Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/8.4.3
8.4.3 Het effectcriterium: de wezenlijke verstoring van het economische gedrag van de consument
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS494775:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2 onder e richtlijn luidt: 1...) een handelspraktijk gebruiken om het vermogen van de consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar te beperken, waardoor de consument tot een transactie besluit waartoe hij anders niet had besloten.' De twee delen zijn enerzijds de beperking van het beoordelingsvermogen van de consument en anderzijds het schadelijke 'economische gevolg' hiervan op het gedrag van de consument: het (kunnen) nemen van een verkeerd besluit. De definitie is bij haar omzetting enigszins aangepast daar het potentiële karakter van de verstoring erin is verwerkt. In art. 2 onder e ontbreekt immers vreemd genoeg de hypothetische tournure 'kan beperken'. Door deze toevoeging wordt het Nederlandse effectcriterium in lijn met art. 5 lid 2 onder b gebracht, waarin een potentieel effect volstaat. Het potentiële karakter van het verkeerde besluit blijkt overigens wel uit art. 2 onder k richtlijn en uit de formulering van het besluitcriterium uit de richtlijnsubnormen.
Kamerstukken 1, 2007/08, 30 928, nr. B, p. 6: 'Het begrip 'economisch gedrag' lijkt op het eerste oog in ieder geval ruimer dan het vermogen om een geïnformeerd besluit te nemen.' Zie ook SER 2004, p. 59.
Kamerstukken 1, 2007/08, 30 928, nr. C, p. 10.
De bespreking van het besluitcriterium in par. 8.4.5 is in dit opzicht ook van belang voor de subnormen, bij de bespreking waarvan het besluitcriterium (teneinde herhalingen te voorkomen) niet meer aan bod zal komen.
Vgl. ook de 'ongepaste beïnvloeding' uit art. 6:193h. De vraag of de verstoring 'wezenlijk' is hangt dan mede af van de vraag of sprake is van strijd met de professionele toewijding: Van Boom 2008a, p. 4, met verwijzing naar De Vrey 2004, p. 9. (par. 8.4.6).
Dat hoeft niet. Het effect kan ook op kwalitatieve gronden worden bepaald: betreft de misleidende informatie een voor de aankoop doorslaggevend aspect van een goed? De kwantitatieve uitleg is die uit het Nissan-arrest: HvJ EG 16 januari 1992, nr. C-373/90, Jur. 1992, p. 1-131(Nissan).
Verkade 2009, nr. 32. Zie ook Drijber 2005, p. 180 die de wezenlijke verstoringstoets uit de richtlijn beschrijft als een tamelijk zware toets gelet op de adjectieven 'wezenlijk' en 'merkbaar' en het 'verkeerde' besluit-criterium.
Verkade 2009, nr. 32.
Met het oog op het Nissan-arrest.
509. Volgens art. 5 lid 2 onder b richtlijn is een handelspraktijk, die in strijd is met de vereisten van 'professionele toewijding' pas oneerlijk wanneer zij tevens 'het economische gedrag van de gemiddelde consument (...) wezenlijk verstoort of kan verstoren'. De minister heeft er bij de implementatie van de richtlijn echter voor gekozen om in plaats van de 'wezenlijke verstoring', een bewerking van de richtlijndefmitie1 van dit criterium in het BW op te nemen. Het effectcriterium uit de hoofdnorm (art. 6:193b lid 2 onder b) vormt hierdoor een tweeledig criterium. Nodig is dat:
`(...) het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar is beperkt of kan worden beperkt (het eerste deel van het effectcriterium: de beperking van het beoordelingsvermogen — CMDSP), waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen (het tweede deel van het effectcriterium: het besluitcriterium — CMDSP).'
