HR, 25-11-2022, nr. 20/01501
ECLI:NL:HR:2022:1734
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-11-2022
- Zaaknummer
20/01501
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:1734, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑11‑2022; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2020:784
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑07‑2020
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑05‑2020
- Vindplaatsen
V-N 2022/53.11 met annotatie van Redactie
NLF 2022/2330 met annotatie van Barry Willemsen
NTFR 2022/3844 met annotatie van Mr. E.H.A.M. Thijssen
BNB 2023/77 met annotatie van J.J.P. SWINKELS
FED 2023/74 met annotatie van A.M. de Wit
Viditax (FutD) 2022112501
FutD 2022-3168
Uitspraak 25‑11‑2022
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 15, lid 4, Wet OB 1968; levering nieuwbouw door gemeente aan een stichting ten behoeve van de huisvesting van verenigingen; omzetbelasting ter zake van bouwkosten niet onmiddellijk in aftrek gebracht; HvJ 7 juli 2022, X, C-194/21, ECLI:EU:C:2022:535; misbruik van recht.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/01501
Datum 25 november 2022
ARREST
in de zaak van
GEMEENTE [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 31 maart 2020, nrs. BK-19/00261 en BK-19/002621., op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 18/3455 en SGR 18/7600) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak 1 april 2014 tot en met 30 juni 2014 en een aan belanghebbende over dat tijdvak opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door [P1], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.Belanghebbende heeft schriftelijk haar zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
1.2
Bij brief van 23 maart 2022 heeft de griffier van de Hoge Raad partijen bericht dat de behandeling van de zaak niet kan worden afgerond voordat het Hof van Justitie van de Europese Unie antwoord heeft gegeven op de door de Hoge Raad bij arrest van 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:455, gestelde prejudiciële vragen. Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 7 juli 2022, X, C-194/21, ECLI:EU:C:2022:535, die vragen beantwoord.Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op dit arrest van het Hof van Justitie. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1.1 Belanghebbende, een gemeente, heeft eind 2010 besloten om op eigen grond een nieuw gebouw (hierna: het nieuwe gebouw) te doen oprichten ter vervanging van het bij een stichting in eigendom zijnde dorpshuis en voor de huisvesting van verenigingen die in de gemeente zijn gevestigd.
2.1.2 Op 5 maart 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders de opdracht tot nieuwbouw gegund aan een aannemer voor een bedrag van € 855.000, exclusief omzetbelasting. Ter zake van de bouw heeft die aannemer vanaf eind 2012 tot en met het tweede kwartaal van 2014 (het kwartaal waarin het nieuwe gebouw door de aannemer werd opgeleverd) deze vergoeding in termijnen en vermeerderd met omzetbelasting aan belanghebbende in rekening gebracht.
2.1.3 Na aanvang van de bouw heeft het college van burgemeester en wethouders besloten om de eigendom van het nieuwe gebouw over te dragen aan een stichting die verantwoordelijk zou worden voor het beheer en de exploitatie ervan (hierna: de Stichting). Op 17 januari 2014 is de Stichting opgericht.
2.1.4 Op 24 januari 2014 heeft belanghebbende het - toen nog in aanbouw zijnde - nieuwe gebouw verkocht aan de Stichting. De koopsom bedroeg € 175.450, inclusief € 30.450 aan omzetbelasting.
2.1.5 Eveneens op 24 januari 2014 hebben de hiervoor in 2.1.1 bedoelde stichting en twee van de verenigingen die in het nieuwe gebouw zouden worden gehuisvest, de hun toebehorende opstallen en, voor zover niet in eigendom van belanghebbende, ook de ondergrond, aan belanghebbende verkocht. De koopsommen beliepen tezamen een bedrag van € 175.449. Daarbij is ervan uitgegaan dat de vrijstelling van omzetbelasting van artikel 11, lid 1, letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) van toepassing is. Volgens de koopovereenkomsten stelt elk van de verkopers de koopsom beschikbaar aan de Stichting met het oog op de aankoop van het nieuwe gebouw.
2.1.6 Bij notariële akten van levering van 24 april 2014 zijn de hiervoor in 2.1.5 bedoelde onroerende zaken aan belanghebbende geleverd. Op diezelfde dag heeft belanghebbende het nieuwe gebouw aan de Stichting geleverd.
2.1.7 Belanghebbende heeft in haar aangifte voor de omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2014 de door haar ter zake van de levering van het nieuwe gebouw aan de Stichting in rekening gebrachte omzetbelasting als verschuldigd opgegeven.Zij heeft bij diezelfde aangifte de omzetbelasting in aftrek gebracht die haar ter zake van de bouw in het tweede kwartaal van 2014 in rekening is gebracht (€ 9.822). Zij heeft bij die aangifte tevens de bedragen aan omzetbelasting in aftrek gebracht die haar vanaf de aanvang van de bouw (eind 2012) tot en met het eerste kwartaal van 2014 in verband met die bouw in rekening zijn gebracht (in totaal € 194.758). De aangifte resulteerde in een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting van € 173.309.
2.1.8 De Inspecteur heeft een bedrag van € 204.580 (€ 9.822 + € 194.758) niet in aftrek toegelaten, het verzoek om teruggaaf bij voor bezwaar vatbare beschikking afgewezen en belanghebbende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 april 2014 tot en met 30 juni 2014 ten bedrage van € 31.271.De Rechtbank heeft het ter zake van de beschikking ingestelde beroep ongegrond verklaard. Vanwege haar oordeel dat belanghebbende terecht een bedrag van € 9.822 in aftrek heeft gebracht, heeft de Rechtbank de naheffingsaanslag verminderd tot € 21.449.
2.2.1 Voor het Hof was in het door belanghebbende ingestelde principale hoger beroep in geschil of belanghebbende over het tweede kwartaal van 2014 op de voet van artikel 15, lid 4, tweede volzin, van de Wet recht heeft op aftrek van de omzetbelasting die haar met betrekking tot het nieuwe gebouw in rekening is gebracht in de periode voorafgaand aan het tweede kwartaal van 2014.In het door de Inspecteur ingestelde incidentele hoger beroep was in geschil of de hiervoor in 2.1.1 tot en met 2.1.6 omschreven (rechts)handelingen met het oog op de eigendomsoverdracht van het nieuwe gebouw aan de Stichting voor de heffing van omzetbelasting misbruik van recht vormen.
2.2.2 Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende het in aanbouw zijnde nieuwe gebouw al in 2012 en 2013 had bestemd voor een belaste prestatie en dat belanghebbende de in die periode in rekening gebrachte omzetbelasting toen in aftrek had moeten brengen. De herzieningsregeling van artikel 15, lid 4, van de Wet voorziet, aldus het Hof, niet in het herstellen van de door belanghebbende gemaakte fout om in 2012 en 2013 geen omzetbelasting ter zake van de realisatie van het nieuwe gebouw in aftrek te brengen, aangezien op basis van deze regeling enkel een correctie kan plaatsvinden als het recht op aftrek is gewijzigd vanwege een wijziging van de bestemming respectievelijk het gebruik. Het Hof heeft op die grond het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.
2.2.3 Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende belasting heeft bespaard door uiteindelijk ervoor te kiezen het nieuwe gebouw niet door middel van het vestigen van een opstalrecht om niet ter beschikking te stellen aan de Stichting maar dat gebouw tegen een vergoeding in eigendom over te dragen aan de Stichting. Dat is volgens het Hof geoorloofd, tenzij sprake is van een kunstmatige constructie. Naar het oordeel van het Hof is daarvan geen sprake. Het Hof heeft daartoe overwogen dat het doel van belanghebbende was om het nieuwe gebouw in eigendom over te dragen aan de Stichting, hetgeen is gebeurd, waarna de Stichting het nieuwe gebouw is gaan gebruiken voor haar activiteiten in het kader van het verenigingsleven. Misbruik van recht doet zich volgens het Hof daarom niet voor. Aangezien belanghebbende de levering onder bezwarende titel heeft verricht en belanghebbende heeft gehandeld als ondernemer, is het incidentele hoger beroep van de Inspecteur ongegrond.
