Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/11.3.5
11.3.5 Een verbod aan de vennootschap tot nakoming overeenkomst tast het recht op nakoming in beginsel niet aan
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366056:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie de conclusie van A-G Timmerman onder 4.35 bij HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 m.nt. Maeijer, JOR 2007/178 m.nt. Nieuwe Weme (ABN AMRO).
Zie par. 11.3.2.
Zie Compendium 2013, p. 304. Vgl. HR 19 oktober 2001, JOR 2002/1 m.nt. Blanco Fernandez (Utrechts Monumentenfonds). Vgl. ook Vgl. art. 2:135/245 lid 4 BW jo. art. 2:130/140 lid 1 BW in combinatie met Hof Amsterdam (OK) 22 maart 2002, JOR 2002/82 m.nt. Van den Ingh (RNA) en 6 juli 2006, ARO 2006/137 (TCA).
Zie par. 14.2.2.3 en 14.5 over de vraag in welke gevallen dat zo is.
Vgl. hetgeen in par. 4.1.3.1 werd opgemerkt over het ongelijkvloers kruisen van het contractenrecht en rechtspersonenrecht.
Art. 17 Grondwet.
HR 6 april 2012, NJ 2012/233 (Grand Café/Achmea).
Bijvoorbeeld met een beroep op onvoorziene omstandigheden (vgl. art. 6:258 BW), of met een beroep op de tekortkoming in de nakoming (vgl. art. 6:265 BW) van de uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende verplichtingen (art. 2:48 lid 1 BW) die mede ingekleurd kunnen worden door de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW (HR 16 februari 2007, NJ 2007, 256 m.nt. Maeijer, JOR 2007/112, m.nt. Van Veen en Van Wechem (Tuin Beheer), r.o. 3.6).
Zie par. 11.3.3.
Zie bijvoorbeeld Rechtbank Zwolle-Lelystad 27 juni 2012, JOR 2012/249 m.nt. Jager (Meepo).
In de TCA-beschikking richtte het verbod om de overeenkomst na te komen zich specifiek tot de vennootschap. In hoeverre de contractuele wederpartij daarvan gevolgen ondervindt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
Een verbod om de overeenkomst na te komen, tast de rechtsgeldigheid van de overeenkomst zelf in beginsel niet aan.1 De ondernemingskamer beschikt niet over vermogensrechtelijke instrumenten om de rechtsgeldigheid van de overeenkomst aan te tasten.2
In bijzondere omstandigheden kan een tertiair gevolg van de getroffen (onmiddellijke) voorzieningen echter zijn dat de rechtsgeldigheid van de overeenkomst wel wordt aangetast. Dat is het geval als de overeenkomst is aangegaan door middel van een besluit met direct externe werking,3 of indien de vraag of de rechtspersoon rechtsgeldig werd vertegenwoordigd bij het aangaan van de desbetreffende overeenkomst afhankelijk is van het bestaan van een besluit met indirect externe werking.4 De vernietiging van dat besluit kan dan het aangaan van de overeenkomst aantasten.5
Voor ogen moet voorts worden gehouden dat de gewone civiele rechter bevoegd is om te oordelen over de afdwingbaarheid van overeenkomsten. Deze kan oordelen dat het (rechtspersoonrechtelijke) verbod om de overeenkomst na te komen onverlet laat dat deze overeenkomst volgens de regels van het contractenrecht afdwingbaar is.6 Dat kan bijvoorbeeld leiden tot een schadevergoeding.
De ondernemingskamer kan een dergelijke gang naar de gewone civiele rechter ook niet verhinderen. Ook de bevoegdheid om onmiddellijke voorzieningen te treffen of de gevolgen van eindvoorzieningen te regelen, kan geen afbreuk doen aan het grondrecht dat niemand tegen zijn wil mag worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.7 Eén enkele uitzondering op deze regel wordt aanvaard, namelijk in het geval het recht op toegang tot de rechter wordt misbruikt. Daarvan is sprake als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.8 Die uitzondering doet zich niet voor als de ondernemingskamer het de vennootschap verbiedt om een overeenkomst na te komen.
Het bovenstaande laat onverlet dat de gewone civiele rechter geneigd zal zijn om gewicht toe te kennen aan een door de ondernemingskamer uitgesproken verbod. Een dergelijk verbod kan eraan bijdragen dat de gewone civiele rechter tot het oordeel komt dat geen nakoming van de desbetreffende overeenkomst kan worden gevorderd, omdat zulks de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In voorkomende gevallen zal een dergelijk verbod ook relevant kunnen zijn voor de beoordeling van een beroep op overmacht, of opschorting en ontbinding9 van de desbetreffende overeenkomst.
De ondernemingskamer kan dat in de hand proberen te werken door zelf een preliminair oordeel te geven over deze kwestie.10 Niet uitgesloten is echter dat de gewone civiele rechter het niet eens is met de ondernemingskamer, in het bijzonder niet indien de procedure bij de ondernemingskamer niet vlekkeloos is verlopen.11