Volgens een aantal Eerste Kamerleden leiden deze criteria tot een vernauwing van het effectcriterium. De 'wezenlijke verstoring van het gedrag' zou uit meer bestaan dan alleen het nemen van een (potentieel) verkeerd besluit over een overeenkomst.2 De minister ontkent dat er sprake kan zijn van een vernauwing omdat de 'wezenlijke verstoring' in de richtlijn wordt gedefinieerd door deze criteria.3 Naar ik meen hebben de Eerste Kamerleden in zoverre gelijk dat het risico bestaat, dat het tweede criterium in het licht van art. 2 onder e richtlijn waarin (ten onrechte) wordt gesproken over een besluit tot een transactie — te strikt wordt opgevat (par. 8.4.5). De wezenlijke verstoring van het gedrag kan ook inhouden dat een consument wordt belemmerd in de uitoefening van de rechten die hij ontleent aan een overeenkomst (vgl. art. 6:193a onder e en 193h lid 2 onder
d). De definitie schiet, net als de richtlijndefinitie, ook op een ander punt tekort: zij gaat voorbij aan de inperking van de keuzevrijheid die inherent is aan de agressieve praktijk (par. 7.3.3).
De keuze om het besluitcriterium in de hoofdnorm op te nemen zorgt wel voor een zekere stroomlijning van afdeling 6.3.3A in haar geheel. Bij de subnormen komt namelijk, net als in de richtlijn, slechts het besluitcriterium terug — en niet dat van de 'wezenlijke verstoring'.4
510. Het adjectief 'wezenlijk' kan, zo bleek in par. 7.3.3, zo worden gelezen, dat het verwijst naar het ongepaste karakter van de verstoring, misschien zelfs naar de strijd met de professionele toewijding.5 Het adjectief kan echter ook zo worden uitgelegd dat het duidt op een voldoende relevant effect op het gedrag van de consument. Het wezenlijke karakter van de verstoring refereert in deze opvatting aan een drempel, die moet zijn bereikt, wil men kunnen spreken van schade aan de economische belangen van de consument. Deze drempel kan zelfs kwantitatief worden opgevat.6 Nu dit adjectief niet in de implementatiewetgeving is opgenomen, is niet de wijze waarop het adjectief 'wezenlijk', doch de manier waarop de Nederlandse kwalificatie 'merkbaar' wordt uitgelegd van belang.
De eerste op de aanvaardbaarheid van de beïnvloeding gerichte uitleg van het adjectief 'wezenlijk' past niet zo goed bij de kwalificatie 'merkbaar' en zal mogelijk naar de achtergrond verdwijnen. De vraag rijst of de tweede, op de relevantie van het effect gerichte, opvatting zal doorklinken in de uitleg van art. 6:193b lid 2 onder b. Verkade betwijfelt dit. Hij gaat uit van een uitleg van het adjectief 'wezenlijk' waarin de ernst van het effect de doorslag geeft.7 Volgens Verkade duiden de adjectieven 'wezenlijk' en 'merkbaar' in hun onderlinge verhouding op een 'verzwaarde' causaliteitseis. Waar de kwalificatie 'merkbaar' op zichzelf als een aansluiting bij de 'gebruikelijke' causaliteitseis kan worden opgevat, is dit volgens hem in relatie tot het wezenlijke verstoringscriterium echter niet goed te verdedigen.8 Er is in de richtlijn sprake van een drempel — de gevolgen van de praktijk moeten 'substantieel' zijn — die art. 6:193b lid 2 onder b niet goed weergeeft. Verkade spreekt zelfs van een 'implementatiefout'. Het risico van de gekozen wijze van omzetting is dat het evenredigheidsbeginsel uit het oog wordt verloren. Of het idee van een 'drempel' zal worden gehanteerd, en misschien zelfs gekwantificeerd,9 hangt naar ik meen niet slechts af van de uitleg van de kwalificatie 'merkbaar', maar vooral ook van de manier waarop het (potentiële) 'verkeerde' besluitcriterium wordt ingevuld.
In par. 8.4.5 wordt nader ingegaan op de verwachte uitleg van het besluit-criterium naar Nederlands recht. Eerst worden het eerste deel van het nieuwe effectcriterium ex art. 6:193b lid 2 onder b — de beperking van het beoordelingsvermogen van de consument — en de daarbij gehanteerde maatstaf nader toegelicht (par. 8.4.4).