Einde inhoudsopgave
De overeenkomst in het insolventierecht (R&P nr. InsR3) 2012/7.6.4
7.6.4 Géén doorfinancieringsplicht
mr. T.T. van Zanten, datum 14-09-2012
- Datum
14-09-2012
- Auteur
mr. T.T. van Zanten
- JCDI
JCDI:ADS386825:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kortmann & Faber 2007, p. 239.
De wijze waarop de regeling van art. 3.4.2 lid 2 thans is geredigeerd, schept verwarring. Zo gaat bijvoorbeeld Loesberg 2008, p. 247, er op basis van de tekst van art. 3.4.2 lid 2 vanuit dat de regels van lid 3 en lid 4 wél op kredietovereenkomsten van toepassing zijn.
Zie § 7.8.1.
In dezelfde zin: Loesberg 2008, p. 252.
Zou dit laatste argument bovendien niet evenzogoed kunnen worden omgedraaid en kunnen dienen ter onderbouwing van de — fictieve — stelling dat is afgezien van de opname van een doorleveringsplicht voor leveranciers van goederen of diensten, omdat de positie van de bewindvoerder door de oplegging van een doorfinancieringsplicht toch reeds gemakkelijker is dan die van de curator thans?
Zie Kortmann & Faber 2007, p. 239.
Eén aspect van de regeling van art. 3.4.2 is tot dusver nog niet aan de orde gekomen. In lid 2 is bepaald dat het eerste lid niet geldt ten aanzien overeenkomsten tot het verstrekken van krediet. De Toelichting vermeldt hierover:
`Door de beperking van het tweede lid geldt de beperking van de bevoegdheid van de wederpartij om op te schorten of te beëindigen niet bij kredietovereenkomsten. In het voorontwerp is afgezien van een verplichting tot doorfinanciering tijdens de afkoelingsperiode. In de praktijk levert de financiering van een levensvatbare boedel doorgaans geen echte problemen op. Voorts zal de positie van de bewindvoerder door de regeling van artikel 3.4.2 reeds gemakkelijker zijn dan die van de curator thans.' 1
Uit deze passage volgt in de eerste plaats dat de commissie niet alleen beoogt de regel van lid 1, maar tevens die van lid 3 en lid 4 uit te schakelen ingeval een kredietovereenkomst in het geding is. Het ligt in de rede dit expliciet in de regeling tot uitdrukking te brengen.2
In de tweede plaats moet worden geconstateerd dat de argumenten die door de commissie worden aangevoerd om kredietverschaffers geen doorfinancieringsplicht op te leggen, weinig overtuigend zijn. Dat de financiering van levensvatbare boedels `doorgaans geen echte problemen op[levert]', is geen reden ervan af te zien de wél bestaande problemen door middel van regelgeving weg te nemen, even daargelaten of die problemen in de praktijk inderdaad zo gering zijn als de commissie ze voorspiegelt.3 Bovendien is van belang dat niet steeds onmiddellijk duidelijk zal zijn of van een levensvatbare boedel sprake is.4 Ook de verwachting dat de positie van de bewindvoerder door de regeling van art. 3.4.2 reeds gemakkelijker zal zijn dan de positie van de curator thans, is geen reden om niet tevens kredietverschaffers enige tijd te verplichten hun contractuele verplichtingen te blijven nakomen.5
Bovendien wordt aldus miskend dat leveranciers voor ná de insolventverklaring verrichte prestaties zullen moeten worden betaald en wel — aldus de Toelichting — bij wege van 'boter bij de vis' 6 Zonder voortzetting van de kredietfaciliteit is dat in de regel niet goed mogelijk. Weliswaar wordt in de Toelichting opgemerkt dat de bewindvoerder voor de betaling van ná de insolventverklaring ontvangen prestaties ook zekerheid kan stellen, maar het vestigen van zekerheidsrechten ten behoeve van alle voor de voortzetting van de onderneming van belang zijnde leveranciers is in mijn optiek onnodig kostbaar en inefficiënt. Is bijvoorbeeld sprake van een onroerende zaak waarin een zekere overwaarde zit, dan ligt meer voor de hand dat die overwaarde aan de huisbankier in zekerheid wordt gegeven en met de daarmee te verkrijgen liquiditeiten de leveranciers worden betaald, dan dat ten behoeve van al die leveranciers een veelheid aan hypotheekrechten wordt gevestigd. Ook indien het bijvoorbeeld gaat om het vestigen van een pandrecht op nog te realiseren opbrengsten, ligt in de rede dat die opbrengsten door middel van één akte aan de bank worden verpand.
De vraag of de keuze van de Commissie-Kortmann om overeenkomsten tot het verstrekken van krediet van de regeling van art. 3.4.2 uit te sluiten terecht is, komt aan de orde in de volgende paragraaf.