Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/3.4.3
3.4.3 Artikel 6:140 BW leidt tot vervlechting
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS584087:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Onder meer Faber (2005) p. 180-181.
Zie reeds HR 10 januari 1975, NJ 1976, 249 m.nt. BW (`Standaardfilms').
Over de functie van de rekening-courant en de daaraan verbonden functies: Meijers (1921-1955) p. 72-80. Op p. 74 verwijst Meijers naar Levy, die wederkerige krediet-verlening beschouwde als het kenmerkende van de rekening-courant. Faber (2005) p. 182 noemt als doel het vereenvoudigen van de afwikkeling van betalingen tussen de bij de rekening betrokken partijen. Over verrekening als zekerheidsinstrument Van Erp (1997) p. 307310. Over de rekening-courant als vorm van verrekening zie onder meer De Grooth (1948); Bregstein (19331960) p. 481-503; