Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.5.5.b
VII.5.5.b De voorwaarden voor een kort gedingprocedure
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS377348:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 22 januari 1982, NJ 1982, 505 m.nt. WHH (Vereniging Nederlandse Ziekenhuizen/ Fysiotherapeuten).
Groffen in noot sub 2 onder Pres. Rb. Breda 13 maan 1998, JOR 1998/61 (Wighers/De Jong); en Van Hassel (2005), p. 118.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 12.
Instemmend: Leijten (2000), p. 9.
In Grmic (Vrz. Rb. Arnhem 19 september 2007, JOR 2007/266 m.nt. Bulten) noemt de rechter in ro. 4.3 nog een derde voorbeeld van een bijzondere omstandigheid: het doorbreken van een impasse. Dit is volgens mij echter een situatie die in een normaal, niet-spoedeisend geval aanleiding zou kunnen geven voor uitstoting. Een impasse is voor een uitstoting in kort geding onvoldoende. Zie echter de Konsensus-uitspraak (Hof Den Haag 31 januari 2006, JOR 2006/175 m.nt. Bulten), waarmee ik mij niet kan verenigen.
Hof Amsterdam 11 maart 2004, JOR 2004/190 m.nt. Bulten (Pito/Booij).
Zie HR 8 januari 1965, NJ 1965, 162 m.nt. PHS (ETBI/Behangselpapierfabrikanten). De Hoge Raad overwoog dat de aard van het kort geding meebrengt dat een rechter de vrijheid heeft de voorziening te weigeren, `(...) indien hij van oordeel is, dat hij binnen het kader ener behandeling in kort geding zich het voor het geven van een verantwoorde beslissing vereiste inzicht in de zaak niet kan verschaffen (...).'
Pres. Rb. Rotterdam 18 juni 1990, NJ 1991, 197 (Zegers), m.5.1.
De eerste drie voorwaarden kwamen kort aan de orde in § VII.5.2 over art. 254 Rv.
(i) De aard van de maatregel
Het eerste element is de aard van de maatregel. De overdracht van de aandelen is bij wijze van onmiddellijke voorziening mogelijk. Wel is sprake van een bijzondere voorziening. De feitelijke gevolgen zijn vaak onomkeerbaar. Ik ben van mening dat er voor het verkrijgen van een dergelijke voorziening zwaardere eisen gelden. Deze eisen zijn vergelijkbaar met de veroordeling tot het betalen van een geldsom, veelal bij wijze van voorschot op schadevergoeding. Zo'n voorziening kan in kort geding worden gegeven, maar de Hoge Raad geeft aan dat terughoudendheid op z'n plaats is. De terughoudendheid komt terug in de voorwaarde dat onverwijlde spoed geboden is, en er voor de rechter een verzwaarde motiveringsplicht geldt.1
In de literatuur is aangevoerd dat toepassing van de geschillenregeling in kort geding niet mogelijk is vanwege het onteigeningskarakter van de uitstoting. Groffen stelt dat onteigening slechts kan geschieden bij of krachtens de wet (art. 14 Gw). Het recht op eigendom, zoals neergelegd in art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, staat volgens hem een inbreuk bij wijze van voorlopige voorziening niet toe. Van Hassel schreef dat haar negatieve antwoord op de vraag of de kort gedingprocedure zich leent voor de geschillenregeling haar 'gedeeltelijk (is) ingefluisterd door de wetgever'.2 Bij de totstandkoming van de geschillenregeling wees de toelichting er namelijk op dat sprake is van een `onteigeningskarakter'.3 Ik merk op dat de minister het woord `onteigeningskarakter' tussen aanhalingstekens plaatst. Nu de samenstelling met 'karakter' is gehanteerd, is mijns inziens niet een pure onteigening bedoeld. Voorts wordt de term gebruikt in verband met de aansluiting bij het gemene recht: het is de rechter (en niet de deskundige) die uiteindelijk de waarde van de aandelen vaststelt. Ik zie niet in dat deze passage in de toelichting afdoet aan de mogelijkheid van analoge toepassing van de geschillenregeling in kort geding. Zie ook § 11.4.1 over het `onteigeningskarakter.'
Ook anderszins kunnen de bedenkingen van Groffen en Van Hassel mij niet overtuigen. Het `onteigeningskarakter' brengt mee dat er verzwaarde eisen moeten worden gesteld met betrekking tot de spoedeisendheid van de zaak en aan de motiveringsplicht van de rechter. Indien de rechter voorziet dat een andere uitkomst in een bodemprocedure niet uiterst onaannemelijk is, kan hij bij wijze van voorzichtigheid nadere bevelen treffen om er voor te zorgen dat de aandelen eenvoudigweg 'weer terug kunnen' naar de gedaagde aandeelhouder. Hij kan de verkrijger bijvoorbeeld verbieden de aandelen aan een derde over te dragen.
(ii) De voorzieningenrechter is bevoegd
De bevoegdheid van de voorzieningenrechter kwam in de algemene bespreking van art. 254 Rv in § VII.5.2.a eveneens ter sprake. Bij kort gedingprocedures zijn er eigenlijk nauwelijks beperkingen met betrekking tot de (relatieve) bevoegdheid. Het verbaast ook niet dat iedere geadieerde rechter zich tot op heden bevoegd achtte van de overdrachtsvordering kennis te nemen.
(iii) Spoedeisendheid en bijzondere omstandigheden
De aanwezigheid van een normale procedure brengt mee dat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden overdracht in kort geding is toegestaan. Er moet uiteraard sprake zijn van een bepaalde mate van spoedeisendheid. De invulling van de twee elementen van spoedeisendheid en bijzondere omstandigheden, is terug te voeren op hetzelfde feitencomplex. Daarom zie ik ze als één voorwaarde. De rechter in kort geding past terughoudendheid, ook omdat er een gewone civiele procedure voorhanden is. Daarom dient hij deze voorwaarde extra zorgvuldig te toetsen en uitdrukkelijk te motiveren waarom hij de voorziening in die situatie gerechtvaardigd acht.4
Uit de zaak Wighers/De Jong volgen twee voorbeelden van zeer bijzondere omstandigheden, die vaak samenvallen: het voortbestaan van vennootschap is in gevaar en de werkgelegenheid dreigt weg te vallen. Deze voorbeelden zijn meermalen herhaald in de latere kort gedingjurisprudentie.5 Een voorbeeld van een afwijzing omdat niet aan voorwaarde (iii) werd voldaan vormt de casus Pito/Booij. Er was niet aannemelijk dat een faillissement op handen was, en de vordering strandde.6
(iv) Te complex
Een vierde voorwaarde geldt voor ieder kort geding en is terug te vinden in art. 256 Rv: indien de rechter ziet dat de zaak niet geschikt is voor een beslissing in kort geding, weigert hij de voorziening. Hiervan is sprake indien de zaak te ingewikkeld is. Als de rechter zich niet in staat acht een toereikende beoordeling in korte tijd te maken, is een bodemprocedure wellicht beter geschikt. Een verantwoord oordeel is vanwege de summiere behandeling in kort geding in zo'n geval niet te geven. De eisende aandeelhouder zal nul op zijn rekest krijgen, de zaak is te complex.7 Voorbeelden van afwijzing van de vordering omdat de feiten gemotiveerd werden betwist en de rechter zich dus geen goed beeld kon vormen, zijn de in § VII.5.4 besproken zaken HenZon en Pito/Booij. De opmerking van de rechter in de Zegerszaak is in dit verband een fraai voorbeeld van toetsing aan deze vierde voorwaarde:
`Immers is in het kader van het onderhavige kort geding, gelet op de complexiteit van de door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden (de raadslieden van partijen hebben ruim vier uur nodig gehad om de standpunten van hun cliënten nader toe te lichten, de door de raadsman van eisers aangevoerde feiten en omstandigheden zijn zijdens gedaagden gemotiveerd betwist) naar ons voorlopig oordeel niet wel mogelijk ons een oordeel te vormen over de vraag of in casu sprake was van zodanige gedragingen van gedaagden (....)8