Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.5.2:IV.1.5.2. De vermindering, een eerste aanzet
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.5.2
IV.1.5.2. De vermindering, een eerste aanzet
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS577929:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Uitvoerig over de ‘verminderingsproblematiek’ van art. 4:120 BW, Handboek Nieuw Erfrecht (2002), F.W.J.M. Schols, p. 139 e.v.
De verhouding tussen legatarissen en quasi-legatarissen komt nader aan bod in par. 1.6.1 van dit hoofdstuk.
Nota van Wijziging, 27 021, nr. 6, p. 8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vermindering van art. 4:120 BW ziet, zoals in par. 1.5.1 van dit hoofdstuk reeds opgemerkt, slechts op verhaal op de nalatenschap en niet op de aansprakelijkheid van erfgenamen. Dit volgt uitdrukkelijk uit lid 5 van dit artikel.1
Een voorbeeld: A overlijdt. Hij benoemde tot zijn enige erfgenaam zijn broer B, die de nalatenschap aanvaardde. A had een schuld aan J groot 10. Hij schonk tijdens leven aan Z zijn zeilboot waard 100, onder de opschortende voorwaarde dat Z hem overleeft. A bedong dat hij de schenking te allen tijde kan herroepen. Hij legateerde aan X en Y ieder een bedrag groot 75. Zijn nalatenschap bestond uit goederenwaard 210, inclusief zeilboot.
Erfgenaam B constateert dat bij het overlijden J voor 10, Z voor afgifte van de zeilboot, waard 100, en X en Y ieder voor een bedrag 75 op de stoep van het sterfhuis staan. Ook J ziet dat de schulden van de nalatenschap in totaal groot zijn 260, terwijl er maar voor 210 aan activa in de nalatenschap zit. Er is een tekort van 50. Art. 4:120 lid 2 BW juncto art. 4:126 lid 1 BW geeft het volgende beeld. De legaten en het quasi-legaat worden verminderd. Vermindering werkt alleen in de verhouding tussen de legatarissen en de quasi-legatarissen onderling, zo volgt uit lid 5 van art. 4:120 BW. In beginsel geschiedt de vermindering naar evenredigheid, gelet op de herroepelijkheid van het quasi-legaat. Ik verwijs naar par. 1.6. van dit hoofdstuk. De (quasi-)legaten van X, Y en Z worden naar evenredigheid verminderd met totaal 50 in de verhouding 3:3:4. Dit zou betekenen dat de legaten van X en Y elk verminderd worden met 15 en het quasi-legaat van Z met 20. Voor de goede orde: erfgenaam B blijft aansprakelijk, ook voor het bedrag waarmee de legaten verminderd worden.
Stemt de vermindering J tot tevredenheid? Op zich hoefde hij al niet op grond van art. 4:120 lid 1 BW te concurreren met de legatarissen, omdat deze pas aan bod komen indien alle andere schulden van de nalatenschap daaruit ten volle kunnen worden voldaan. Wat hem tot tevredenheid zal stemmen is dat voor zijn concurrentiepositie waarschijnlijk ook de ‘begiftigde ter zake des doods’ Z als legataris wordt aangemerkt en hij hiermee niet hoeft te concurreren op grond van lid 1 van art. 4:120 BW. Dit is echter niet uitdrukkelijk geregeld in art. 4:126 BW. In art. 4:126 BW wordt slechts gesproken over vermindering, hetgeen de onderlinge verhouding tussen legatarissen betreft en niet slaat op lid 1 van art. 4:120 BW! Een verwijzing mede naar lid 1 van art. 4:120 BW zou de voorkeur verdienen.
J kan wellicht wel uit de voeten met de voorrangsregel van art. 4:7 lid 2 BW, waaruit blijkt dat J met zijn vordering (een schuld als bedoeld in art. 4:7 lid 1 onder a BW) op de eerste rang zit. Vreemd is evenwel dat schulden uit giften en andere handelingen die ingevolge art. 4:126 BW worden aangemerkt als legaten niet als zodanig, als ‘letter i schulden’, in deze rangorderegeling genoemd zijn. Het zal toch niet de bedoeling zijn dat voor de voorrangsregel van art. 4:7 lid 2 deze schulden ‘gewoon’ onder de schulden in categorie a vallen. Ik ga er van uit dat ook voor art. 4:7 lid 2 BW quasi-legaten als legaten worden aangemerkt.2 Dit staat nergens, maar kanwel afgeleid worden uit de strekking van de wetgeving (regeling in het kader van de schuldeisersbescherming) en uit de toelichting3 op art. 4:7 lid 2 BW:
‘[…] is de volgorde waarin de nalatenschapsschuldeisers ten laste van de nalatenschap worden voldaan als volgt: (1) schuldeisers als bedoeld in lid 1, onder a tot en met e, (2) somgerechtigden, (3 legitimarissen) en (4) legatarissen en quasi-legatarissen (curs. FS).’
Ook zou men nog kunnen betogen dat, omdat quasi-legaten in 4:7 lid 2 BW niet genoemd zijn, het quasi-legaat, samen met het legaat, de laagste rang heeft. Het niet vermelden doet echter niet recht aan het onderscheid tussen quasi-legaten en legaten wat betreft de voorrang. Ik verwijs naar par. 1.6.1 van dit hoofdstuk.
Met een soepel juridisch gemoed leidt dit alles niet tot problemen. Het zou echter fraai zijn de regelingen wat strakker op elkaar te laten aansluiten en de bochten niet zo kort maar wat ruimer te nemen.