Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/3.4.3
3.4.3 Toezicht achteraf bij aangiftebelastingen
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS441134:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Scheltens, 1970, p. 22.
Wet van 18 december 1995, Stb. 1995, 659.
Zie bijvoorbeeld: HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5008, BNB 2011/43; HR 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ3351, BNB 2007/259; HR 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8147, BNB 2002/383; HR 17 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3766, BNB 1988/147; en HR 18 februari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AW7750, BNB 1987/161.
Zie onder andere: HR 4 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5152, BNB 1993/90.
Algemene Rekenkamer, 2016, p. 33.
Zie ook Van Lint, 2016, p. 35.
Zie o.a. Algemene Rekenkamer 2016, p. 99; Algemene Rekenkamer, 2007, p. 9 en 11; en Algemene Rekenkamer, 2005, p. 29-31.
Het streven naar efficiency of doelmatigheid is een permanente opdracht voor de Belastingdienst (https://over-ons.belastingdienst.nl/wp-content/uploads/2017/02/Handhavingsstrategie-Belastingdienst.pdf). De factor waarop dit ziet, zijn de uitvoeringslasten. Binnen de beschikbare middelen, wordt van de Belastingdienst verwacht dat hij zijn totale takenpakket zo doeltreffend en doelmatig mogelijk uitvoert. Naast deze interne doelmatigheid bestaat er ook een externe doelmatigheid. Dit is een algemeen streven naar een zo efficiënt mogelijke uitvoering van een belastingwet. Het houdt in dat de lasten die zijn verbonden aan een bepaald uitvoeringsniveau binnen bepaalde (norm)verhoudingen blijven. Zie: Reuvers, 1988, p. 59.
Wettelijk kader
De Belastingdienst heeft bij een aangiftebelasting (aanvankelijk) geen enkele bemoeienis met de voldoening of afdracht en met de berekening daarvan.1 Tenzij sprake is van vooroverleg, kan hij daardoor enkel achteraf vaststellen of een belasting- of inhoudingsplichtige het juiste belastingbedrag heeft aangegeven en betaald. Als blijkt dat de belasting, die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen geheel of gedeeltelijk niet is betaald, dan kan de inspecteur een naheffingsaanslag opleggen. Hiermee ontstaat een formele (rechtens invorderbare) betalingsverplichting voor het ten onrechte niet-voldane of niet-afgedragen bedrag (artikel 20, lid 1, AWR). Voor het opleggen van een naheffingsaanslag geldt een wettelijke termijn van doorgaans vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of een teruggaaf is verleend (artikel 20, lid 3, AWR). Deze termijn is al sinds de invoering 1959 in de AWR opgenomen. Dit betekent dat in gevallen waarin de belasting aan het begin van enig jaar verschuldigd is geworden, de Belastingdienst vervolgens ruim vijf jaar de tijd heeft om een naheffingsaanslag op te leggen. Een uitzondering hierop vormt de verkrijging van de economische eigendom van onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen. Sinds 1995 geldt in dat geval een naheffingstermijn van twaalf jaar (artikel 20, lid 4, AWR).2 Aangezien de Belastingdienst bij aangiftebelastingen enkel achteraf kan toezien of het juiste belastingbedrag is betaald, zijn de voorwaarden voor het opleggen van een naheffingsaanslag daardoor veel minder strikt dan in geval van een navorderingsaanslag (zie paragraaf 3.4.4). Dat betekent echter niet dat de Belastingdienst niet aan voorwaarden is gebonden. Zo moet hij, net als bij navorderen, rekening houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat betreft vooral het vertrouwensbeginsel3 en het zorgvuldigheidsbeginsel4.
Werkwijze Belastingdienst bij toezicht achteraf (aangiftebelastingen)
Bij het toezicht in het kader van aangiftebelastingen worden met behulp van geautomatiseerde risicoselectie verschillende gegevens over belastingplichtigen verzameld. Overigens geldt hierbij voor de aangiftebelastingen hetzelfde als voor de aanslagbelastingen, namelijk dat er niet sprake is van één toezichtproces voor alle aangiftebelastingen maar van verschillende processen per belastingmiddel die op hoofdlijnen overeenkomen. Op basis van de analyse van die gegevens worden de meest risicovolle aangiften geselecteerd voor nader onderzoek.5 Anders dan bij aanslagbelastingen is bij aangiftebelastingen geen sprake van een ambtelijk verzuim dat eventuele navordering verhindert. De Belastingdienst heeft daardoor bij aangiftebelastingen meer keuzevrijheid om te bepalen welke aangiften hij wel in het toezicht betrekt, zonder het risico te lopen dat, ingeval hij dat niet doet, hij later niet meer tot naheffing over kan gaan.6 Een risico (bijvoorbeeld een aangifte, een signaal, een bepaald onderwerp) vormt in de regel aanleiding voor het instellen van een (boeken)onderzoek. Dit om te beoordelen of de belastingplichtige zijn belastingschuld zelf juist heeft berekend.7 Vaak hebben boekenonderzoeken betrekking op meerdere belastingjaren tegelijk die daardoor in één keer kunnen worden beoordeeld. Dit brengt efficiencyvoordelen met zich mee voor de Belastingdienst.8 Een boekenonderzoek is in de regel echter arbeidsintensiever en dan de kantoortoetsing waarbij belastingambtenaren van achter het bureau aangiften en antwoorden op vragen(brieven) beoordelen. Achter een aangifte of brief kan echter een andere materiële werkelijkheid schuilgaan. In de regel kan dat alleen door middel van een boeken- of derdenonderzoek worden blootgelegd.