Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/6.8.5:6.8.5 Causaal verband overdracht en faillissement
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/6.8.5
6.8.5 Causaal verband overdracht en faillissement
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS403493:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voornoemde zaak die voorlag bij het Court of Appeals (7th Cir. 2009) wilden de aandeelhouders van Oldco haar activa verkopen.1 De beoogde koper van de activa richtte ten behoeve van de koop een marginaal gekapitaliseerde vennootschap op: Newco. Newco kocht de activa van Oldco en betaalde haar daarvoor ruim 3 miljoen dollar. De opbrengst van de verkoop werd door Oldco direct als dividend uitgekeerd aan haar aandeelhouders. Deze 3 miljoen dollar werd door Newco bancair gefinancierd waarbij zij aan de bank zekerheden verschafte op alle verworven activa. Naast de contante betaling verstrekte Newco schuldbrieven aan Oldco ter waarde van bijna 3 miljoen dollar, waarvoor een tweede zekerheidsrecht op alle activa van Newco werd gevestigd. Vlak voor de effectuering van de gehele transactie had Oldco ook nog een dividend van 500.000 dollar uitgekeerd. Toen ruim drie jaar later Newco failleerde, trachtte de curator op grond van de fraudulent transfer-bepalingen de aan de aandeelhouders van Oldco betaalde dividenden ongedaan te maken. Na twee instanties kwam de zaak voor het Court of Appeals (7th Cir.), en dat liet er geen onduidelijkheid over bestaan dat ook in het geval van een activatransactie naar de materiële inhoud gekeken moet worden:
“An LBO can take the form of an asset acquisition […]. The purchase was nominally of the assets of [Oldco], but actually of the ownership of the company; for [Oldco] distributed the money it received in the sale forthwith to its shareholders and from then on existed only as a shell. [Newco] operated under the same name as its predecessor, and its trade creditors and other unsecured creditors were not even told about the transaction. That reticence would be normal if the stock of a corporation were sold, rather than its assets; but in a sale of its assets, the seller’s creditors would expect to be notified that they would henceforth be dealing with a different firm.”
Volgens het Court of Appeals was Newco vanaf haar oprichting uitgerust met een onredelijk klein vermogen:
“[Newco] started life almost with no assets at all, for all its physical assets were encumbered twice over, and the dividend plus [Newco’s] interest obligations drained the company of virtually all its cash. It was naked to any financial storms that might assail it.”
De aandeelhouders van Oldco voerden daartegen aan dat er een ruime periode van drie jaar had gelegen tussen de overname en het faillissement, en dat de oorzaak van de financiële problemen gelegen was in het beleid van het nieuwe bestuur van de vennootschap. Het Court of Appeals kon daardoor echter niet worden overtuigd:
“The interval was longer than in previous cases, but the defendants are unable to sketch a plausible narrative in which [Newco] could have survived indefinitely despite being cash starved as a result of the terms of the LBO that brought it into being. The fact that [the new owner] made mistakes in running the company does not weigh as strongly as the defendants think. Everyone makes mistakes. That’s one reason why businesses need adequate capital to have a good chance of surviving in the Darwinian jungle that we call the market.”
Het Court of Appeals gaf aan dat het vermogen van de vennootschap, om als redelijk te kwalificeren, de onderneming in staat moet stellen om tegenvallers op te vangen. Dat na de transactie voor de vennootschap nadelige fouten waren gemaakt, betekende niet noodzakelijkerwijs dat het causaal verband tussen de transactie en het faillissement ontbrak. Het Court of Appeals bevestigde daarom het oordeel van het Bankruptcy Court, dat het deel van de koopprijs dat in contanten was betaald aan Oldco en vervolgens was uitgekeerd aan haar aandeelhouders, een fraudulent transfer behelsde. Ook de schuldbrieven en het daarmee samenhangende zekerheidsrecht werden als fraudulent gekwalificeerd. Het Court of Appeals ging zelfs nog een stap verder dan de faillissementsrechtbank: ook het dividend van 500.000 dollar dat Oldco vlak voor de effectuering van de transactie aan haar aandeelhouders had betaald, was in de ogen van het Court of Appeals een fraudulent transfer.
“[T]he dividend represented 50 percent of [Oldco’s pre-sale] profits, which was unreasonably high given the cash needs of the business. [Oldco’s] owners drained it of cash – all unbeknownst to the corporation’s present and future unsecured creditors. These indications that the dividend was part of the fraudulent transfer rather than a normal distribution of previously earned profits – that it wasn’t an ordinary dividend but rather the withdrawal of an asset vital to the acquiring firm – were sufficient to place a burden on the defendants of producing evidence that it was a bona fide dividend, a burden they failed to carry.”