Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.2.3
2.2.3 §947 BGB
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644934:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
§947 1 BGB: “Werden bewegliche Sachen miteinander dergestalt verbunden, dass sie wesentliche Bestandteile einer einheitlichen Sache werden, so werden die bisherigen Eigentümer Miteigentümer dieser Sache; die Anteile bestimmen sich nach dem Verhältnis des Wertes, den die Sachen zur Zeit der Verbindung haben. 2: Ist eine der Sachen als die Hauptsache anzusehen, so erwirbt ihr Eigentümer das Alleineigentum.”
MüKoBGB/Füller BGB §947 Rn 8.
Palandt/Bassenge BGB §949, p. 1583.
Staudinger/C Heinze (2020) §947 BGB Rn 8; MüKoBGB/Füller BGB §947 Rn 9.
BGHZ 3 maart 1956 – IV ZR 334/55, Rn 59.
Westermann/Gursky/Eickmann (2011), p. 465.
BGHZ 3 maart 1956 – IV ZR 334/55, Rn 59.
BGHZ 3 maart 1956 – IV ZR 334/55, Rn 59.
Daarbij is niet van belang of het apparaat zonder behuizing technisch te bedienen is, maar bekeken moet worden of het apparaat zonder de behuizing praktisch te gebruiken is: “Dem würde in diesen Fällen nicht entgegenstehen, wenn der Apparat an sich auch ohne das Gehäuse technisch in Betrieb gesetzt werden könnte. Es kommt vielmehr darauf an, ob er im praktischen Gebrauch ohne das Gehäuse gleichfalls verwendbar ist.”
MüKoBGB/Füller BGB §947 Rn 9; Wilhelm (2016), p. 27-28; Baur/Stürner (2009), p. 695.
Westermann/Gursky/Eickmann (2011), p. 470.
MüKoBGB/Füller BGB §947 BGB Rn 6; Staudinger/C Heinze (2020) §947 BGB Rn 7.
Staudinger/C Heinze (2020) §947 BGB Rn 7; MüKoBGB/Füller BGB §947 Rn 6 en 7.
Westermann/Gursky/Eickmann (2011), p. 465-466.
Staudinger/C Heinze (2020) §947 BGB Rn 7; MüKoBGB/Füller BGB §947 Rn 7.
§947 BGB1 is van toepassing als twee of meer roerende zaken met elkaar worden verbonden en zo een zaak vormen. Het eerste lid van §947 BGB geeft aan dat de “oorspronkelijke” eigenaren mede-eigenaren worden van de samengestelde zaak. Het aandeel in de mede-eigendom wordt bepaald naar de verhouding van de waarde van de zaken, zoals zij voorlag op het ogenblik van de verbinding. De afzonderlijke eigendomsrechten van de eigenaren worden na de verbinding krachtens de wet getransformeerd in een mede-eigendomsrecht op de eenheidszaak.2 Als op een zaak vóór de verbinding een zakelijk recht bestond, dan rust het zakelijke recht op het aandeel in de eigendom.3 Een verpande stalen buis van A, wordt gelast aan een stalen buis van B, waarna mede-eigendom ontstaat. Het pandrecht komt van rechtswege te rusten op het mede-eigendomsrecht van A.
De uitzondering op §947 BGB lid 1 staat in lid 2. Indien één van de verbonden zaken aan te merken is als een hoofdzaak, dan verkrijgt de eigenaar van deze zaak de eigendom van de samengestelde zaak en derhalve ook van alle wezenlijke bestanddelen van de zaak. Het eigendomsrecht van de nagetrokken zaak gaat dan definitief teniet.4 De verkeersopvatting bepaalt welk onderdeel van een zaak als hoofdzaak is aan te merken.5 Deze verkeersopvatting is niet altijd even duidelijk. Bepaalde omstandigheden kunnen van belang zijn om een zaak als hoofdzaak te kwalificeren. Zo kan bijvoorbeeld van belang zijn welk deel van de samengestelde zaak de meeste waarde heeft, het grootste is, de belangrijkste functie heeft of welke “naam” de samengestelde zaak draagt. Als een eenheidszaak genoemd is naar een onderdeel, dan kan dat onderdeel als hoofdzaak worden aangemerkt.6 Deze criteria kunnen een indicatie zijn om een hoofdzaak aan te wijzen, beslissend zijn ze echter niet. Het BGH stelt:
“Von einer Hauptsache kann nach der Verkehrsauffassung nur dann gesprochen werden, wenn die übrigen Bestandteile fehlen konnten, ohne daß das Wesen der Sache dadurch beeinträchtigt würde. “7
Een zaak kan alleen een hoofdzaak zijn als de overige bestanddelen kunnen ontbreken, zonder dat het wezen van de zaak daardoor is veranderd. In dit arrest uit 1956 moest het BGH beslissen wat de rechtsgevolgen waren van het plaatsen van (onder eigendomsvoorbehoud geleverde) aluminium omhulsels om een apparaat. Deze omhulsels waren ontworpen voor dit apparaat en dienden als een behuizing (Gehäuse). Het BGH stelde dat het apparaat als een hoofdzaak was aan te merken als het zonder de behuizing zijn hoofddoel kon vervullen. Als bijvoorbeeld de behuizing alleen zorgde voor een mooier voorkomen van het apparaat dan was geen sprake van natrekking. In dat geval was de behuizing een zelfstandige bijzaak (Nebensache).8 Mede-eigendom ontstond daarentegen als de behuizing zorgde voor de bescherming van de personen die het apparaat moesten bedienen of dat de verbinding de bediening van het apparaat mogelijk maakte.9
Is een hoofdzaak aan te wijzen na de verbinding, dan is het rechtsgevolg hetzelfde als bij §946 BGB. De zakelijke rechten van de hoofdzaak strekken zich uit over de wezenlijke bestanddelen daarvan.10 Alle zakelijke rechten die vóór de verbinding op de nagetrokken zaak rustten, komen definitief te vervallen. Zo gaat het voorbehouden eigendomsrecht teniet als de voorbehouden zaak een wezenlijk bestanddeel wordt van een andere zaak. Hetzelfde geldt voor de beperkte rechten. De oorspronkelijke zakelijk gerechtigden behouden een persoonlijke vordering op grond van §951 lid 1 BGB.
