Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.4.7.3
6.4.7.3 Overschrijding van de redelijke termijn
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS469279:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht Feteris, M.W.C., 1993, p. 582.
Zie voor een overzicht: Haas 2015, hoofdstuk 24, p. 229 e.v..
Hoge Raad 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309 (NJ 2000/721, r.o. 3.11, met noot De Hullu).
Aldus De Hullu in zijn noot bij NJ 2000, 721.
Hof Den Bosch 28 november 2013, r.o. 4.31, ECLI:NL:GHSHE:2013:5765 (V-N 2014/14.4). Zie ook Vakstudie, Algemeen deel, aantekening 4.8.7 bij artikel 8:73 Awb.
Hoge Raad 17 juni 2008, nr. S 01946/07, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 (NJ 2008, 358, met noot Mevis).
Hoge Raad 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191 (BNB 2009/201, met noot De Bont).
Hof Amsterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298.
Hof Den Bosch lijkt overigens Hof Amsterdam wel te volgen: Hof Den Bosch 29 december 2011 (ECLI:NL:GHSHE:2011:BW7409), maar bijvoorbeeld Rechtbank Den Haag (uitspraak van 22 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11033) weer niet.
Dit is vermoedelijk ook de reden dat in het BBBB nog steeds verwezen wordt naar de uitspraak van de belastingkamer van de Hoge Raad (paragraaf 6, lid 4 BBBB). Recent: Hof Arnhem-Leeuwarden 5 april 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:2859).
Zie voor een voorbeeld waarin het hof de rechtbank op dit punt corrigeert: Hof Arnhem-Leeuwarden 27 januari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:639.
Zie onderdeel 7 van de noot van Mevis in NJ 2008, 358.
Omschrijving
Op grond van artikel 6 van het EVRM en artikel 14 van het IVBPR moet berechting plaatsvinden binnen een redelijke termijn. Als deze redelijke termijn wordt overschreden, kan er volgens het EHRM reden zijn om de straf te verminderen.1 In navolging van het EHRM heeft de Hoge Raad vervolgens vuistregels geformuleerd voor matiging naar aanleiding van overschrijding van de redelijke termijn.2
Doel; schadevergoeding
De doelen van een voortvarende behandeling van een straf- of boetezaak zijn vrij divers. De strafkamer van de Hoge Raad verwees daarbij op 3 oktober 2000 onder andere naar het voorkomen van een onredelijk lange dreiging van een strafvervolging, de preventieve werking van bestraffing, de belangen van eventuele slachtoffers en verbleking van herinneringen van getuigen.3 Deze doelen kunnen echter bezwaarlijk in verband worden gebracht met het doel van de strafvermindering. In de strafrechtelijke literatuur is dan ook wel eens uitgesproken dat de “sanctievermindering [...] evenmin als echte oplossing [mag] worden gezien; het is slechts een onbevredigende compensatie voor een overschrijding die te betreuren blijft.”4
Deze uitspraak geeft echter tegelijkertijd aan wat wél als doel van de strafvermindering kan worden gezien, namelijk schadevergoeding. Door de niet te verklaren overschrijding van de redelijke termijn is de verdachte te lang blootgesteld aan de dreiging van de strafvervolging. Deze onrechtmatige overheidsdaad noopt tot vergoeding van de schade die de verdachte als gevolg van deze overschrijding heeft opgelopen. Deze schadevergoedingsgedachte volgt ook uit de visie van de belastingrechter, inhoudende dat wanneer de termijnoverschrijding alleen de boete betreft compensatie alleen plaatsvindt door middel van matiging en niet (ook) door een afzonderlijke vergoeding van de immateriële schade.5
Waardering en weging
Op 17 juni 2008 kwam de strafkamer van de Hoge Raad met enkele vuistregels omtrent strafmatiging in verband met overschrijding van de redelijke termijn bij de Hoge Raad zelf.6 Kort daarna volgde de belastingkamer van de Hoge Raad deze vuistregels voor wat betreft de bestuurlijke boeten:
“4.2.3. In de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden wordt de boete verminderd:
met 5% bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder;
met 10% bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden;
een en ander met dien verstande dat:
de omvang van de vermindering in deze gevallen niet meer bedraagt dan € 2500, en
geen vermindering wordt toegepast indien het gaat om een boete die minder beloopt dan € 1000. De Hoge Raad zal in een dergelijk geval volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, lid 1, van het EVRM.
4.2.4. In de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden zal de Hoge Raad naar bevind van zaken handelen.”7
Vervolgens is in het BBBB een verwijzing opgenomen naar dit arrest van de belastingkamer (zie paragraaf 6, lid 4) waardoor onderstreept wordt dat de inspecteur bij overschrijding van de redelijke termijn – ongeacht de fase waarin de boetebeoordeling zich bevindt – deze vuistregels heeft te hanteren.
