Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/7.4.2.1.3
7.4.2.1.3 Rechtvaardiging
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971860:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 2.3 hiervoor.
Zie onder meer Handboek 1992, nr. 172.1; Handboek 2013, nr. 174.1; Maeijer 2000, p. 287; Maeijer 1984, p. 38; De Kluiver 2000, p. 239; Koelemeijer (diss.) 1999, p. 344-346; Raaijmakers 1991, p. 206-207; Verdam (diss.), 1995, p. 85-86; Pitlo/Löwensteyn 1978, p. 67-68; Asser/Kroeze 2-I 2021, nr. 226. Vgl. ook HR 31 december 1993, NJ 1994/436 m.nt. J.M.M. Maeijer (Verenigde Bootlieden), r.o. 4.3.3, waarin wordt verwezen naar “het bijzondere karakter van de vennootschap als samenwerkingsverband van aandeelhouders die tevens elkaars collega’s als werknemers van de vennootschap zijn”. Het Hof kwam tot een vergelijkbare overweging en hechtte daarbij belang aan “de belangen van de betrokken aandeelhouders en de vennootschap, op het sociale verband tussen hen en op de relatief geringe financiële offers zoals deze uit de stukken blijken van de grotere aandeelhouders ten einde de kleinere dezelfde deelnemersvrijstelling te gunnen ter voorkoming van hoge fiscale lasten” (r.o. 22 van het Hof, kenbaar uit NJ 1994/436). Deze overwegingen zagen overigens op het gelijkheidsbeginsel, hetgeen ook wel kan worden gezien als een uitvloeisel van artikel 2:8 BW (zie Van Schilfgaarde 1998, p. 22).
Vgl. Van Veen 2011, p. 130: “Een relevant verschil [met beursvennootschappen – PH] is dat bij joint ventures en andere besloten verhoudingen de aandeelhouders veel beter in staat zijn om elkaar op ieders gedrag aan te spreken en zo nodig maatregelen te treffen.”
HR 4 april 2014, JOR 2014/290 m.nt. R.G.J. de Haan (Cancun), r.o. 4.2.1. Vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6 (Nota naar aanleiding van het verslag), p. 12-13.
Zie hierover ook Van Schilfgaarde 2016, p. 156 e.v. en de verwijzingen aldaar. Zie anders onder meer Asser/Kroeze 2-I 2021, nr. 181.
Ik heb in hoofdstuk 2 reeds toegelicht dat informatierechten het gevolg zijn van de functiescheiding binnen de vennootschap, en dat die functiescheiding afhankelijk van de aard van de vennootschap anders kan uitwerken.1 In besloten verhoudingen zullen aandeelhouders in het algemeen meer betrokken zijn bij de vennootschap dan in open verhoudingen, als gevolg waarvan in besloten verhoudingen ook een minder sterke scheiding zal bestaan tussen kapitaal en leiding. Naarmate die scheiding zwakker wordt, is een breder en ruimer informatierecht van de aandeelhouder gerechtvaardigd.
Ik heb ook reeds toegelicht dat aandeelhouders in besloten verhouding veelal geen (reële) mogelijkheid hebben om het samenwerkingsverband te verlaten. Daarbij komt dat zij, mede als gevolg van hun betrokkenheid bij dat samenwerkingsverband en/of de achterliggende personen, zich meer loyaal aan de vennootschap zullen voelen. Zij zijn geen anonieme beleggers die zo nodig op korte termijn uitstappen, maar voelen zich verbonden met de vennootschap. Deze beide factoren verhogen in besloten verhoudingen de drempel om een exit te kunnen maken, zo die mogelijkheid al bestaat, waardoor het belang van de aandeelhouder bij de mogelijkheid tot uitoefening van zijn voice-rechten toeneemt. Immers staan hem dan geen andere middelen ter beschikking om zijn ongenoegen over de gang van zaken binnen de vennootschap te uiten. Ook dit rechtvaardigt een ruimere toegang tot informatie; zonder voldoende informatie zijn de voice-rechten van de aandeelhouder zinledig.
Overigens vormt de (besloten of open) aard van de vennootschap ook in meer algemene zin een belangrijk gezichtspunt bij de toepassing van artikel 2:8 BW.2 Betrokkenen bij een meer besloten vennootschap hebben meer zicht op, en dienen daardoor ook meer rekening te houden met, de belangen van de overige betrokkenen.3 Tegen deze achtergrond is goed verklaarbaar dat informatierechten buiten vergadering uitsluitend in de rechtspraak zijn aanvaard waar het zag op besloten verhoudingen, in het bijzonder joint ventures en familievennootschappen. Het bijzondere besloten karakter van familieverhoudingen rechtvaardigt in het bijzonder een ruimhartigere toepassing van artikel 2:8 BW en daarmee – ceteris paribus – ook een ruimer informatierecht. Tussen de betrokkenen in besloten verhoudingen die nauw samenwerken bestaat een vertrouwensrelatie: fraternitas. In open verhoudingen – doorgaans: beursvennootschappen – bestaat daarentegen minder ruimte voor de toepassing van vage, open normen.
Het principe dat binnen besloten verhoudingen meer ruimte is voor een subjectieve(re) benadering, terwijl bij een open verhouding eerder een objectieve benadering wordt gevolgd, vindt bredere toepassing. Ik wijs ter illustratie op de Cancun-beschikking van de Hoge Raad dat het vennootschappelijk belang mede wordt ingekleurd door de aard en inhoud van het samenwerkingsverband.4 In een besloten verhouding zal het belang van de vennootschap daardoor over het algemeen dichter tegen dat van de aandeelhouders aanliggen dan in een beursvennootschap, waarbij een ‘zuivere’ institutionele benadering voor de hand ligt. Ook is wel betoogd dat bij de interpretatie van bepaalde ‘interne’ statutaire bepalingen in besloten verhoudingen meer ruimte zou bestaan voor de (subjectieve) partijbedoelingen dan bij meer open verhoudingen.5