2.2.4 Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
3. Beoordeling van de in het principale cassatieberoep voorgestelde middelen
3.1
De middelen zijn gericht tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof.
3.2
Deze oordelen van het Hof geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan de middelen betogen, volgt uit het hiervoor in 1.2 vermelde arrest van het Hof van Justitie dat de belastingplichtige die, ondanks de bestemming voor belaste doeleinden ten tijde van de verwerving van een goed of het afnemen van een dienst, de hem bij aanschaf in rekening gebrachte omzetbelasting niet onmiddellijk in aftrek heeft gebracht, het aftrekrecht niet alsnog op de voet van artikel 15, lid 4, van de Wet kan effectueren.
3.3
Voor zover de middelen voor het overige de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof bestrijden met motiveringsklachten kunnen zij evenmin tot cassatie leiden, aangezien deze oordelen als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid kunnen worden onderzocht. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk, of onvoldoende gemotiveerd.
3.4.1
Belanghebbende heeft in haar hiervoor in 1.2 vermelde reactie op het arrest van het Hof van Justitie nog aangevoerd dat in haar situatie niet alle in Nederland geldende vervaltermijnen als bedoeld in punt 28 van dat arrest zijn verstreken. Hierbij heeft zij gewezen op de in Nederland geldende regeling van artikel 65 AWR, op grond waarvan fouten die de belastingplichtige in zijn nadeel heeft gemaakt bij de voldoening van belasting op aangifte, na het verstrijken van een termijn van zes weken alsnog kunnen worden hersteld. Daarbij heeft zij opgemerkt dat zij haar verzoek om teruggaaf heeft gedaan binnen de voor toepassing van artikel 65 AWR door de staatssecretaris van Financiën gestelde termijn van vijf jaar, die volgens haar moet worden aangemerkt als een hiervoor bedoelde vervaltermijn. Dit een en ander moet meebrengen, aldus belanghebbende, dat de door haar in het verleden bij het uitoefenen van het recht op aftrek gemaakte fouten nog altijd volgens de regeling van artikel 15, lid 4, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 184 van BTW-richtlijn 2006 kunnen worden hersteld.
3.4.2
Dit betoog kan niet afdoen aan hetgeen hiervoor in 3.2 is geoordeeld. De onderhavige gerechtelijke procedure betreft een geschil over aftrek van voorbelasting over het tweede kwartaal van 2014 met toepassing van artikel 15, lid 4, van de Wet. Belanghebbende beoogde hiermee alsnog de aftrek te effectueren van voorbelasting die zij gedurende de bouw niet met toepassing van artikel 15, lid 1, van de Wet in aftrek had gebracht voorafgaand aan het tweede kwartaal van 2014. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, is een dergelijke herziening na het verstrijken van de voor toepassing van artikel 15, lid 1, van de Wet geldende vervaltermijn niet mogelijk.Anders dan belanghebbende in haar reactie op het hiervoor in 1.2 genoemde arrest betoogt, is de termijn na afloop waarvan de inspecteur in elk geval geen gebruik meer maakt van zijn bevoegdheid tot ambtshalve vermindering of teruggaaf op de voet van artikel 65 AWR, naar zijn aard niet aan te merken als een dergelijke vervaltermijn. De regeling van artikel 65 AWR beoogt namelijk niet dat een noch bij de aangifte, noch tijdig via het stelsel van bezwaar en beroep uitgeoefend recht op aftrek van omzetbelasting naderhand zonder meer kan worden afgedwongen.2.Voor zover in de beslissing van de Inspecteur al een weigering ligt besloten om ambtshalve omzetbelasting op de voet van artikel 65 AWR terug te geven, heeft te gelden dat die beslissing niet een beslissing is waartegen krachtens de wet bezwaar en vervolgens beroep bij de belastingrechter is opengesteld.3.
4. Beoordeling van de in het incidentele cassatieberoep voorgestelde middelen
4.1
De Hoge Raad heeft de middelen I en II beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4.2
Middel III is gericht tegen de hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordelen van het Hof. Volgens het middel heeft het Hof miskend dat op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie de (contract)voorwaarden waaronder de overdracht van een goed plaatsvindt, tot de conclusie kunnen leiden dat is gehandeld in strijd met het verbod van misbruik van recht, zonder dat die overdracht op zichzelf bezien kunstmatig is. Volgens het middel heeft het Hof in dat kader nagelaten een essentiële stelling van de Inspecteur te behandelen. Die stelling hield in dat de opzet van de transacties waarvan de levering van het nieuwe gebouw deel uitmaakte, in economische zin een ‘kasrondje’ was met als resultaat dat belanghebbende - met medewerking van de Stichting en de aangewezen toekomstige gebruikers - het nieuwe gebouw geheel heeft bekostigd, inclusief alle ter zake van de diverse transacties verschuldigde omzetbelasting en overdrachtsbelasting. Dit heeft de Inspecteur gebaseerd op de voorwaarden waaronder de verkooptransacties zijn gesloten. Op grond van deze voorwaarden hebben de hiervoor in 2.1.1 bedoelde stichting en verenigingen hun oude gebouwen en grond aan belanghebbende geleverd tegen verkrijging van een geldbedrag dat zij uitsluitend mochten aanwenden om de Stichting in staat te stellen het nieuwe gebouw van belanghebbende te kopen. Een dergelijk kasrondje levert misbruik van recht op, aldus nog steeds het middel.
4.3.1
Bij de beantwoording van de vraag of zich misbruik van recht voordoet in een geval waarin tussen verschillende personen diverse, met elkaar samenhangende overeenkomsten zijn aangegaan met betrekking tot een bepaald goed of bepaalde goederen, moet dit samenstel van (rechts)handelingen in ogenschouw worden genomen en moet rekening worden gehouden met de werkelijke inhoud en betekenis van elk van die (rechts)handelingen.4.
4.3.2
Het Hof heeft bij zijn hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordelen alleen de verkoop en levering van het nieuwe gebouw door belanghebbende aan de Stichting kenbaar betrokken. Indien het Hof daarbij ervan is uitgegaan dat alleen deze verkoop en overdracht in aanmerking moeten worden genomen, ook indien deze deel uitmaken van een samenstel van rechtshandelingen als hiervoor in 4.3.1 bedoeld, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan, zijn deze oordelen onvoldoende gemotiveerd aangezien het Hof daarmee niet ervan heeft blijk gegeven dat het de door de Inspecteur aangevoerde essentiële stelling omtrent de toetsing van het samenstel van transacties bij zijn beoordeling heeft betrokken. Middel III slaagt.
5. Slotsom
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
6. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding moet worden toegekend.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
- verklaart het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑11‑2022
Vgl. HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:455, rechtsoverweging 4.1.2.
Vgl. HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9098, rechtsoverweging 3.3.
Vgl. HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2095, rechtsoverweging 3.2.2 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Beroepschrift 22‑07‑2020
Den Haag, [22 JULI 2020]
Kenmerk: […]
Incidenteel beroepschrift in cassatie (rolnummer 20/01501) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 31 maart 2020, nrs. 19/00261 en 19/00262, inzake Gemeente [X] te [Z] betreffende de naheffingsaanslag omzetbelasting en beschikking omzetbelasting over het tijdvak van 1 april 2014 tot en met 30 juni 2014.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Als middelen van cassatie draag ik voor:
- I.