Op 2 juli 2009 heeft het Hof Amsterdam8 een verfijning aangebracht op de vuistregels van de Hoge Raad:
“5.7.3.7. Aan het bieden van compensatie voor de uit de overschrijding voortvloeiende schending van artikel 6 EVRM hanteert het Hof voortaan de volgende uitgangspunten:
De boete wordt niet verminderd indien deze minder bedraagt dan € 200. In dat geval wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
In alle andere gevallen wordt de vermindering bepaald met behulp van de volgende tabel:
Overschrijding redelijke termijn
Vermindering
Maximale vermindering
0 tot 6 maanden
5%
€ 2.500
6 tot 12 maanden
10%
€ 5.000
1 tot 2 jaren
15%
€ 10.000
2 jaren en meer
20%
€ 20.000”
Deze uitgangspunten zijn op bepaalde punten soepeler dan de vuistregels van de Hoge Raad. Zo wordt niet alleen eerder aan matiging toegekomen, namelijk al vanaf € 200 in plaats van € 1.000, maar ook zijn de maximale matigingsbedragen hoger.
Overigens volgt uit nader jurisprudentie-onderzoek dat niet alle hoven de ruimere matigingsregels van Hof Amsterdam toepassen.9 Hof Arnhem-Leeuwarden lijkt vooralsnog vast te houden aan de vuistregels van de Hoge Raad.10 Dat lijkt mij niet bevorderlijk voor de rechtseenheid. Daarbij merk ik op dat het verschil in benadering door de hoven gevolgen heeft voor de door de inspecteur te volgen gedragslijn. Hij zal immers moeten anticiperen op hetgeen de rechter zal bevinden. Het zou mijns inziens dus wenselijk zijn als de hoven op korte termijn dezelfde matigingsregels zouden hanteren.
Opgemerkt wordt dat de matiging op grond van overschrijding van de redelijke termijn plaats moet vinden met betrekking tot het bedrag van de boete zoals dit is komen vast te staan na het ‘passend en geboden’-oordeel. Dit betekent dat de procentuele korting wordt berekend over de boete, nadat alle andere strafbeïnvloedende omstandigheden zijn verdisconteerd. Als bijvoorbeeld een vergrijpboete van 100% met 50% moet worden verminderd in verband met omkering van de bewijslast (zie hierna) en eveneens met 20% voor overschrijding van de redelijke termijn, dan bedraagt de boete uiteindelijk niet 30% (100% - 50% - 20%) maar 40% (100% - 50% = 50%. 20% van deze 50% is 10%).11
Strafrecht
Zoals ik hiervoor reeds vermeldde, gaan de strafkamer en de belastingkamer van de Hoge Raad uit van dezelfde uitgangspunten voor matiging van boeten bij overschrijding van de redelijke termijn. Beide hanteren bijvoorbeeld vergelijkbare percentages voor een te vergelijken mate van termijnoverschrijding en beide gaan uit van een maximale vermindering van € 2.500.
Maar is een gelijkschakeling tussen het strafrecht en het bestuursrecht op dit punt wel zo vanzelfsprekend? Het strafrecht gaat immers met een grotere mate van openheid gepaard dan een bestuurlijke boeteprocedure en de uitkomst kan leiden tot een strafblad. Daarnaast kan de strafrechter een hogere straf opleggen dan geëist, terwijl in het bestuursrecht het verbod op reformatio geldt. Een strafrechtelijke procedure van drie jaren kan dus aanmerkelijk meer psychisch leed veroorzaken dan een bestuursrechtelijke boeteprocedure die eveneens drie jaren in beslag neemt. Ik zou mij dan ook kunnen voorstellen dat de belastingkamer van de Hoge Raad een gematigder schadevergoedingsregime zou hanteren.
Daarnaast besteedt de strafkamer van de Hoge Raad aandacht aan enkele bijzondere aspecten van het strafrechtelijke sanctiestelsel, zoals de mogelijkheid van voorwaardelijke bestraffing en de cumulatie van hoofdstraffen.
In geval van cumulatie van hoofdstraffen heeft de strafkamer beslist dat de straffen verminderd worden naar de volgorde van artikel 9 Sr. Dit betekent dat bij meer dan een hoofdstraf de vermindering alleen betrekking heeft op de zwaarste hoofdstraf.12 Aangezien de geldboete de lichtste hoofdstraf is, zal deze dus alleen voor matiging in aanmerking komen als de geldboete de enige hoofdstraf is.
Daarnaast dient volgens de strafkamer een vermindering van de straf alleen te zien op het onvoorwaardelijke gedeelte van de straf. Als bij een enkelvoudige geldboete een gedeelte voorwaardelijk wordt opgelegd, dan wordt in geval van overschrijding van de redelijke termijn het betreffende percentage dus slechts berekend over het onvoorwaardelijke gedeelte van de geldboete.
Het bestuurlijke boeterecht kent noch punitieve alternatieven voor de bestuurlijke boete noch de mogelijkheid van voorwaardelijke bestraffing. Deze aspecten spelen dus geen rol bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn.