Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.1
10.1 Inleiding en werkwijze
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491410:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
De fiscaal gefaciliteerde splitsing voor de splitsingspartners wordt in hoofdstuk 11 uitgebreid geanalyseerd en vervolgens in hoofdstuk 12 getoetst.
De fiscaal begeleide splitsing op het niveau van de (potentieel toekomstige) participanten en schuldeisers wordt inhoudelijk getoetst in hoofdstuk 13.
Strikt genomen is dit overigens een randvoorwaarde voor de toepassing van de splitsingsvoorschriften uit de Wet VPB 1969 en Wet IB 2001 als geheel, dus ook voor een splitsing met fiscale afrekening.
Deze deelvraag maakt onderdeel uit van de derde onderzoeksvraag. Zie onderdeel 1.4.
Het tot stand brengen van een fiscaal gefaciliteerde splitsing houdt voor de splitsende rechtspersoon in dat de splitsingswinst niet (of niet geheel) in aanmerking wordt genomen op het splitsingstijdstip. De belastingclaim verhuist in dat geval naar de verkrijger(s).1 Voor aandeelhouders, leden, schuldeisers, winstbewijshouders en optiehouders betekent een fiscaal begeleide splitsing dat de vervreemdingswinst niet in aanmerking wordt genomen op het splitsingstijdstip. De belastingclaim blijft in dat geval achter bij de betreffende (potentieel toekomstige) participant of schuldeiser, zij het dat deze (deels) wordt gekoppeld aan andere vermogenstitels (zoals aandelen) en vorderingen.2 Een fiscaal gefaciliteerde splitsing is zowel op het niveau van de splitsingspartners als op het niveau van de (potentieel toekomstige) participanten en schuldeisers alleen mogelijk ingeval aan drie randvoorwaarden is voldaan. In de eerste plaats dient sprake te zijn van een splitsing.3 In de tweede plaats moeten de splitsende rechtspersoon en de verkrijgende rechtspersonen voldoen aan de vestigingsplaatseis.4 In de derde plaats mag de splitsing niet in overwegende mate gericht zijn op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing (antimisbruikbepalingen).5 Dit kan als volgt in een schema worden samengevat:
In dit hoofdstuk staat de volgende deelvraag centraal:6
Dienen de randvoorwaarden voor het tot stand brengen van een fiscaal gefaciliteerde splitsing te worden verbeterd en zo ja, op welke wijze?
Deze deelvraag beantwoord ik door deze randvoorwaarden afzonderlijk (onderdelen 10.2, 10.3 en 10.4) te toetsen aan het toetsingskader bestaande uit de fiscaal-theoretische toets, de fiscaaltechnische toets en de toets aan hoger recht. Ik sluit af met een samenvatting en conclusies (onderdeel 10.5).