omtrent bestuursmodellen in sectorregels en sectorale governancecodes
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS386122:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rapport WRR 2004. De WRR meende dat er meer aandacht moest komen voor de rol en de professionaliteit van toezichthouders, waarbij de benodigde competenties en vaardigheden en de rol van de interne toezichthouder een meer verplichtend karakter dienen te krijgen. Er zou bovendien een voorziening moeten komen om disfunctionerende toezichthouders te ontslaan, waarbij de voorkeur uitging naar de Ondernemingskamer. De WRR vervolgde dat aanvullend op het interne toezicht op financieel terrein verplichte controle door de accountant zou moeten komen en dat de jaarrekening openbaar gemaakt moet worden. Verplichte financiële controle op het niveau van de instelling betekent dat de overheden geen directe bemoeienis hoeven te hebben met de controle op doelmatigheid en rechtmatigheid. Die bemoeienis zou alleen aan de orde zijn als er extra publieke middelen moeten komen, exploitatietekorten dreigen en sanering noodzakelijk is, aldus de WRR.
Artikel 7 lid 1 BBSH juncto art 70 Woningwet.
Rapport Commissie Glasz.
Reeds in 1983 stelde de vereniging van bestuurders in de zorg, de NVZD, voor dat zorginstellingen een raad van toezichtmodel hanteren. Zie hierover: Sijmons 2006, p. 203.
Artikel 5 en artikel 7 lid 3 onderdeel c WTZi, artikel 6.1 lid 1 onder a Uitvoeringsbesluit WTZi.
Sijmons 2006, p. 204.
Door de wetgever werd niet duidelijk gemotiveerd waarom een afzonderlijk toezichthoudend orgaan vereist is en een one tier board met uitvoerende en niet uitvoerende (of toezichthoudende) bestuurders niet geschikt is. De Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ), een onafhankelijk adviesorgaan van de Regering, sprak zich in 2009 (in het Rapport RVZ 2009) wel uitdrukkelijk uit tegen een one tier board bij zorginstellingen, omdat volgens de RVZ onafhankelijk toezicht beter gewaarborgd is binnen een bestuursmodel met een afzonderlijke raad van toezicht.
Zorginstellingen met minder dan tien zorg gerelateerde personeelsleden en een zorgomzet van minder dan een miljoen euro.
Advies Onderwijsraad 2004. Hierin werd opgemerkt dat de principes voor degelijk onderwijsbestuur afhankelijk van de situatie op verschillende manieren worden uitgewerkt. Gezien de wettelijke taak van de overheid voor leerplichtig onderwijs en de grote bestuurlijke variëteit in het primair en voortgezet onderwijs, werken de principes voor deze twee sectoren anders uit dan voor de sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie en het hoger onderwijs. In het primair en voortgezet onderwijs speelt daarbij nadrukkelijk de vrijheid van inrichting een grote rol. Regionale Opleidingscentra (ROC’s), hogescholen en universiteiten hebben een publieke taak maar deels ook een privaat karakter. Zij kennen andere bestuurlijke verhoudingen dan het primair en voortgezet onderwijs.
Voluit: Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet medezeggenschap op scholen en de Leerplichtwet 1969 in verband met de invoering van bekostigingsvoorschriften voor minimumleerresultaten, alsmede een aanvulling van de interventiemogelijkheden in het kader van het overheidstoezicht, en de verbetering van het intern toezicht. Stb. 2010, 80.
Zie bijvoorbeeld artikel 24d en 24e Wet op het voorgezet onderwijs.
5.2. Code Wijffels 2005, p. 17. Als grens tussen grotere en kleinere organisaties geldt een omvang van 15 fte of 2,5 miljoen euro inkomsten per jaar.
De Code Cultural Governance 2006 licht toe dat in dit model het bestuur het beleid vaststelt en de voorbereidende en uitvoerende aspecten van het bestuurlijk proces zijn gedelegeerd aan de directie. Het bestuur treedt feitelijk op als toezichthouder, aldus de toelichting.
De Code Cultural Governance 2006 onderscheidde het bestuurlijk proces en het toezichthoudend proces dat in de drie genoemde besturingsmodellen vormgegeven kan worden. Op grond van statutaire bepalingen of subsidievoorwaarden kunnen derden ook een (belangrijke) rol spelen in het toezichthoudend proces, aldus de Code Cultural Governance 2006.