Schending van het recht, in het bijzonder van artikel 1, onderdeel a, artikel 8, eerste en tweede lid, en artikel 15, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) en artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: AWB), doordat het Hof in r.o. 5.2.2 en 5.2.3 en 5.5 heeft geoordeeld dat
- —
de betaling van de koopprijs en de levering van het gebouw bij voortduring tegenover elkaar hebben gestaan,
- —
er geen sprake is van een symbolische vergoeding,
- —
het feit dat de verenigingen die het gebouw gaan gebruiken de verkoopopbrengsten van hun opstallen en/of grond hebben ingezet om de stichting te kunnen laten, kopen, niet afdoet aan het rechtstreekse verband tussen de betaling van de koopprijs door de stichting aan belanghebbende,
- —
de levering van de multifunctionele accommodatie (MFA) door belanghebbende aan de stichting en financiering van een investering door een subsidie van een (lagere) overheid geen invloed heeft op de economische aard van een prestatie,
- —
de verenigingen die de MFA gaan gebruiken hun opstallen en/of grond conform afspraak daadwerkelijk hebben geleverd aan belanghebbende en
- —
de door belanghebbende voor deze aankoop betaalde bedragen evenmin symbolisch zijn,
zodat kan worden gesproken van een handeling onder bezwarende titel, zulks in verband met het hierna volgende ten onrechte althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen.
- II.
Schending van het recht, in het bijzonder van artikel 1, onderdeel a, artikel 7, eerste en tweede lid en artikel 15, eerste lid, Wet OB en artikel 8:77 AWB, doordat het Hof in r.o. 5.3 en 5.5 heeft geoordeeld dat
- —
de omstandigheid dat de verkoopprijs niet tot stand is gekomen na optimalisering van vraag en aanbod er niet aan in de weg staat dat een economische activiteit heeft plaatsgevonden,
- —
de gekozen financieringswijze en het oogmerk van de betrokken handelingen niet van invloed zijn,
- —
de economische activiteiten samenhangen met een reeks andere economische activiteiten, namelijk vastgoedtransacties met de verenigingen die de MFA gaan gebruiken, en,
- —
het van algemene bekendheid is dat gemeenten met betrekking tot onroerende zaken werkzaamheden verrichten in de zin van artikel 9, eerste lid, tweede alinea, van de Btw-richtlijn en daarvoor ondernemer zijn in de zin van artikel 7 Wet OB,
zodat kan worden geconcludeerd dat belanghebbende met de levering van het gebouw een economische activiteit heeft verricht, zulks in verband met het hierna volgende ten onrechte althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen.
- III.
Schending van het recht, in het bijzonder van artikel 1, onderdeel a, artikel 7, eerste lid, artikel 8, tweede lid, en artikel 15, eerste lid, van de Wet OB en artikel 8:77 van de AWB, doordat het Hof in r.o. 5.4 heeft geoordeeld dat geen sprake is van een kunstmatige constructie, omdat het doel van belanghebbende was het gebouw in eigendom over te dragen aan de stichting en deze overdracht heeft plaatsgevonden waarna de stichting het gebouw is gaan gebruiken voor haar activiteiten in het kader van het verenigingsleven, zodat kan worden geconcludeerd dat misbruik van recht zich hier niet voordoet, zulks in verband met het hierna volgende ten onrechte althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen.
Ter toelichting merk ik het volgende op.
Ad I
Op grond van artikel 1, onderdeel a, Wet OB wordt omzetbelasting geheven ter zake van leveringen van goederen en diensten die in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer onder bezwarende titel worden verricht. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) is sprake van een levering of dienst onder bezwarende titel wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de levering of dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld en de door de leverancier of dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verrichte levering of dienst.1.
Met betrekking tot het begrip werkelijke tegenwaarde heeft het HvJ in het arrest Commissie/Finland geoordeeld dat het verband tussen door rechtsbijstand bureaus verrichte rechtsbijstand diensten en de door de ontvangers van die diensten te betalen inkomensafhankelijke bijdragen niet de vereiste rechtstreeksheid bezit om te concluderen dat deze bijdragen de beloning voor die diensten vormen.2. In het arrest Lajvér heeft het HvJ geoordeeld dat de rechter bij de vaststelling of sprake is van het vereiste rechtstreekse verband zich ervan moet vergewissen dat de vergoeding de levering of dienst niet slechts ten dele vergoedt en dat de hoogte ervan niet is vastgesteld op basis van andere factoren die kunnen afdoen aan het rechtstreekse verband tussen de leveringen of diensten en de tegenprestatie ervan.3.
Uw Raad heeft in zijn arresten van 19 oktober 2018, nrs. 17/02812 en 17/028164., geoordeeld over de levering van schoolgebouwen tegen een vergoeding die was gebaseerd op bouwkundige voorzieningen en kostencomponenten die de gemeente op grond van de in de Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen bekostigingsregeling niet gehouden was te bekostigen. Uw Raad heeft geoordeeld dat deze vergoeding de levering slechts ten dele vergoedt en gebaseerd is op een andere factor (zoals bedoeld in het hierboven aangehaalde arrest Lajvér) die afdoet aan het rechtstreekse verband, namelijk de bekostigingsregeling in de Wet op het voortgezet onderwijs. De levering is dus niet verricht onder bezwarende titel.
Het Gerechtshof Den Haag heeft op 5 maart 2019 geoordeeld over de levering van een brede school tegen een vergoeding die, in verband met de wens een btw-besparende structuur op te zetten, tamelijk willekeurig is gesteld op circa 10% van de stichtingskosten van het gebouw. Onder verwijzing naar bovengenoemde arresten van uw Raad is het Hof van oordeel dat ook in dit geval het vereiste rechtstreekse verband tussen de vergoeding en de levering ontbreekt en dat de levering derhalve niet onder bezwarende titel is verricht.5. De belanghebbende in die zaak heeft beroep in cassatie ingesteld. De zaak is bij uw Raad bekend onder rolnummer 19/01869.
In de onderhavige zaak komt hetzelfde Hof in r.o. 5.2.2 en 5.2.3 en 5.5 tot een tegenovergesteld oordeel. Ik ben van mening dat op basis van deze overwegingen niet te volgen is hoe en waarom het Hof in de onderhavige zaak tot het oordeel is gekomen dat belanghebbende het gebouw onder bezwarende titel heeft geleverd.
In r.o. 5.2.2 overweegt het Hof dat de koopprijs en de levering voortdurend tegenover elkaar hebben gestaan en dat er geen sprake is van een symbolische vergoeding. Voor zover het Hof hiermee tot uitdrukking wil brengen dat alleen in het geval van een symbolische vergoeding geen sprake is van een levering onder bezwarende titel, gaat het oordeel van het Hof uit van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de hierboven aangehaalde rechtspraak van het HvJ en uw Raad blijkt namelijk dat de vraag of sprake is van een levering of dienst onder bezwarende titel, een bredere beoordeling vergt dan enkel de vaststelling of de vergoeding symbolisch is. Beoordeeld moet immers worden of de vergoeding de levering of dienst niet slechts ten dele vergoedt en de hoogte ervan niet is bepaald op basis van andere factoren die kunnen afdoen aan het vereiste rechtstreekse verband tussen vergoeding en levering. Het Hof heeft ten onrechte dit brede beoordelingskader niet aangelegd en de vraag of sprake is van een levering onder bezwarende titel ten onrechte gereduceerd tot een bewijsvraag.
Indien het Hof wel is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting is het oordeel van het Hof in het licht van de feiten van de zaak onbegrijpelijk. Ik merk in dit verband op dat de Inspecteur in zijn verweerschrift in hoger beroep en in het verweerschrift in eerste aanleg, waarnaar hij in hoger beroep verwijst, de volgende feiten naar voren heeft gebracht die niet of onvoldoende weersproken zijn:
- —
Bij het besluit over de bouw van de MFA ging belanghebbende ervan uit dat zij de btw op de bouwkosten kon terugontvangen via het BTW-compensatiefonds.
- —
Belanghebbende heeft in 2012 besloten de MFA om niet in eigendom over te dragen aan een beheersstichting.
- —
Zij is daarbij tot de conclusie gekomen dat zij de btw op de bouwkosten niet kon claimen in het BTW-compensatiefonds.
- —
Op advies van haar belastingadviseur heeft belanghebbende besloten de MFA aan de beheersstichting te leveren tegen een vergoeding die gelijk is aan 10% van de stichtingskosten.
- —
De kostprijs van de MFA bedraagt blijkens de akte van levering € 1.443.950 inclusief omzetbelasting.
- —
Belanghebbende heeft de MFA geleverd aan de stichting tegen een vergoeding van€ 145.000 exclusief € 30.450 omzetbelasting (€ 175.450 inclusief omzetbelasting). Alle kosten van overdracht, waaronder de overdrachtsbelasting ad € 86.637 zijn voor rekening van belanghebbende. Totaal neemt belanghebbende een bedrag van € 88.882 aan kosten en overdrachtsbelasting voor haar rekening. Per saldo leidt dit tot een transactieresultaat van € 90 746, zijnde 6% van de stichtingskosten.
- —
Belanghebbende heeft de opstallen en/of grond voor in totaal hetzelfde bedrag gekocht van de verenigingen die de MFA gaan gebruiken. Deze verenigingen stellen de door hen ontvangen verkoopprijs beschikbaar aan de stichting om de MFA te kunnen kopen.
- —
Belanghebbende heeft de oude gebouwen van de gebruikers van de nieuw te bouwen MFA gekocht voor respectievelijk € 120.962, € 28.878 en € 25.609 (tezamen € 175.449).
- —
Per saldo heeft belanghebbende met dit samenstel van transacties dus geen enkele opbrengst genoten maar een bedrag van € 90. 746 moeten betalen.
- —
Belanghebbende heeft tegenover de controlerend ambtenaar verklaard dat de verkoopprijs van de MFA uitsluitend is bepaald om een btw-voordeel te verkrijgen. (bijlage 18 bij verweerschrift Inspecteur in eerste aanleg).
Uit deze feiten komt naar voren dat de vergoeding de levering van de MFA slechts ten dele vergoedt. Bovendien is zij gebaseerd op andere factoren die afdoen aan het vereiste rechtstreekse verband tussen de vergoeding en de levering. Uit de feiten blijkt immers dat de verkoopprijs inclusief btw van € 175… 440 geen enkel verband houdt met de bouwkosten of waarde van de nieuw gebouwde MFA en enkel is vastgesteld omwille van het welslagen van een btw-besparende constructie. Wanneer uw Raad met betrekking tot een verkoopprijs die gebaseerd is op voorzieningen die de gemeente niet behoeft te bekostigen al oordeelt dat deze niet de werkelijke tegenwaarde voor de levering van een schoolgebouw vormt, kan a fortiori een vergoeding die geen enkele basis heeft anders dan de noodzaak van een willekeurig laag doch niet symbolisch bedrag ten behoeve van een btw-besparende constructie, niet de werkelijke tegenwaarde vormen voor de levering van een nieuw gebouw. Wanneer een dergelijke vergoeding wel aanvaard zou moeten worden als de werkelijke tegenwaarde, zouden de arresten van uw Raad van 19 oktober 2018 bijzonder eenvoudig omzeild kunnen worden. Het is dan immers voldoende om een zeer beperkte doch niet symbolische vergoeding in rekening te brengen om tot een levering voor de btw te komen bij onder meer de levering van schoolgebouwen.
De onderhavige zaak vertoont een grote mate van gelijkenis met de zaak over de brede school die het Hof heeft berecht op 5 maart 2019 en waarin het Hof heeft geoordeeld dat de gemeente de brede school niet onder bezwarende titel heeft geleverd. 's Hofs andersluidende oordeel in de onderhavige zaak is ook om die reden onbegrijpelijk.
Voorts merk ik op dat evenmin van een rechtstreeks verband tussen de vergoeding en de levering van de MFA sprake is, wanneer deze vergoeding gebaseerd is op de door belanghebbende betaalde aankoopprijs voor de oude opstallen en/of grond van de verenigingen en die aankoopprijs niet symbolisch is. De waarde van de oude opstallen en grond, als de door de gemeente betaalde aankoopprijs die al weerspiegelt, houdt immers geen enkel verband met de bouwkosten of de waarde van de nieuw gebouwde MFA. Deze wijze van financiering via een zogenaamd ‘kasrondje’ staat gelijk aan een gratis terbeschikkingstelling oftewel een niet-economische handeling. Het door uw Raad in de arresten van 19 oktober 2018 gegeven oordeel geldt evenzeer in deze situatie.
Ad II
Op basis van artikel 1, onderdeel a, Wet OB moet de levering zijn verricht door een als zodanig handelende ondernemer om binnen de werkingssfeer van de Wet OB te vallen. Dat betekent dat de levering moet worden verricht door een persoon die met deze levering een economische activiteit verricht in de zin van artikel 9, eerste lid, Btw-richtlijn. Volgens deze bepaling worden als economische activiteit beschouwd alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.
In het arrest gemeente Borsele heeft het HvJ geoordeeld dat het feit dat een handeling onder bezwarende titel wordt verricht, niet volstaat om vast te stellen dat er sprake is van een economische activiteit. Voor de vaststelling of sprake is van een economische activiteit moeten alle omstandigheden waaronder de handeling plaatsvindt, worden onderzocht. Eén van de methoden voor dat onderzoek kan zijn het vergelijken van de omstandigheden waarin betrokkene de handeling verricht, met die waarin dit type economische activiteit in de regel wordt verricht. Ook factoren als de omvang van de clientèle en het bedrag van de opbrengsten kunnen, tezamen met andere factoren, in aanmerking worden genomen.6.
Het gaat bij deze beoordeling om een totaalbeoordeling van alle omstandigheden waaronder de handeling plaatsvindt om vast te stellen of handelingen worden verricht van een fabrikant, leverancier of dienstverrichter. Dit zijn geen wiskundige grootheden. Advocaat-Generaal Kokott verwoordt dit in haar conclusie in de zaak Posnania als volgt:
‘Artikel 9, lid 1, tweede volzin, van de btw-richtlijn omschrijft de economische activiteiten aan de hand van beroepsklassen. Bij nader inzien gaat het hierbij om een typologische omschrijving waarin types (beroepsklassen) ondernemingen worden opgesomd. In tegenstelling tot een abstract begrip heeft een typologische omschrijving een meer open karakter. De indeling in een type behoeft niet door logisch-abstracte subsumptie te worden vastgesteld, maar kan worden bepaald aan de hand van de mate van gelijkenis met de oorspronkelijke klasse (het archetype). De voor het type karakteristieke kenmerken behoeven niet allemaal aanwezig te zijn; in het individuele geval kan het ene of het andere kenmerk ontbreken. Het te beoordelen individuele geval wordt uitsluitend op basis van de mate van gelijkenis comparatief in een bepaald type ingedeeld. Die indeling vereist dat een totaalbeeld van het individuele geval wordt gevormd, rekening houdend met de in het economische verkeer gebruikelijke opvattingen en uitgaande van de mate van gelijkenis met het (arche-)type.’7.
Uit de rechtspraak van het HvJ blijkt, zonder dat deze opsomming uitputtend is, welke omstandigheden zoal een rol kunnen spelen.
Volgens het arrest Enkler is de aard van het goed een van de omstandigheden die in de beoordeling moeten worden betrokken. Daarnaast kunnen de volgende factoren een rol spelen: de vergelijking van de exploitatieomstandigheden met die waaronder de overeenkomstige economische activiteit in de regel wordt verricht, de werkelijke duur van de verhuur, de omvang van de clientèle en het bedrag van de opbrengsten.8. In het arrest Borsele geeft het HvJ aan dat deze factoren tezamen met andere factoren in aanmerking kunnen worden genomen.9.