Het tweede lid van §947 BGB is, als gezegd, een uitzondering op het eerste lid. Het aannemen van mede-eigendom geniet de voorkeur boven het aanwijzen van een hoofdzaak.11 Sterker nog, een restrictieve uitleg van het begrip hoofdzaak is bij onze Oosterburen een “grundrechtsorientierte Auslegung” ter voorkoming van eigendomsverlies door natrekking.12 De zakenrechtelijke gevolgen zijn immers verregaand wanneer een hoofdzaak wordt aangenomen. In de rechtspraak wordt derhalve terughoudend omgesprongen met het aannemen van een hoofdzaak. Degene die stelt alleen eigenaar te zijn van de verbonden zaken, moet bewijzen dat sprake is van een hoofdzaak.13
Net als §946 BGB is de bepaling van §947 BGB van dwingend recht en bepalen de feiten of de in het artikel genoemde rechtsgevolgen intreden.14 Indien een roerende zaak met een schijnbestanddeel, bijvoorbeeld een gebouw, wordt verbonden dan is §947 BGB ook van toepassing.15 Het gebouw is dan immers een roerende zaak.
Tussenconclusie
De natrekkingsregels zijn ordeningsregels. Ze bepalen de zakenrechtelijke verhoudingen na een verbinding van één of meer zaken, waarbij het recht aansluiting zoekt bij de realiteit. Eén zaak, één eigendomsrecht. Wanneer een zaak na de verbinding een wezenlijk bestanddeel wordt, dan strekt het eigendomsrecht van de hoofdzaak zich uit tot het toegevoegde bestanddeel. Het eigendomsrecht dat vóór de verbinding op het wezenlijke bestanddeel rustte, gaat door de natrekking teniet. Door de wet ontstaat een definitieve breuk tussen het eigendomsrecht en het nagetrokken bestanddeel. Hetzelfde geldt voor eventuele beperkte rechten, ook zij gaan definitief teniet. De natrekkingsregel van §946 BGB is van dwingendrechtelijke aard. Dit betekent dat alleen bij wet en niet via partij-afspraken hierop een uitzondering kan worden gemaakt. Van een wettelijke uitzondering is bijvoorbeeld sprake wanneer een zaak een schijnbestanddeel is of als er een opstalrecht (Erbbaurecht) is gevestigd.
De natrekkingsregel bij onroerende zaken verschilt met die van roerende zaken. De eigenaar van een onroerende zaak wordt eigenaar van een roerende zaak, als die door eerstgenoemde zaak is nagetrokken (§946 BGB). Wanneer dit eigendomsverlies is geschied zonder grondslag, dan kan de oorspronkelijke eigenaar van de roerende zaak compensatie vorderen van de (verrijkte) hoofdzaakeigenaar. Uit de as van het zakelijke recht (het eigendomsrecht) verrijst een actie uit ongerechtvaardigde verrijking. Hier is geen sprake van een zuivere vorm van continuïteit, aangezien het zakelijke eigendomsrecht is vervangen door een persoonlijke actie.
Worden twee of meer roerende zaken met elkaar verbonden, dan is het uitgangspunt dat mede-eigendom ontstaat als de zaken vóór de verbinding aan verschillende eigenaren toebehoren (§947 BGB). Het aandeel in de mede-eigendom wordt bepaald naar de verhouding van de waarde van de zaken, zoals zij voorlag op het ogenblik van de verbinding. Deze bepaling zorgt voor continuïteit van zakelijke rechten. Het zakelijke recht is veranderd, maar niet weggenomen. Ook de beperkt gerechtigde behoudt een zakelijke aanspraak op de zaak, aangezien zijn recht op het aandeel komt te rusten. De uitzondering op de hoofdregel van §947 BGB is in lid 2 opgenomen. Daarin staat dat het eigendomsrecht (en daarmee de beperkte rechten) op een zaak definitief worden beëindigd als een hoofdzaak is aan te wijzen. Of sprake is van een hoofdzaak, hangt af van de verkeersopvattingen en de omstandigheden van het geval. Aangezien het aanwijzen van een hoofdzaak (verregaande) rechtsgevolgen heeft, is de rechtspraak terughoudend om dit te doen.
Door de definitieve breuk tussen de nagetrokken zaak en de oorspronkelijke zakelijke rechten lijkt het eindpunt van de levensduur van de zakelijke rechten bereikt. In bepaalde gevallen werpt de wet de oorspronkelijke eigenaar enkele reddingsboeien toe, waarmee hij zijn zakelijke positie kan herstellen. Zijn oude eigendomsrecht keert daarmee niet terug, maar hij kan een nieuw eigendomsrecht verkrijgen omdat hij voor de verbinding een “zakelijke” relatie had met de nagetrokken zaak. Deze reddingsboeien zijn de Wegnahmerechte, waarmee men afscheiding kan vorderen van de toegevoegde zaak met als doel om de natrekking ongedaan te maken. Alvorens deze rechten aan bod komen, wordt eerst nagegaan hoe de hoofdregel luidt wanneer sprake is van afscheiding. Deze hoofdregel, omschreven in §953 BGB, gaat opnieuw uit van de continuïteit van zakelijke rechten.