Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/3.4.4
3.4.4 Geen taalkundige uitleg
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS590823:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Valk, T&C aant. 2 bij art. 6:248 BW, Wissink in zijn NJ noot bij HR 29 juni 2007, NJ 2007, 576, Schelhaas 2008, p. 158, Kraaipoel 2007, p. 294-296, Tjittes 2009, p. 27. Zie met betrekking tot het hierna te bespreken arrest UPC/Land de JOR-noot van Olden bij dit arrest.
Met als gevolg dat van een (zuiver) taalkundige uitleg geen sprake kan zijn. Zie te dezen Valk 1994, p. 112. Zie ook Dooyeweerd 1973, die in zijn bespreking van Van Dunné' s proefschrift opmerkt dat het bij juridische interpretatie steeds gaat om de 'vaststelling van de rechtsbetekenis der handeling die nimmer tot de taalkundige betekenis van haar eventueel schriftelijke formulering is te herleiden.' (p. 31).
Aldus ook de Hoge Raad in het na PontMeyer en Derksen/Homburg gewezen Vodafone/ETC arrest (HR 19 oktober 2007, NJ 2007, 565).
Ter relativering moet bij deze omschrijving overigens worden aangetekend dat ook in meer alledaagse casus de Haviltex-formule een sterk objectiverend karakter heeft, nu ook in die situaties gewoonlijk niet de subjectieve partijbedoeling telt, maar de betekenis die partijen redelijkerwijs aan de contractsbepalingen mogen toekennen. De term 'geobjectiveerd' moet in dit kader dan ook vooral worden begrepen als uitdrukking van de gedachte dat bij deze vorm van uitleg de bepalingen van het contract in beginsel tekstueel, dus in hun normale betekenis en zonder gebruikmaking van specifieke achtergrondkennis van partijen over de totstandkoming van de bedingen, zijn op te vatten. Vgl. paragraaf 3.2 hiervoor. Zie voorts Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1711* 2010, nr. 372 en Tjittes 2009, p. 11.
HR 9 april 2010, JOR 2010, 179, m. nt. P. Olden (UPC/Land).
Vgl. Grosheide 2000, p. 107.
HR 4 juni 2010, NJ 2010, 312.
De Vrey 2006, p. 87; Tjittes 2006, p. 76.
Grosheide 2000, p. 106.
Zie nader Vranken 1997, p. 1842-1843 en 1851-1852. Zie voorts Eggens 1951, p. 267. Zie ook Pitlo 1964, p. 187, Nieuwenhuis 2007, p. 383 en Memelink 2009, p. 145-146.
De door de Hoge Raad in de arresten PontMeyer en Derksen/Homburg gehanteerde geobjectiveerde toepassing van de Haviltex-maatstaf is in de literatuur veelvuldig aangeduid als taalkundige of grammaticale uitleg.1 Het gebruik van dergelijke aanduidingen berust mijns inziens op een niet dan wel niet voldoende onderkennen van het feit dat uitleg, ook in casus als die van PontMeyer en Derksen/Homburg, steeds naar redelijkheid en billijkheid dient te geschieden.2 In dit kader zij eraan herinnerd dat de Hoge Raad in het arrest DSM/Fox nog uitdrukkelijk heeft overwogen dat de CAO-norm, die eveneens een tekstuele vorm van uitleg behelst, niet leidt tot een "louter taalkundige uitleg", maar tot een uitleg "naar objectieve maatstaven, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden." Gelet daarop en gelet op het feit dat de Hoge Raad de in PontMeyer en Derksen/Homburg gehanteerde uitleg steeds uitdrukkelijk in de sleutel van de door de redelijkheid en billijkheid geschraagde Haviltex-norm — die blijkens de bewoordingen van het Haviltex arrest evenmin ruimte biedt voor een "zuiver taalkundige uitleg"3- heeft geplaatst, is het verkieslijk de uitlegwijze van de Hoge Raad in genoemde arresten niet als taalkundig te omschrijven maar — zoals hiervoor — als een geobjectiveerde toepassing van de Haviltex-maatstaf.4 De Hoge Raad spreekt in de arresten PontMeyer, Derksen/Homburg en het hierna nog te bespreken arrest UPC/Land5 overigens ook niet van taalkundige uitleg, maar van de "meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van die woorden" respectievelijk van de "taalkundige betekenis" van bepaalde bewoordingen. Dit duidt erop dat de Hoge Raad het begrip "taalkundig" inderdaad niet heeft willen gebruiken ter aanduiding van de door hem gehanteerde methode van uitleg, maar in die arresten slechts heeft willen aangeven dat de litigieuze woorden in hun (binnen de context van de overeenkomst meest voor de hand liggende en dus) gebruikelijke betekenis moesten worden begrepen.6
Steun voor de zojuist uitgedrukte gedachte kan worden ontleend aan een recent arrest van de Hoge Raad, waarin sprake was van een afstandsovereenkomst die was gesloten tussen twee professionele partijen, betrekking had op een zuiver commerciële transactie, tijdens de behandeling van een met de bodemprocedure samenhangend kort geding was opgesteld door de voorzieningenrechter en mede was ondertekend door de advocaten van beide partijen.7 In deze zaak oordeelde de Hoge Raad dat, gelet op deze omstandigheden, aan de "gebruikelijke betekenis" van een bepaalde term in de afstandsovereenkomst "groot gewicht" toekwam. Het aldus (in een zaak die voor wat betreft de professionaliteit van partijen, hun deskundige juridische bijstand en de gekozen contractsvorm veel gemeen had met de feitenconstellaties in de arresten PontMeyer en Derksen/Homburg) hanteren van de term "gebruikelijke betekenis" duidt er mijns inziens eens te meer op dat de Hoge Raad met de arresten PontMeyer en Derksen/Homburg geen taalkundige uitleg heeft willen introduceren, maar slechts zijn steun heeft uitgesproken voor een geobjectiveerde toepassing van de Haviltex-maatstaf, welke haar grondslag vindt in het feit dat professionele, door deskundige advocaten bijgestane partijen normaliter van elkaar mogen verwachten en er wederzijds op mogen vertrouwen dat de bepalingen van het contract tekstueel, dus in hun normale betekenis en zonder gebruikmaking van specifieke achtergrondkennis over de totstandkoming van de bedingen, zijn op te vatten. Deze vooropstelling van het normale c.q. normaliter bij partijen over en weer levende verwachtingspatroon maakt eens te meer duidelijk dat de Haviltex-maatstaf geen synoniem is voor subjectiviteit8 en onvoorspelbaarheid9 maar, door het in de gegeven omstandigheden redelijke vertrouwen van partijen voorop te stellen, juist een normaliserende10 en daarmee de rechtszekerheid dienende functie vervult.