Uit de arresten T-Mobile Austria en Hutchison 3G blijkt dat ook de aard en context van de handeling een beoordelingsfactor is. In dit geval ging het om de veiling van GSM-frequenties om marktdeelnemers toegang te geven tot de telecommarkt. Dergelijke handelingen, die naar hun aard niet door marktdeelnemers kunnen worden verricht, zijn volgens het HvJ geen economische activiteiten.10. Daarbij verdient opmerking dat de GSM-frequenties in deze zaken werden geveild voor astronomische bedragen, die naar mag worden aangenomen, de waarde weerspiegelen die de afnemer aan de GSM-frequentie toekent.
De omstandigheid dat de vergoeding die de afnemer betaalt, wordt bepaald door de omvang of de waarde van de werkzaamheden of het goed, behoeft er derhalve niet aan in de weg te staan dat de betrokken handeling toch geen economische activiteit vormt. Andere omstandigheden kunnen dan zeer wel tot de conclusie leiden dat geen economische activiteit wordt uitgeoefend.
In het arrest SPÖ Landesorganisation Kärnten leverde de regionale organisatie campagnemateriaal aan de plaatselijke afdelingen tegen een vergoeding die slechts een gering deel van de kosten dekte. Het overgrote deel van de kosten werd gedekt uit overheidssubsidies en lidmaatschapsbijdragen. Het HvJ heeft in dit arrest geoordeeld dat de regionale organisatie haar activiteiten verricht om haar ideeën als politieke organisatie te verspreiden. Volgens het HvJ is de organisatie daarmee niet werkzaam op een of andere markt.11.
Verder heeft het HvJ van belang geacht dat actief stappen worden gezet voor de verkoop van onroerend goed door middelen in te zetten die vergelijkbaar zijn met die welke een fabrikant, handelaar of dienstverrichter aanwendt. Die stappen kunnen onder andere bestaan in de uitvoering van werken of het gebruik van beproefde verkooptechnieken. Dit blijkt uit de arresten Slaby en Kuć en Rēdlihs.12.
Ten slotte zijn ook de hoogte van de vergoeding in relatie tot de waarde van het goed of de dienst en de wijze waarop die vergoeding bepaald wordt factoren om te beoordelen of sprake is van een vergoeding voor een prestatie of van een heffing en dus of er sprake is van een economische activiteit. Dit blijkt uit het arrest Enkler13. en uit het arrest gemeente Borsele14..
Resumerend: de rechtspraak van het HvJ schrijft dus een brede beoordeling voor van alle omstandigheden waaronder de levering of de dienst wordt verricht om vast te kunnen stellen of sprake is van een economische activiteit in de zin van artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn. Deze omstandigheden dienen niet geïsoleerd maar in hun onderlinge verband te worden bezien. Om te kwalificeren als economische activiteit dient de handeling op zichzelf een ‘economisch karakter’ te hebben en meer te zijn dan de loutere uitoefening van een eigendomsrecht.15.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 19 november 2019 geoordeeld over de levering van een schoolgebouw tegen een bedrag dat vrijwel geheel gebaseerd is op de kosten van extra voorzieningen die de gemeente op grond van de Wet op het voorgezet onderwijs niet behoeft te bekostigen. Het Hof heeft in die zaak de hierboven beschreven brede beoordeling van de omstandigheden waaronder de levering heeft plaatsgevonden, toegepast en geoordeeld dat de gemeente met de levering van het schoolgebouw geen economische activiteit heeft verricht.16. De gemeente heeft tegen dit oordeel beroep in cassatie ingesteld. Deze zaak is bij uw Raad bekend onder rolnummer 19/05968.
Het Hof heeft in de onderhavige zaak geoordeeld dat belanghebbende met de levering van de MFA een economische activiteit heeft verricht. Daarvoor heeft het Hof doorslaggevend geacht dat het van algemene bekendheid is dat gemeenten met betrekking tot onroerende zaken werkzaamheden verrichten in de zin van artikel 9, eerste lid, tweede alinea, van de Btw-richtlijn en daarvoor ondernemer zijn in de zin van artikel 7 Wet OB. Het Hof heeft daarbij de wijze van totstandkoming van de verkoopprijs, de gekozen financieringswijze en het oogmerk van belanghebbende niet van belang geacht.
Gezien het hierboven beschreven brede beoordelingskader van het HvJ heeft het Hof hiermee een onjuiste maatstaf aangelegd. Uit de aangehaalde jurisprudentie van het HvJ blijkt dat de omstandigheid dat een gemeente een goed of dienst vrijwel geheel zelf bekostigt, de wijze van totstandkoming van de vergoeding en dergelijke wel relevant zijn voor de beoordeling of een economische activiteit is verricht. In zoverre is het Hof bij zijn oordeel uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
Indien het Hof wel is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting, is het oordeel onbegrijpelijk. Uit de door de Inspecteur gestelde feiten en omstandigheden komt namelijk naar voren dat belanghebbende de bouw van de MFA volledig financiert. Voor 12% door de aanschaf van de oude opstallen en/of grond. De overige 88% bekostigt zij vanuit de algemene middelen. Uit de door de Inspecteur overgelegde afrekeningen van de notaris (bijlagen 24, 26 en 27 bij het verweerschrift in eerste aanleg) blijkt dat de transacties van belanghebbende met de stichting verenigingsgebouw Wijngaarden en de verenigingen enerzijds en met de stichting MFA anderzijds belanghebbende geen opbrengst hebben opgeleverd maar een bedrag van € 90.746 hebben gekost.
In het licht van deze feiten is niet de conclusie te trekken, zoals het Hof gedaan heeft, dat belanghebbende met de levering van de MFA optreedt op de vastgoedmarkt als een leverancier die ernaar streeft duurzame opbrengst te verkrijgen zoals in de regel deelnemers op de vastgoedmarkt plegen te opereren. Geen enkele deelnemer aan die markt zou immers onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden vastgoed kunnen leveren. Uit de feiten blijkt veeleer dat belanghebbende als gemeente vanuit de algemene middelen voorziet in een door haar noodzakelijk geachte gemeenschapsvoorziening. Zij neemt op de vastgoedmarkt dus niet de positie in van een leverancier maar van een eindverbruiker, vergelijkbaar met de positie die de gemeente inneemt in de zaak Borsele.
Ad III
Volgens vaste rechtspraak van het HvJ kan een belastingplichtige zich bij zijn keuze tussen vrijgestelde en belaste handelingen laten leiden door een reeks van factoren, waaronder fiscale overwegingen in verband met het btw-stelsel. Wanneer een belastingplichtige kan kiezen tussen twee transacties, verplicht de Btw-richtlijn hem niet de transactie te kiezen waarvoor de hoogste btw is verschuldigd. De belastingplichtige heeft integendeel het recht om zijn activiteit zo te structureren dat zijn belastingschuld beperkt blijft.17.
Deze vrijheid gaat echter niet zo ver dat het belastingplichtigen is toegestaan volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit en slechts bedoeld zijn om een fiscaal voordeel te verkrijgen.18. In geval van fraude of misbruik kunnen de justitiabelen geen beroep op het Unierecht doen. De Unieregeling mag immers niet zo ruim worden uitgelegd dat zij misbruiken zouden dekken.19.
Volgens vaste rechtspraak van het HvJ is voor de vaststelling van misbruik ten eerste vereist dat de betrokken transacties, in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden die worden opgelegd door de desbetreffende bepalingen van de Zesde richtlijn en de nationale wettelijke regeling tot omzetting van deze richtlijn, ertoe leiden dat in strijd met het door deze bepalingen beoogde doel een belastingvoordeel wordt toegekend. Ten tweede moet uit een geheel van objectieve factoren blijken dat het wezenlijke doel van de betrokken transacties erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen.20. In dit verband verdient opmerking dat op grond van de arresten Weald Leasing21. en Newey22. ook bepaalde contractvoorwaarden ertoe kunnen leiden dat sprake is van misbruik.
