Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.6.3
7.6.3 Onrechtmatige gedraging
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS582374:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Bij de term wettelijke plicht moet gedacht worden aan verplichtingen die geen verbintenissen.opleveren. Zie Asser/Hartkamp(2006), nr. 34 en de daar vermelde verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 6, p. 614-615 (TM).
Parl. Gesch. Boek 6, p. 615 (TM).
Korsten & Van Wanroij 2008, p. 332.
Zie Smits 1940, p. 373 e.v. Zie voor een verdere behandeling van deze verschillende opvattingen Asser/Hartkamp 4-III (2006), nr. 52 en de dissertatie van Sieburgh: Sieburgh 2000. Zie voor kritiek op Sieburgh de bespreking van haar dissertatie door Van Boom 2001, p. 335341 en Van Dam 2001, p. 71-74.
Zie bijvoorbeeld Van Oven 1932, p. 509-512, Slagter 1952, p. 210; Van Dam 1989, nr. 71. In het Franse en Belgische recht geldt nog altijd het ongedeelde vereiste van de 'tante' of de 'fout'. In het Nederlandse recht kwamen onrechtmatigheid en toerekening als zelfstandige eisen in het BW van 1992 terecht. Zie over foutaansprakelijkheid en het 'duo-vereiste' onrechtmatigheid en schuld Van Dam 2000, nr. 101 e.v.
Bij gedragingen in strijd met het concentratietoezicht lijkt de kans dat een vordering uit onrechtmatige daad afstuit op het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW groter te zijn dan bij gedragingen in strijd met het kartelverbod of het misbruikverbod. Zie Mok 2003, p. 312 en mijn bespreking in § 7.6.7.
Zie Asser/Hartkamp 4-III (2006), nr. 34.
Zie Asser/Hartkamp 4-III (2006), nr. 35; Jansen (Onrechtmatige daad I), art. 162, lid 2, aant. 7 e.v.; Van Maanen 2006, nr. 32 e.v., p. 33 e.v. (in het bijzonder nr. 34, p. 35 e.v.); Hijma & Olthof 2008, nr. 408. Een subjectief recht kan in de woorden van Meijers worden gekarakteriseerd als een 'bijzondere door het recht aan iemand toegekende bevoegdheid die hem wordt verleend om zijn belang te dienen.' Zie Meijers in zijn Algemene Begrippen, p. 86. Zie ook Asser/Hartkamp 4-III (2006), nr. 35 en de daar vermelde verdere verwijzingen.
Zie art. 16 lid 1 van Verordening 1/2003.
Zie bijvoorbeeld Slot e.a. 2002, p. 38.
Zie voor argumenten voor het aannemen van formele rechtskracht van een besluit van de NMa bijvoorbeeld Pietermaat 2001, p. 106. Zie anders maar mijns inziens ten onrechte (een nadere motivering geef ik in § 9.6.7.4) in hetzelfde deel van de reeks Pijnacker Hordijk & Noë 2001, p. 75-90. Zie § 9.6.7.4 voor een nadere uitwerking van de vraag naar de formele rechtkracht van een besluit van de NMa.
Zie bijvoorbeeld het kort geding tussen KPN en nl.tree, waar het Hof 's-Gravenhage niet meeging met de informele zienswijze van de NMa omdat de NMa volgen het Hof onvoldoende onderzoek had gedaan en voornamelijk was afgegaan op informatie verstrekt door KPN. Hof 's-Gravenhage 11 maart 2004, NI 2004, 334 (KPN/nl.tree), r.o. 11.
Zoals bekend onderscheidt de wet in artikel 6:162 lid 2 BW drie handelingen die een onrechtmatige daad opleveren. Een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht en een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
Nu het EG-Verdrag en de Mededingingswet kartelvorming en en het misbruik maken van een economische machtspositie expliciet verbieden, kan het overtreden van de mededingingsregels worden gekwalificeerd als een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht. Met wettelijke plicht wordt bedoeld alle Nederlandse algemeen verbindende wettelijke voorschriften van publiekrecht en privaatrecht.1 Ook wetgeving in materiële zin valt dus onder deze categorie. Bepalingen van Europees mededingingsrecht vallen uiteraard eveneens onder de categorie 'een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht' .2 In mededingingszaken zal de onrechtmatige gedraging bijvoorbeeld bestaan uit een schending van ('een doen in strijd met') de wettelijke plicht zoals neergelegd in de artikelen 81 EG en 6 Mw of de artikelen 82 EG en 24 Mw. Het kan dan gaan om het aangaan van verboden mededingingsbeperkende overeenkomsten of afspraken (inclusief besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen) of het misbruik maken van een economische machtspositie.
