Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/2.5.2
2.5.2 Voorbeelden
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS594946:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In Engeland 'experimenteert' men bijvoorbeeld met de conditional fee agreement en een daaraan gekoppelde 'after the event' -rechtsbijstandverzekering. Marshall & Ahmedm 2001, p. 231-46, Tzankova & Weterings 2003, p. 30, Barendrecht & Van Zeeland 2003, p. 35-46.
In dat verband is vermeldenswaard de studie van Moorhead, Paterson & Sherr 2003 waar uiteenlopende soorten feitelijke gegevens en beschikbaar empirisch materiaal is gebruikt om de juistheid van de veronderstelling te testen of de kwaliteit van de dienstverlening door advocaten inderdaad hoger is. Hun conclusie lijkt dat het monopolie van de advocatuur niet ongewijzigd gehandhaafd kan worden.
Parker 1999, p. 39, Macdonald 2003, p. 17-22.
Een kleine greep uit voornamelijk tussen 1999-2005 verschenen literatuur over dit onderwerp: Weterings 2004, p. 108-10, Donner 2005 (waarin Minister Donner uitleg geeft, middels een brief aan de Tweede Kamer van 4 maart 2005, over zijn besluit om vernietiging door de Kroon te bevorderen van de door de Nederlandse Orde van Advocaten op 25 maart 2004 vastgestelde wijziging van de Verordening op de praktijkuitoefening), De Jong 2005, Barendrecht & Weterings, 2000, Van Dort 1999.
Een verbetering van de juridische informatievoorziening beoogt men te bereiken door de markt voor juridische diensten toegankelijker te maken via liberalisering en door de ontwikkeling te stimuleren van nieuwe instrumenten voor de financiering van juridisch advies. De infrastructuur voor juridisch advies wordt zodoende uitgebreid. Maatregelen die hieronder vallen betreffen de ontwikkeling van verschillende soorten rechtsbij standverzekeringen,1 het toestaan van samenwerkingsverbanden met niet-juristen, het geheel of gedeeltelijk opheffen van het procesmonopolie van de advocatuur,2 een grotere inzet van paralegals, het versoepelen of opheffen van advertentieverboden, het stimuleren van prijsconcurrentie binnen de beroepsgroep, het toestaan van no cure no pay en de verschillende varianten daarvan.3
Discussies over de (on)wenselijkheid van dergelijke maatregelen worden ook in Nederland gevoerd. Met name het al dan niet op beperkte schaal toestaan van no cure no pay heeft veel aandacht gekregen.4