Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/9.3.2
9.3.2 Onderscheid verklaringen en fysiek bewijs?
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498426:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 7.3 hiervoor.
Zie § 9.4.3 hierna.
EHRM 8 februari 1996 (John Murray t. Verenigd Koninkrijk), NJ 1996, 725 (m.nt. Knigge), § 46.
Zie onder meer EHRM 5 november 2002 (Allan t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2004, 262 (m.nt. Schalken (onder NJ 2004, 263)), § 51. Die omstandigheden blijken uit de stukken van de nationale strafprocedure en uit wat partijen in de klachtprocedure voor het Hof over en weer stellen.
Dit geldt temeer omdat het Hof bij de vaststelling of sprake is van schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting de andere twee toetsingsfactoren en ook publieke belangen (zie hoofdstuk 12 hierna) meeweegt. Dwang tot zelfbelasting staat weliswaar voorop, maar is niet doorslaggevend.
Bij mijn weten heeft het EHRM zich nog niet expliciet uitgelaten over de vraag of de toelaatbaarheid van de op de verdachte uitgeoefende dwang verschilt naar gelang de autoriteiten verklaringen of fysiek bewijs afdwingen. Ook anderszins volgt dit niet duidelijk uit zijn rechtspraak. Omdat het ijkpunt voor schending de wezenlijke aantasting van het recht tegen gedwongen zelfbelasting is, ligt differentiatie niet voor de hand.
Hier kan tegenin worden gebracht dat de op een verdachte uitgeoefende dwang om te verklaren, de meest verstrekkende inbreuk op het recht tegen gedwongen zelfbelasting is en (dus) eerder in strijd komt met het recht tegen gedwongen zelfbelasting dan geldt voor de gedwongen afgifte van ‘real evidence’. In Jalloh lijkt het Hof de lat voor wilsonafhankelijk materiaal ook (veel) hoger te leggen dan geldt voor verklaringen. Echter, in de zaken Funke, J.B. en Chambaz neemt het Hof ook ontoelaatbare dwang aan, zonder dat sprake was van schending van art. 3 EVRM.1 Anders dan in Jalloh was in deze zaken sprake van ‘verklarend’ bewijs respectievelijk een ruime meewerkplicht die, naast de aan de klagers opgelegde sancties (geldboete, dwangsom), ook dwang op hen uitoefende.2 Ook met inachtneming hiervan laten deze zaken mijns inziens ruimte te denken dat het omslagpunt tussen toelaatbare en ontoelaatbare dwang voor wils(on)afhankelijk materiaal, het omslagpunt voor verklaringen benadert (of daarmee zelfs gelijk is).
Vaststelling omslagpunt (on)toelaatbare dwang lastig vanwege concrete toetsing
Hier wreekt zich dat het Hof het niet zijn taak vindt om een abstracte analyse te geven van wat ontoelaatbare dwang oproept.3 Of de op een verdachte uitgeoefende dwang om bewijs tegen zichzelf te verschaffen het recht tegen gedwongen zelfbelasting wezenlijk aantast, beoordeelt het Hof op grond van de bijzondere kenmerken van de nationale procedure waarin de medewerking wordt afgedwongen en/of gebruikt, en de omstandigheden van het geval (‘compulsion inherent in the situation’).4 Dit maakt dat dwang vele verschijningsvormen kan hebben en ook dat het lastig is om vast te stellen welke mate van dwang in een concreet geval op de verdachte wordt uitgeoefend. Waar het omslagpunt tussen toelaatbare en ontoelaatbare dwang ligt, kan hoogstens bij benadering worden vastgesteld.5