Het Hof heeft in r.o. 5.4 geoordeeld dat geen sprake is van een kunstmatige constructie. Dit oordeel steunt uitsluitend op de overweging van het Hof dat het doel van belanghebbende was om de MFA in eigendom over te dragen aan de stichting en dat die overdracht ook heeft plaatsgevonden. Daarmee heeft het Hof verzuimd het in de Unierechtspraak voorgeschreven criterium toe te passen. Meer in het bijzonder miskent het Hof hiermee dat de (contract)voorwaarden waaronder de overdracht plaatsvindt, tot de conclusie kunnen leiden dat er sprake is van misbruik, zonder dat de overdracht sec kunstmatig is. In de zaak Weald Leasing kan er met de lease op zich niets mis zijn, maar kunnen de voorwaarden waaronder die lease plaatsvindt toch tot de conclusie leiden dat sprake is van misbruik. In zoverre is het Hof bij zijn oordeel dan ook uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
Het oordeel van het Hof is tevens onbegrijpelijk. De redenering van het Hof in r.o. 5.4 is namelijk een cirkelredenering, die er logischerwijze toe leidt dat het in de Unierechtspraak ontwikkelde beginsel van het verbod van misbruik wordt weggeredeneerd. De redenering komt er namelijk op neer dat geen sprake is van misbruik, wanneer partijen hun overeenkomsten maar nakomen.
In het incidenteel hoger beroepschrift heeft de Inspecteur feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan hij van mening is dat de transacties tussen belanghebbende de gebruikers van de MFA en de stichting misbruik van recht opleveren. Samengevat heeft de Inspecteur gesteld dat belanghebbende de gehele accommodatie bekostigt, inclusief alle verschuldigde btw en overdrachtsbelasting ter zake van de diverse transacties. In het kader van de btw-structuur moest weliswaar een vergoeding voor de levering in rekening gebracht worden, maar de gebruikers zijn daarvoor door belanghebbende volledig gecompenseerd in de vorm van de door belanghebbende eenzijdig vastgestelde aankoopprijs voor de oude gebouwen en/of grond. In de koopovereenkomsten voor de oude accommodaties is bepaald dat op basis van een besluit van de participanten de vergoedingen voor de oude accommodaties uitsluitend kunnen worden aangewend voor de aankoop van de MFA. In de akten van levering van de oude accommodaties en de MFA is opgenomen dat de koper de vergoeding heeft voldaan door storting op een derdenrekening van de notaris. Uit de feiten blijkt dat storting van gelden door belanghebbende noch participanten heeft plaatsgevonden. Participanten verklaren dat zij nooit de beschikking hebben gehad over de vergoedingen voor de oude accommodaties. Op de afrekening van de notaris zijn de vergoedingen tegen elkaar gesaldeerd waarna een te betalen bedrag van € 90.946 resteerde voor belanghebbende. Dat betekent gelet op de samenhang dat in economische zin sprake is van een kasrondje.
In zijn arrest van 6 juli 2018, nr. 17/05461, ECLI:NL:HR:2018:1087, heeft uw Raad geoordeeld over een kasrondje met betrekking tot de levering van schoolgebouwen. Het Gerechtshof Amsterdam had in die zaak geoordeeld dat dit kasrondje misbruik van recht opleverde. Uw Raad heeft het beroep in cassatie van de gemeente tegen dit oordeel afgewezen met toepassing van artikel 81, eerste lid, Wet RO.
Het Hof is echter bij zijn oordeel in het geheel niet ingegaan op de door de Inspecteur gestelde feiten en omstandigheden. Het oordeel van het Hof is op dit punt dus onvoldoende gemotiveerd.
Hoogachtend,
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 22‑07‑2020
o.a. HvJ 3 maart 1994 C-16/93 (Tolsma) ECLI:EU:C:1994:80 punt 14, HvJ 12 mei 2016 C-520/14 (gemeente Borsele) ECLI:EU:C:2016:334 punt 24, HvJ 2 juni 2016 C-263/15 (Lajvér) ECLI:EU:C:2016:392 punt 26 en HvJ 11 maart 2020 C-94/19 (San Domenico Vetraria) ECLI:EU:C:2020:192 punt 21.
HvJ 29 oktober 2009 C-246/08 (Commissie/Finland) ECLI:EU:C:2009:671 punt 51.
HvJ 2 juni 2016 C-263/15 (Lajvér) ECLI:EU:C:2016:392 punt 49.
HR 19 oktober 2018 ECLI:NL:HR:2018:1836 en 1837.
Hof Den Haag 5 maart 2019 nr. BK — 17/00951 ECLI:NL:GHDHA:2019:1752 r.o. 6.1 t/m 6.4.
HvJ 12 mei 2016 C-520/14 (gemeente Borsele) ECLI:EU:C:2016:334 punt 27 t/m 31. Zie ook HvJ 26 september 1996 C-230/94 (Enkler) ECLI:EU:C:1996:352 punt 27 t/m 29.
Conclusie van 16 februari 2017 C-36/16 (Posnania Investment) ECLI:EU:C:2017:134 punt 25.
Arrest Enkler, punt 26 t/m 29.
Arrest Borsele, punt 30 t/m 31.
HvJ 26 juni 2007 C-284/04 (T-Mobile Austria e.a.) ECLI:EU:C:2007:381 en C-369/04 (Hutchison 3G e.a.) ECLI:EU:C:2007:382.
HvJ 6 oktober 2009 C-267/08 (SPÖ Landesorganisation Kärnten)ECLI:EU:C:2009:619.
HvJ 15 september 2011 C-180/10 en C-181/10 ECLI:EU:C:2011:589 en HvJ 19 juli 2012 C-263/11 ECLI:EU:C:2012:497.
HvJ 26 september 1996 C-230/94 (Enkler) ECLI:EU:C:1996:352 punt 29.
HvJ 12 mei 2016 C-520/14 (gemeente Borsele) ECLI:EU:C:2016:334 punt 31.
HvJ 26 juni 2007 C-284/04 (T-Mobile Austria e.a.) ECLI:EU:C:2007:381 punt 19; 26 juni 2007 C-369/04 (Hutchison 3G e.a.) ECLI:EU:C:2007:382; HvJ 13 december 2007 C-408/06 (Franz Götz) ECLI:EU:C:2007:789.
Hof Arnhem-Leeuwarden 19 november 2019 nrs. 18/00771 t/m 18/00774 ECLI:NL:GHARL:2019:9867 r.o. 4.2.
O.a. HvJ 21 februari 2006 C-255/02 (Halifax) ECLI:EU:C:2006:121 punt 73.
O.a. HvJ 22 mei 2008 C-162/07 (Ampliscientifica en Amplifin) ECLI:EU:C:2008:301 punt 28, HvJ 27 oktober 2011 C-504/10 (Tanoarch) ECLI:EU:C:2011:707 punt 51, HR 10 februari 2012 nr. 08/05317 ECLI:NL:HR:BK1057 r.o. 3.3.1 en HR 10 februari 2012 nr. 09/03203 ECLI:NL:HR:2012:BQ4228 r.o. 3.3.1.
O.a. HvJ 21 februari 2006 C-255/02 (Halifax) ECLI:EU:C:2006:121 punt 68–69.
O.a. HvJ 21 februari 2006 C-255/02 (Halifax) ECLI:EU:C:2006:121 punt 74–75, HvJ 22 december 2010 C-277/09 (RBS Deutschland Holdings) ECLI:EU:C:2010:810 punt 49 en HvJ 17 december 2015 C-419/14 (WebMindLicenses) ECLI:EU:C:2015:832 punt 36.
HvJ 22 december 2010 C-103/09 (Weald Leasing) ECLI:EU:C:2010:804 punt 39.
HvJ 20 juni 2013 C-653/11 (Newey) ECLI:EU:C:2013:409 punt 44–45.
Beroepschrift 01‑05‑2020
Betreft : Beroep in cassatie namens Gemeente [X] tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag d.d. 31 maart 2020, zaaknummers BK-19/00261 en BK-19/00262
1 mei 2020
Edelhoogachtbaar college,
Namens de Gemeente [X] (hierna belanghebbende) stellen wij beroep in cassatie in tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag d.d. 31 maart 2020 met kenmerk BK-19/00261 en BK-19/00262, waarvan u bijgaand een kopie aantreft.
Oordeel van het Hof
Het Gerechtshof heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De feiten en gronden kunnen als volgt worden samengevat.
In opdracht van belanghebbende is een zogenaamde multifunctionele accommodatie (MFA) gerealiseerd. Aan belanghebbende is in totaal voor een bedrag van€ 194.758 aan voorbelasting in rekening gebracht vanaf de bouw eind 2012 tot en met het eerste kwartaal 2014. In het tweede kwartaal 2014 is het gebouw opgeleverd, en is nog€ 9.822 aan omzetbelasting in rekening gebracht. Totaal drukt op de bouwkosten dus€ 204.580 aan voorbelasting. Tevens is in het tweede kwartaal 2014 het gebouw verkocht voor €175.450 inclusief€ 30.450 omzetbelasting.
Door belanghebbende is terzake van voornoemde bouw geen BTW in aftrek gebracht in de periode 2012 tot en met het eerste kwartaal 2014. Bij aangifte over het tweede kwártaal 2014 is de totale voorbelasting ten bedrage van € 204.580 in aftrek gebracht, tevens is uiteraard het bedrag van€ 30.450 aangegeven als af te dragen BTW.
Wij vatten de uitspraak van het Gerechtshof als volgt samen en geven daarbij tevens aan waartegen ons cassatieberoep zich richt:
- I)
r.o. 5.1 – 5.3 Belanghebbende heeft als ondernemer in de zin van de Wet OB gehandeld.
Dit oordeel van het Gerechtshof achten wijjuist, een oordeel van feitelijke aard en naar behoren gemotiveerd.
- II)
r.o. 5.4 – 5.5 Er doet zich geen misbruik van recht voor.
Dit oordeel van het Gerechtshof achten wij ookjuist, van feitelijke aard en naar behoren gemotiveerd.
- III)
r.o. 5.6 – 5.8 Het bij belanghebbende in aanbouw zijnde gebouw was in 2012 en 2013 bestemd voor een btw-belaste prestatie.
Tegen het hierin liggende besloten oordeel van het Gerechtshof komen wij op met motiveringsklachten.
- IV)
r.o. 5.9 Op basis van de herzieningsregels kan enkel een correctie plaatsvinden als het recht op aftrek wijzigt door wijziging van bestemming respectievelijk het gebruik. De herzieningsregels voorzien niet in de mogelijkheid om fouten te herstellen.
Tegen dit oordeel van het Gerechtshof komen wij ook (en in samenhang met punt 111) op met recht- en motiveringsklachten.
Middelen van cassatie
Primair: schending van het recht, in het bijzonder Artikel 15 vierde lid van de Wet op de omzetbelasting 1968 (wet OB);
Het Hof concludeert dat op basis van de herzieningsregels enkel een correctie kan plaatsvinden als het recht op aftrek wijzigt door wijziging van de bestemming respectievelijk het gebruik. Artikel 15, vierde lid Wet OB biedt volgens het Hof geen grondslag voor het herstellen van fouten.
Naar onze mening schendt het Hof hiermee zowel de letterlijke tekst als doel en strekking van artikel 15, vierde lid van de Wet op de omzetbelasting, waar is opgenomen
‘(….) Indien op het tijdstip waar op de ondernemer goederen en diensten gaat gebruiken, blijkt, dat de belasting ter zake voor een groter of kleiner gedeelte in aftrek is gebracht dan waartoe de ondernemer op grond van het gebruik is gerechtigd, wordt hij de te veel afgetrokken belasting op dat tijdstip verschuldigd. De verschuldigd geworden belasting wordt op de voet van artikel 14 voldaan. De te weinig afgetrokken belasting wordt aan hem op zijn verzoek teruggegeven.’
De letterlijke tekst biedt geen enkele grond voor de visie van het Gerechtshof, en is ons inziens dusdanig helder geformuleerd dat een aanvullende voorwaarde niet aan belanghebbende kan worden tegengeworpen. Feitelijk voegt het Gerechtshof een aanvullende voorwaarde aan het artikel toe betrekking hebbend op waarom de belasting voor een groter of kleiner gedeelte in aftrek is gebracht. Maar de Wet stelt deze voorwaarde niet en aldus kan die niet ten grondslag liggen aan een afwijzing van een op deze voet gemaakte aanspraak op teruggaaf van omzetbelasting.
Ook doel en strekking van dit wetsartikel verzetten zich tegen deze strikte interpretatie. Immers, waar het beoogde gebruik van goederen en diensten een bijzonder subjectief karakter heeft, biedt het daadwerkelijke gebruik het enige objectieve criterium om vast te stellen of aan belanghebbende het fundamentele recht van aftrek van voorbelasting toekomt. Het zou ons inziens de rechtszekerheid bepaald niet ten goede komen indien aanknoping bij het daadwerkelijke gebruik niet meer mogelijk zou zijn omdat in het verleden wellicht subjectief iets anders was beoogd, zeker wanneer bijvoorbeeld (als ook in casu, zie hierna) in een bouwfase verschillende opties open stonden (al dan niet belaste verhuur, verkoop, eigen gebruik…).
Uiteraard verwijzen wij ook in deze zin naar de Conclusie van de Procureur-Generaal C.M. Ettema met zaaknummer 19/01427, waarbij wij toevoegen dat zoals u bekend zal zijn inmiddels door de Advocaat-Generaal M. Bobek met datum 3 maart 2020 is geconcludeerd in de zaak Stichting Schoonzicht (Zaak C-791/18). Bobek bevestigd dat artikel 184 tot en met 186 van de Richtlijn algemene regels bevatten, die dus ook van toepassing zijn op investeringsgoederen. Onder deze algemene regels valt dus dat een herziening met name aan de orde komt (en dus niet beperkt is tot, toevoeging MJH) indien zich na de btw-aangifte wijzigingen hebben voorgedaan in de elementen die voor het bepalen van het bedrag van de aftrek in aanmerking zijn genomen (…).
Ten slotte refereren wij in dit verband nog aan hetgeen het Hof van Justitie heeft opgemerkt in de zaak Gmina Ryjevo (Zaak C-140/17). Juist de hoedanigheid van overheid waarbij verschillende sferen en hoedanigheden aanwezig zijn (waarover meer onder overweging 3 hierna) noopt tot een ruime interpretatie van de herzieningsregels (in het betreffende arrest zelfs na eerdere ingebruikname voor niet-economische activiteiten. Wij citeren (r.o. 55 uit voornoemd arrest):
‘Een dergelijke ruime uitlegging is noodzakelijk gelet op het met de regeling inzake aftrekken en dus inzake herzieningen nagestreefde doel, dat erin bestaat — zoals in de punten 29 tot en met 31 van dit arrest in herinnering is gebracht — te zorgen voor de neutraliteit van de fiscale druk op alle economische activiteiten, een beginsel waaruit voortvloeit dat elke marktdeelnemer in de regel onmiddellijk moet kunnen gebruikmaken van zijn recht op aftrek voor alle belastingen die hebben gedrukt op de in eerdere stadia verrichte handelingen, waarbij de juistheid van de aftrek in voorkomend geval achteraf via een herziening kan worden verzekerd.’
Gezien het voorgaande verzoeken wij dan ook primair de uitspraak van het Gerechtshof te casseren omdat deze in strijd is met artikel 15 lid 4 van de Wet op de Omzetbelasting en aldus te oordelen dat belanghebbende recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting conform het daartoe strekkende verzoek bij aangifte 2e kwartaal 2014.
