Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/6.9.1
6.9.1 De slapers
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687201:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
A.G. van Marwijk Kooy, ‘Enkele gedachten rond wet en Pension fund governance’, in: A.F. Verdam (red.), Ontwikkelingen rond pensioenen en pension fund governance, Deventer: Kluwer 2012, p. 58-59, noemde dit merkwaardig gezien het feit dat deze groep groter is dan de werknemers en gepensioneerden samen. Eveneens in A.G. van Marwijk Kooy, ‘De oudere werkende en pensioen’, in: G.J.J. Heerma van Voss en A.G. van Marwijk Kooy (red.), De oudere werkende en het sociaal recht, Deventer: Kluwer 2020, p. 244.
M. Heemskerk, Ondernemingsraad en pensioen, Amsterdam: VU Expertisecentrum Pensioenrecht 2010, p. 17; L.H. Blom, ‘Bestuur, medezeggenschap, verantwoording en intern toezicht’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 795-797.
R.A.C.M. Langemeijer, in: M. Dommerholt en J.R. Wirschell (red.), Tekst & Commentaar Pensioenwet, Vierde druk, Deventer: Kluwer 2012, artikel 109 Pensioenwet, aant. 2 en 3.
E.J. Henrichs, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen’, SR 2000/11, p. 338-339 en p. 341; R.H. Maatman en S.R. Schuit, ‘Versterking bestuur pensioenfondsen’, Ondernemingsrecht 2012/68. Henrichs wees er ook op dat er historisch aan kan worden getwijfeld of hun belangen wel goed worden behartigd omdat vóór inwerkingtreding van het gebod tot gelijke behandeling van gepensioneerden en slapers bij indexatie (zie paragraaf 4.3.8), de pensioenen van gepensioneerden vaak wel en die van slapers niet werden geïndexeerd.
P.M.C. de Lange, ‘Pensioenfondsen en hun bestuurlijke structuur in de Pensioenwet’, TPV 2007/5; P.M.C. de Lange, Wat is oud? Sfeerovergangen in het pensioenrecht, afscheidsrede uitgesproken op 23 januari 2009, Amersfoort: Sdu Uitgevers 2009, p. 25-26.
Kamerstukken II 2008/09, 31537, nr. 7, p. 9-10.
Kamerstukken I 2017/18, 33182, L, p. 4; hierover ook B. van Waveren e.a., ‘Evaluatie Wet versterking bestuur pensioenfondsen’, TPV 2018/24.
Wat zijn de onderwerpen waar de wet fundamenteel tekortschiet in het reguleren van de (mede)zeggenschap van de ex-werknemer? Het eerste tekort dat ik zou noemen is die andere ex-werknemer die er ten opzichte van de gepensioneerde in alle verbeteringen van de (mede)zeggenschap bij pensioenfondsen maar bekaaid vanaf is gekomen: de slaper. Ook in de laatste grote hervorming, de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, is aan hun positie nauwelijks aandacht besteed.1 Slapers hebben en hadden geen afdwingbaar recht op (mede)zeggenschap, waardoor het in de praktijk ook niet van de grond is gekomen.2 Als verklaring daarvoor is wel in de literatuur geopperd dat dit te maken kan hebben met het feit dat slapers bij indexatie toch al gelijk dienen te worden behandeld met gepensioneerden, er sinds 1994 een recht op waardeoverdracht is,3 en het organiseren van slapers praktisch moeilijk is en ook weinig plaatsvindt.4 Met name dit laatste punt is in de in paragraaf 6.6 besproken wetsgeschiedenis meermaals genoemd als groot bezwaar tegen (mede)zeggenschap van slapers. Met anderen5 meen ik dat het enkele feit dat deze omvangrijke groep zich niet heeft georganiseerd, geen reden is hen achter te stellen bij wél georganiseerde groepen.
Je kan redeneren dat als de belangen van slapers en gepensioneerden vrijwel parallel lopen (kort gezegd, behoud van rechten en indexatie), er geen echte noodzaak is tot (mede)zeggenschap voor slapers.6 Bij de toets van evenwichtige belangenbehartiging komt hun belang al tot uiting via het gepensioneerdenbelang. Die redenering zou ik willen omdraaien: als de belangen vrijwel parallel lopen, waarom komt de ene groep dan wel en de andere groep geen (mede)zeggenschap toe? Koşer Kaya en Blok zeiden in hun wetsvoorstel dat door de gelijke behandeling bij indexatie de gepensioneerden de facto slapers vertegenwoordigen.7 Ik denk dat historisch wel te verklaren valt waarom de focus steeds op gepensioneerden lag. Dit had in niet onbelangrijke mate te maken met het feit dat de wetgever bij de (mede)zeggenschap steeds zwaar leunde op de (georganiseerde) sociale partners. Wat de toekomst betreft zie ik geen reden waarom er niet een gezamenlijke zetel voor alle ex-werknemers in de (mede)zeggenschap bij pensioenfondsen zou dienen te zijn, zonder het relatief kunstmatige onderscheid tussen slapers en gepensioneerden. Het door de regering wel gehanteerde argument dat het houden van verkiezingen onder slapers zou leiden tot een toename van administratieve lasten8 is weinig overtuigend, geldt immers niet hetzelfde voor de gepensioneerden? Tot nu toe heeft de slaper op vrijwillige basis weinig (mede)zeggenschap kunnen verzilveren, maar het ligt niet voor de hand dat de wetgever hier het voortouw zal nemen.
De Code Pensioenfondsen zou een mooi medium zijn om op dit punt vooruitgang te boeken. Pensioenfondsen zullen zichzelf immers moeten afvragen in hoeverre alle belanghebbenden op een zo ‘evenwichtig mogelijke wijze vertegenwoordigd’ kunnen zijn zonder slapersvertegenwoordiging. Van de wetgever hoeft vooralsnog weinig te worden verwacht. Na de evaluatie van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen liet de minister weten het niet nodig of verstandig te vinden de vertegenwoordiging van slapers te verplichten.9 Zijn redenering was dat alle bestuurders aan evenwichtige belangenbehartiging moeten doen (en dus ook de belangen van slapers moeten behartigen) en er geen signalen zijn dat slapers zich ondervertegenwoordigd voelen. Die redenering is weinig overtuigend. Ik teken daarbij ook aan dat blijkens gegevens van DNB er in 2020 meer dan 9,6 miljoen gewezen deelnemers waren bij pensioenfondsen en iets meer dan 3,5 miljoen pensioengerechtigden.10