Naast het kartelverbod en het verbod om misbruik te maken van een economische machtspositie kan ook worden gedacht aan een schending van de regels over het concentratietoezicht (§ 5.6). Zo kan het bijvoorbeeld gaan om het tot stand brengen van een concentratie voordat het voornemen daartoe is gemeld en de wachtperiode is verstreken, het schenden van aan een concentratievergunning verbonden voorwaarden (beperkingen) en verplichtingen (voorschriften) en het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens bij een aanvraag voor het tot stand brengen van een concentratie of bij een melding van een concentratie.3
Schending van een wettelijke plicht is in beginsel voldoende voor het doen vaststaan van de onrechtmatigheid. In de literatuur wordt hier ook wel anders over gedacht. Volgens de leer Smits zijn daden inbreukmakend op eens anders recht of strijdig met een wettelijke plicht slechts onrechtmatig, indien tevens in strijd is gehandeld met de zorgvuldigheidsnorm.4 Tevens bestaat er een stroming in de literatuur die niet alleen de onrechtmatigheidscriteria wil samenvoegen, maar ook onrechtmatigheid en toerekening wil samenvoegen.5
Indien voldaan is aan het criterium schending van een wettelijke plicht is toetsing aan de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm niet meer noodzakelijk, aannemende dat de wettelijke plicht ook strekt ter bescherming van het geschonden belang (relativiteit).6 Voor de gelaedeerde zal overtreding van een wettelijke norm over het algemeen ook eenvoudiger zijn te bewijzen dan schending van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm.7 Mocht een partij echter aansprakelijk worden gesteld voor een gedraging die niet in strijd is met het mededingingsrecht, maar wel in strijd is met de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, dan kan niet meer gesproken worden van privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht. Dat neemt niet weg dat het sluiten van een verboden kartelovereenkomst of het maken van misbruik van een economische machtspositie ook á snel in strijd zal zijn met de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm.
Van een inbreuk op een recht zal bij een inbreuk op de mededingingsregels niet snel worden gesproken, nu onder inbreuk op een recht wordt verstaan een inbreuk op een subjectief recht, waarvan de belangrijkste zijn de inbreuk op persoonlijkheidsrechten (recht op lichamelijke integriteit, huisrecht, vrijheid, eer en goede naam etc.) en vermogensrechten (eigendom, beperkte rechten, rechten op voortbrengselen van de geest en bijvoorbeeld de rechten van de huurder en de pachter).8
Wanneer een overeenkomst of afgestemde feitelijke gedraging reeds door de NMa of de Commissie strijdig is bevonden met de mededingingsregels, is de onrechtmatigheid voor de eiser in een civiele procedure aanzienlijk makkelijker te bewijzen. Ingeval een gedraging strijdig met het kartelverbod is bevonden in een beschikking van de Commissie of in een arrest van het GvEA EG of het HvJ EG, is de onrechtmatigheid daarmee (á dan niet voorlopig) reeds gegeven. Uitspraken van het HvJ EG, GvEA EG en de beschikkingen van de Commissie zijn bindend voor de nationale rechter.9 Aan een besluit van de NMa wordt daarentegen door het burgerlijk recht en de Mededingingswet geen bijzondere bewijskracht toegekend. Het beginsel van de gemeenschapstrouw speelt hier niet en ook de Masterfoods-jurisprudentie en artikel 16 lid 1 Verordening 1/2003 is in deze situatie niet direct van toepassing (zie § 5.4.8). De burgerlijke rechter komt op grond van artikel152 lid 2 Rv een grote vrijheid toe bij de waardering van het bewijs. In de praktijk zal de rechter gezien zijn geringe deskundigheid op het gebied van het mededingingsrecht veelal geneigd zijn het oordeel van de NMa te volgen,10 dit nog afgezien van het á veel besproken punt van de formele rechtskracht van een besluit van de NMa (zie uitgebreider § 9.5.7.4).11 Indien men van oordeel is dat de leer van de formele rechtskracht onder de gegeven omstandigheden niet van toepassing is, vormt een besluit van de NMa in ieder geval een belangrijk gezichtspunt bij de vorming van een oordeel door de burgerlijke rechter. Het zal veelal een overtuigend en doorslaggevend argument vormen dat door de eisende partij wordt ingebracht om de mededingingsinbreuk aan te tonen.
Een informele zienswijze van de NMa zal de rechter als goed begin van bewijs van een inbreuk kunnen beschouwen, maar duidelijk niet meer dan dat.12 Indien een NMa-besluit op tafel ligt waarin de NMa stelt dat een aantal marktpartijen de Mw hebben overtreden (door bijvoorbeeld met elkaar overeenkomsten te sluiten dan wel hun feitelijke gedraging af te stemmen met betrekking tot het te voeren prijsbeleid), dan is de onrechtmatigheid hiermee in beginsel gegeven (behoudens vernietiging in beroep) en vormt het besluit, zelfs indien men van oordeel is dat de leer van de formele rechtskracht niet van toepassing is, in ieder geval een overtuigend en doorslaggevend argument voor het aantonen van een mededingingsinbreuk.