Volgens Principe C3 heeft het interne toezicht van een pensioenfonds ten minste tot taak het beoordelen van beleids- en bestuursprocessen en de checks and balances binnen het fonds, de wijze waarop het fonds wordt aangestuurd en de wijze waarop door het bestuur wordt omgegaan met de risico’s op langere termijn. Op grond van Principe C4 rapporteert het interne toezicht aan het bestuur dat deze rapportages vervolgens bespreekt met het verantwoordingsorgaan. Zie hierover Visée in Van Uchelen-Schipper & Visée 2013, p. 85.
Principes voor goed pensioenfondsbestuur 2005, p. 11.
Principe C3 van de Principes voor goed pensioenfondsbestuur 2005.
Rapport Pensioencommissie SER, p. 5.
Semipublieke sector
De WRR schreef in zijn rapport uit 2004 dat de raad van toezicht een belangrijke rol dient te krijgen in het governancemodel van semipublieke instellingen en pleitte om die reden voor het wettelijk verankeren van de raad van toezicht van de stichting.1 Het advies van de WRR leidde echter niet tot het opstellen van een wetsvoorstel tot wijziging van het stichtingenrecht, maar op verschillende Ministeries werd sectorwetgeving voorbereid, waarbij in sommige gevallen een nadrukkelijke rol werd toegekend aan de raad van toezicht. Bovendien werden de taak en de bevoegdheden van het bestuur en de raad van toezicht in het raad van toezichtmodel steeds verder uitgewerkt in governancecodes.
Woningcorporaties
Sinds 1993 werd voor woningcorporaties, dat wil zeggen: woningstichtingen en woningverenigingen, in het Besluit Beheer Sociale Huursector (BBSH) een raad van commissarissen voorgeschreven.2 Het toezichthoudend orgaan van een woningstichting werd dus – anders dan in andere sectoren waarin de stichting de gehanteerde rechtsvorm was – “raad van commissarissen” genoemd. Bij woningcorporaties kwamen het in de vorige paragraaf omschreven instructiemodel en het raad van beheermodel voor. Als gevolg van de verplichte raad van commissarissen kenden governancemodellen van woningstichtingen soms drie lagen: een bestuur, een directie en een raad van commissarissen.
De Commissie Glasz adviseerde in haar rapport in 1998 om de governancestructuur van een woningcorporatie te vereenvoudigen en te laten bestaan uit slechts twee lagen: een bestuur en een raad van commissarissen.3 De Commissie Glasz meende dat een besturingsmodel met twee lagen beter aansluit bij de herkenbare structuur van vennootschappen die een bestuur en raad van commissarissen kennen. Aanbevolen werd om de regeling van het interne toezicht bij woningcorporaties in te richten overeenkomstig de regeling van commissarissen bij de (structuur)vennootschap in het BW. De Commissie meende dat ervaring met governanceprincipes voor vennootschappen gebruikt konden worden. Zij deed inspiratie op bij wetsbepalingen over informatievoorziening van de raad van commissarissen van een vennootschap, over het gebruik van profielschetsen, over benoeming van commissarissen en over verantwoording door de raad van commissarissen van een vennootschap. De Commissie Glasz merkte voorts op dat, indien voor een kleinere woningcorporatie het raad van commissarissenmodel geen haalbare optie blijkt, deze de interne organisatie ook anders kan structureren, zolang de taken en bevoegdheden van bestuur en toezicht maar gescheiden worden.
Zorginstellingen
De Commissie Meurs was in 1999 bij het opstellen van haar aanbevelingen voor zorginstellingen reeds uitgegaan van het op dat moment steeds vaker voorkomende rechtsfiguur bij zorgorganisaties: de stichting met een raad van toezichtmodel.4 Daarbij werd opgemerkt dat het nadeel van dit model was dat het weinig wettelijke en maatschappelijk verankering had. De Commissie Meurs meende dat om die reden regelgeving over de raad van toezicht verbeterd zou moeten worden.
In de zogenoemde transparantievereisten behorend bij de WTZi werden aan de exploitatietoestemming van – kort gezegd – zorginstellingen die overheidsgeld ontvangen governance-eisen verbonden.5 Dergelijke zorginstellingen dienen inzichtelijk (transparant) te maken hoe zij georganiseerd zijn, wat zij zich ten doel stellen en hoe dat doel verwezenlijkt gaat worden. Eén van de eisen is dat de zorginstelling een orgaan heeft dat toezicht houdt op het beleid van de dagelijkse of algemene leiding van de instelling en dat het bestuur met raad terzijde staat.6 In de toelichting bij deze bepaling werd opgemerkt dat daarmee geen verplichting opgelegd wordt ten aanzien van de te hanteren bestuursstructuur: naast het raad van toezichtmodel was nog steeds een model toegestaan, waarin de raad van beheer de toezichthoudende functie had. Wel eiste de WTZi een afzonderlijk toezichthoudend orgaan. Met andere woorden: een orgaan waarin de taken zijn verdeeld over twee soorten bestuurders, uitvoerende en niet uitvoerende of dagelijkse en algemene bestuurders (de one tier board)) werd voor zorginstellingen niet toegestaan.7
De Zorgbrede Governancecode 2006 hanteerde als uitdrukkelijk uitgangspunt een model met een “raad van bestuur” en een “raad van toezicht”. Indien een zorginstelling een raad van beheermodel hanteert, dient deze zelf een vertaalslag van de codebepalingen te maken, aldus de Inleiding bij de Zorgbrede Governancecode 2006. In de Zorgbrede Governancecode 2010 werd overigens voor kleinere zorginstellingen, een dispensatiemogelijkheid opgenomen.8 Dergelijke kleinere zorginstellingen hoeven de bepalingen omtrent de raad van toezicht niet toe te passen.
Onderwijsinstellingen
In sectorcodes voor onderwijsinstellingen gold op grond van een advies van de Onderwijsraad uit 2004 als uitgangspunt een functionele scheiding van de functies bestuur en toezicht.9 Daarbij werden door de Onderwijsraad twee situaties onderscheiden: (1) in het primair en voortgezet onderwijs is functiescheiding in het bijzonder een zaak die vooral in de statuten en in andere eigen regelingen tot uitdrukking moet komen; (2) in het beroepsonderwijs, de volwasseneneducatie en het hoger onderwijs zijn de bestuurlijke en toezichthoudende taken in principe wettelijk gesplitst en aan twee organen toebedeeld, namelijk aan een college van bestuur of raad van bestuur en aan een raad van toezicht.
Ook het Ministerie van OCW schreef met de invoering van de zogenoemde ‘Wet goed onderwijs, goed bestuur’10 die in 2010 in werking trad, in wetten voor verschillende soorten onderwijsinstellingen voor dat de bestuurlijke en toezichthoudende taken gescheiden werden. Ook daar werd ruimte geboden voor scholen in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs om geen afzonderlijke raad van toezicht in te stellen. Niet alleen een “organieke scheiding” van bestuur en toezicht maar ook een “functionele scheiding” van de functies van bestuur en intern toezicht (waaronder een one tier board) werd toegestaan.11
Goede doelen
Ook wat betreft goede doelen was één van de adviezen van de Commissie Wijffels dat er helder onderscheid moest zijn tussen de functies “besturen” en “toezicht houden”. Bij grotere organisaties moeten en bij kleinere organisaties kunnen die functies zijn ondergebracht bij afzonderlijke organen, aldus de Code Wijffels 2005.12 Daarbij gelden volgens de Code Wijffels 2005 als mogelijkheden: (1) een model met een bestuur of statutaire directie en een raad van toezicht of (2) een model met een bestuur en een titulaire directie, waarbij het bestuur taken delegeert aan de titulaire directie.
Culturele instellingen
De Code Cultural Governance uit 2006 werd ontwikkeld op basis van drie besturingsmodellen die op dat moment het meest voorkwamen in de culturele sector: het raad van toezichtmodel, het bestuur + directiemodel13 en het bestuurmodel. Instellingen met een raad van toezichtmodel zijn volgens de Code Cultural Governance 2006 veelal grotere organisaties met een professionele dagelijkse leiding, een eigen staf en een interne hiërarchie.14
Pensioenfondsen
Volgens de Principes voor goed pensioenfondsbestuur van de STAR uit 2005 kan het bestuur van een pensioenfonds bij de inrichting van het interne toezicht kiezen uit een aantal mogelijkheden. Daarbij werd opgemerkt dat de taak van het interne toezicht bij een pensioenfonds niet hetzelfde is als de taak van een raad van commissarissen bij een (beurs)vennootschap.15 Waar het toezicht van de raad van commissarissen van een vennootschap zich uitstrekt tot het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken in de onderneming, is het interne toezicht bij een pensioenfonds volgens de Principes beperkt tot het beoordelen van beleids- en bestuursprocedures en -processen (de uitvoering van de pensioenregeling), hetgeen zich uit in een jaarlijkse rapportage.16 Volgens de Principes kan het bestuur voor de inrichting van het interne toezicht kiezen uit een aantal mogelijkheden, zoals: visitatie, het instellen van een afzonderlijk toezichthoudend orgaan, een one tier board, of een auditcommissie.17 Blijkens een rapport van de SER uit 2009 werd op dat moment door pensioenfondsen vaak gekozen voor een visitatiecommissie.18