Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.5.1:III.5.1 Inleiding
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.5.1
III.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460511:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het antwoord op deze vraag is relevant voor de beoordeling of een leidinggevende kan worden aangemerkt als ‘pleger’ van een overtreding van een inrichtinggerelateerd voorschrift. Dit licht ik nader toe in par. III.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk onderzoek ik of het mogelijk is om een bestuurlijke sanctie op te leggen aan een leidinggevende voor een milieuovertreding. Een van de vragen die in dat kader moet worden beantwoord, is of de leidinggevende kan worden aangemerkt als normadressaat van het geschonden voorschrift.
In dit hoofdstuk ga ik in op de adressering van een type voorschrift dat van bijzonder belang is voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden: inrichtinggerelateerde voorschriften. Dit type milieunorm is zo belangrijk omdat vrijwel iedere onderneming met een milieuimpact van enige betekenis kan worden aangemerkt als ‘milieu-inrichting’, en het overgrote deel van de milieurelevante activiteiten van milieu-inrichtingen wordt gereguleerd door voorschriften zoals vergunningen en algemene regels. Wanneer de wens bestaat om een leidinggevende bestuursrechtelijk aansprakelijk te stellen voor het schenden van een inrichtinggerelateerd voorschrift, is het voor het kiezen van een passende overtrederschapsvorm en voor de beoordeling van het overtrederschap van de leidinggevende nodig om te achterhalen tot wie dit type voorschrift is geadresseerd.
In het strafrechtelijke hoofdstuk ben ik reeds ingegaan op de adressering van een aantal milieuvoorschriften uit veelvoorkomende milieudelicten, maar de adressering van de inrichtinggerelateerde voorschriften heb ik bewaard voor dit hoofdstuk. De reden daarvoor is dat het voor de beantwoording van de vraag wie verantwoordelijk is voor de naleving van de voorschriften die betrekking hebben op de milieurelevante activiteiten van inrichtingen nodig is om dieper te duiken in de systematiek, parlementaire geschiedenis en jurisprudentie met betrekking tot de Wet milieubeheer, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Omgevingswet. Daarom ligt het in de rede om de adressering van dit type voorschrift in het bestuursrechtelijke hoofdstuk te bespreken.
Deze paragraaf is als volgt opgebouwd. Voordat ik inga op de normadressaat van inrichtinggerelateerde voorschriften, breng ik in paragraaf III.5.2 eerst kort in herinnering wat normadressaatschap inhoudt. Vervolgens leg ik in paragraaf III.5.3 uit wanneer iets kan worden aangemerkt als ‘inrichting’, en daar komt ook aan bod wie de normadressaat is van de voorschriften die gelden voor een inrichting. Uit paragraaf III.5.3 blijkt dat inrichtinggerelateerde milieuvoorschriften zijn gericht tot de ‘degene die de inrichting drijft’, maar wie drijft de inrichting? In paragraaf III.5.4 ga ik dieper in op het drijversbegrip en de daarvoor ontwikkelde zeggenschapstoets. In dat kader beantwoord ik ook de vraag in hoeverre natuurlijke personen met een leidinggevende functie binnen een onderneming kunnen worden aangemerkt als ‘degene die de inrichting drijft’.1 Naar verwachting treedt in 2022 de Omgevingswet in werking, en dan wordt de milieu-inrichting ingeruild voor de ‘milieubelastende activiteit’ als aangrijpingspunt voor vergunningsvoorschriften en algemene regels. In paragraaf III.5.5 ga ik daarom nog in op deze systeemwijziging, en sta ik ook stil bij de gevolgen voor de adressering van normen die de milieuimpact van ondernemingen reguleren. Paragraaf III.5.6 bevat een tussenconclusie.