Subsidiair: schending van het recht, in het bijzonder Artikel 3, eerste lid, onderdeel c wet OB in verbinding met Artikel 15, vierde lid Wet OB.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, onderdeel c wet 0B wordt de oplevering van onroerende zaken door degene die de zaken heeft vervaardigd als levering aangemerkt. De facturen die belanghebbende ontving gedurende de bouw (in de tijdvakken t/m 1e kwartaal 2014) hebben in feite betrekking op vooruitbetaling op een prestatie die werd verricht 24 april 2014, zijnde de opleveringsdatum van de onroerende zaak aan belanghebbende.
Dit tijdstip valt in het tijdvak waarin belanghebbende aanspraak heeft gemaakt op de aftrek van voorbelasting, waartoe zij materieel terecht door het Gerechtshof gerechtigd werd geacht, maar die het Gerechtshof formeel beperkte met de hierboven reeds gewraakte uitleg van artikel 15, vierde lid Wet 0B. Het aanleggen van deze beperking moet het Hof echter aldus hebben gebaseerd op een miskenning van artikel 3, eerste lid, onderdeel c Wet 0B namelijk als zou de betrokken aannemer in de eerdere tijdvakken diensten en goederenleveringen aan belanghebbende hebbende verricht die pas later (namelijk bij de levering in het 2e kwartaal 2014) een bestemming zouden hebben gekregen. Maar gezien artikel 3, eerste lid, onderdeel c Wet 0B worden alle door de aannemer verrichte handelingen samengenomen tot één verrichte prestatie die aan belanghebbende werd verricht in hetzelfde tijdvak als dat van de btw-belaste levering. Bijgevolg kan bedoelde formele beperking aan het aftrekrecht geen stand houden en ook op deze gronden verzoeken wij u dan ook de uitspraak van het Gerechtshof te casseren en te oordelen dat belanghebbende recht op teruggaaf van omzetbelasting heeft conform het daartoe strekkende verzoek bij aangifte 4e kwartaal 2014.
3. Meer subsidiair: Schending van Artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (motiveringsklachten) en van rechtsregels volgend uit jurisprudentie van uw Raad, met name Hoge Raad 10 oktober 2008, nr. 41.570
Zoals hiervoor reeds werd aangegeven oordeelt het Hof in de overwegingen 5.6 t/m 5.8 dat het bij belanghebbende in aanbouw zijnde gebouw bestemd was voor een btw-belaste prestatie. Tegen dit oordeel casu quo het in deze overwegingen besloten liggende oordeel richten wij ons met motiveringsklachten. Gesteld namelijk dat artikel 15, vierde lid Wet 08 de beperking kent die het Hof er (naar onze mening in strijd met het recht, zie hiervoor) aan toekent, is van belang wat het beoogde gebruik van de goederen en diensten was (van de bouwwerkzaamheden c.q. het door de aannemer op te leveren pand). En het Hof komt tot het oordeel dat het (door belanghebbende) beoogde gebruik zou zijn geweest voor btw-belaste doeleinden en dat bijgevolg belanghebbende in de relevante tijdvakken in 2012 t/m het 1e kwartaal 2014 aanspraak had moeten maken op btw-aftrek.
Dit oordeel van het Hof is echter niet naar behoren gemotiveerd en aldus onbegrijpelijk. Wij overwegen het volgende:
- 1.
Door belanghebbende is in haar Hoger Beroep bij van 28 maart 2019 (r.o. 9) aangegeven en onderbouwd dat nog in januari 2014 (!) het gebruik van het gebouw zeker nog niet vast stond. Dit is niet kennelijk door het Gerechtshof onderzocht en/of in haar overwegingen meegenomen;
- 2.
Gedurende het hele proces en ook voor het Gerechtshof was primair in discussie of belanghebbende überhaupt handelde als btw-ondernemer en aldus aanspraak op aftrek van voorbelasting toekwam (hetgeen de belastingdienst steeds heeft bestreden). Mede in samenhang met hetgeen hiervoor in punt 1 werd opgemerkt en mede in aanmerking nemend dat het belanghebbende beslist ook een sfeer kent waarin ze niet handelt als btw-ondernemer (belanghebbende is immers een gemeente), heeft belanghebbende uit overwegingen van doelmatigheid, behoorlijk bestuur en goed koopmansgebruik eerst als btw-ondernemer aanspraak gemaakt op btw-aftrek, toen het gebruik als btw-ondernemer voor btw-belast gebruik (in casu de Btw belaste levering) vaststond en onder gelijktijdige voldoening van de verschuldigde btw. Het oordeel van het Gerechtshof houdt in feite in dat belanghebbende principieel wordt erkend in die kwaliteit (namelijk die van btw-ondernemer) en de daarmee verbonden rechten (van aftrek van voorbelasting). Maar vervolgens blijkt dit dan toch een Pyrrhus overwinning te zijn. En daarmee de uit overwegingen van doelmatigheid, behoorlijk bestuur en goed koopmansgebruik handelend belanghebbende (dan wel de namens belanghebbende betrokken ambtenaren) in verwarring achterlatend. Het oordeel van het Hof is op dit punt onnavolgbaar, niet naar behoren gemotiveerd en (aldus) onbegrijpelijk.
- 3.
Met dit te overwegen en te oordelen komt het Hof echter ook in strijd met jurisprudentie uw Hoge Raad, met name het arrest van 10 oktober 2008, nr. 41.570. Gezien het feit dat belanghebbende ook een grote sfeer van niet-ondernemerschap heeft en het verweer dat de Belastingdienst steeds heeft gevoerd met als strekking dat belanghebbende niet zou hebben gehandeld in de kwaliteit van btw-ondernemer, geldt dat juist het door het Gerechtshof te dezen wel erkennen van belanghebbende als btw-ondernemer tot gevolg had moeten hebben dat belanghebbende dan ook aanspraak van voorbelasting zou hebben gehad voor het geheel van de voorbelasting die toerekenbaar was aan de handeling waarvoor zij door het Gerechtshof werd erkend en geplaatst in de btw-ondernemingssfeer. 3.
- 4.
Het Hof overweegt ook (kennelijk met het oog op de vaststelling van het beoogde gebruik) dat de integratieheffing van toepassing zou zijn indien geen sprake zou zijn geweest van een btw-belaste levering en dat belanghebbende om die reden in de betreffende tijdvakken de aanspraak op btw-aftrek had moeten maken. Maar hetgeen het Hof hier overweegt is onbegrijpelijk en kan op geen enkele wijze het oordeel dragen. In de eerste plaats was de integratieheffing niet meer van toepassing op het moment waarop de onroerende zaak aan belanghebbende werd opgeleverd en zij (met de levering) haar prestatie verrichtte (artikel 3, eerste lid, onderdeel h Wet OB verviel m.i.v. 1 januari 2014). En in de tweede plaats is hier sprake van een merkwaardige cirkelredenering: belanghebbende had aldus volgens het Hof achteraf kijkend in 2012/2013 BTW in aftrek moeten brengen op gronden waarvan reeds vast staat dat die grond voor het aftrekrecht door de wetswijziging zou zijn weggevallen, maar het Hof ontzegt belanghebbende hetzelfde recht op aftrek vervolgens terwijl zij ook vaststelt dat belanghebbende deze goederen en diensten heeft gebezigd voor een btw-belaste prestatie. Het oordeel van het Hof is op dit punt eveneens onbegrijpelijk.
Ook deze gronden dienen derhalve tot cassatie te leiden. In het licht van uw arrest van 10 oktober 2008 (aangehaald) menen wij dat u de zaak zelf kunt afdoen. En anders menen wij dat verwijzing dient te volgen.
Conclusies
De voorgestelde cassatiemiddelen leiden alle en voor zichzelftot vernietiging van de uitspraak van het Gerechtshof en bijgevolg tot vernietiging van beschikking geen teruggaafen naheffingsaanslag omzetbelasting die in geding zijn.
Verzoek om proceskostenvergoeding
Wij verzoeken u op de voet van artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht om een proceskostenvergoeding.
Hoogachtend,