Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/3.3.6
3.3.6 Uitleg naar redelijkheid en billijkheid
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS583837:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie in deze zin ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI* 2010, nr. 368.
In deze zin ook Pitlo/Bolweg 1979, p. 249.
Voorzover zulks al niet zou volgen uit art. 6:2 lid 1 BW, hebben latere arresten als HR 15 februari 1991, NI 1991, 493 (RVS/Van Scharenburg) en HR 5 januari 2001, NI 2001, 79 (Nethou/Multi Vastgoed) duidelijk gemaakt dat deze uit de redelijkheid en billijkheid voortspruitende regel ook nadat een overeenkomst tot stand is gekomen, de rechtsverhouding tussen partijen onverminderd blijft beheersen. Vgl. Kornet 2006, p. 40 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI* 2010, nr. 392.
Deze gedachte weerklinkt ook in het arrest waarmee de Hoge Raad de CAO-norm introduceerde (HR 17 september 1993, NI 1994, 173 (Gerritse/HAS)). In r.o. 3.3 van dit arrest overweegt de Hoge Raad n.l.: 'Bij de totstandkoming van een dergelijke overeenkomst zijn de individuele werknemers niet betrokken, terwijl de individuele werkgever daarbij betrokken kan, maar niet hoeft te zijn. In het algemeen staan daarom aan de werknemers en werkgever, op wie de overeenkomst van toepassing is, bij het bepalen van inhoud en strekking daarvan geen andere gegevens ter beschikking dan haar tekst en de eventueel daaraan toegevoegde schriftelijke toelichting, die in deze zaak echter ontbreekt.' In zo'n situatie bieden redelijkheid en billijkheid geen ruimte voor het vertrouwen dat het in de CAO overeengekomene op een andere wijze behoort te worden verstaan dan voorzover blijkend uit de voor werknemer en werkgever toegankelijke tekst van de CAO en de eventuele toelichting daarop. Voor het gebruik van andere, niet bij een ieder bekende wetenschap is dan geen plaats: 'Dit brengt mee dat voor de uitleg van de bepalingen van een CAO, de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. Heeft de werkgever zelf aan de totstandkoming van de CAO meegewerkt, dan zal hij zijn eventueel daaraan ontleende bijzondere wetenschap te dier zake niet jegens de werknemer kunnen inroepen.'
In deze zin ook HR 3 september 2010, RvdW 2010, 973. Vgl. Reurich 2003, t.a.p.
Zie in deze zin ook Valk 2009, p. 397-400. Vgl. voorts HR 17 december 1976, NI 1977, 241, m. nt. G.J. Scholten en Vranken 1997, p. 1842.
Zie in deze zin reeds Eggens 1951, p. 257-279, m.n. p. 259-261 en p. 267. Vgl. Groene Serie Verbintenissenrecht, artikel 2 Boek 6 BW, aant. 72 (Vriend).
Vgl. Van Brakel 1948, t.a.p.
Vgl. Eggens 1951, p. 266. Vat men dit begrippenpaar (zoals vaak lijkt te gebeuren) niet (zozeer) op als een in het objectieve recht gewortelde gedragsnorm, maar enkel of primair als vage of open rechterlijke beslissingsnorm, dan wordt de rechter welbeschouwd 'zijn eigen redelijkheid en billijkheid': gevolg van deze visie is dat de rechter onder het mom van redelijkheid en billijkheid kan uitleggen zoals dit hem 'in redelijkheid' goeddunkt. Redelijkheid kan in zo'n geval een synoniem worden voor 'freies richterliches Ermessen' en een façade worden voor 'willekeur en wille-keuze'. De laatste term is ontleend aan Eggens 1949, p. 202.
Uitleg van het overeengekomene is niet voorbehouden aan de rechter, maar is primair een taak van partijen zelf te achten.1 Het zijn partijen die, om tot een zinvolle uitvoering van het overeengekomene te (kunnen blijven) komen, hun overeenkomst niet zelden op enig moment uit moeten leggen. Uitvoering van de overeenkomst en uitleg daarvan liggen daarmee in elkaars verlengde.2 Gelet hierop zal niet alleen die uitvoering moeten geschieden met inachtneming van de eisen van redelijkheid en billijkheid, maar wordt ook de uitleg van het overeengekomene door deze dwingende gedragsnorm beheerst en daarmee door de hiervoor genoemde verplichting voor partijen om met elkaars gerechtvaardigde belangen rekening te houden.3 Genoemde verplichting laat zich in het kader van uitleg nader formuleren tot de regel dat partijen over en weer rekening hebben te houden met het gerechtvaardigde vertrouwen dat zij bij elkaar hebben doen postvatten met betrekking tot de wijze waarop het overeengekomene behoort te worden verstaan. De eis van gerechtvaardigdheid brengt echter met zich dat niet ieder vertrouwen behoort te worden gehonoreerd.4 Redelijkheid en billijkheid eisen bijvoorbeeld geregeld dat men bij de wederpartij eerst navraag doet naar de door deze voorgestane betekenis van een contractsterm, alvorens met opname daarvan in het contract akkoord te gaan. Gaat men akkoord zonder deze navraag te doen, dan kunnen diezelfde redelijkheid en billijkheid vervolgens met zich brengen dat men de aldus geaccepteerde term in de door de wederpartij voorgestane zin tegen zich heeft te laten gelden, omdat door het eigen gedrag (het niet bij de ander informeren) bij de wederpartij het gerechtvaardigde vertrouwen is opgewekt dat de term in een bepaalde zin mocht worden opgevat.5 Voor gerechtvaardigd vertrouwen op de betekenis van een bepaalde contractsterm of -beding is derhalve steeds vereist dat men in de gegeven omstandigheden (het eigen gedrag daaronder begrepen) met rede(n) heeft vertrouwd.6
Niet het enkele, subjectieve vertrouwen van partijen op een bepaalde betekenis van het overeengekomene derhalve, maar de eisen van redelijkheid en billijkheid — en daarmee die van het objectieve recht- bepalen welke betekenis, gegeven het gedrag van partijen en de overige omstandigheden van het geval (hoedanigheid, aard van de overeenkomst, deskundige bijstand etc.), aan het overeengekomene moet worden toegekend.7 Omdat ook de rechter bij uitleg van het overeengekomene aan datzelfde objectieve recht gebonden is, bestaat er idealiter geen verschil in benadering tussen uitleg door laatstgenoemde en uitleg door partijen zelf.8 Beiden zullen bij die uitleg iedere persoonlijke voor- of willekeur moeten laten varen en beslissende betekenis moeten (laten) toekennen aan de omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.9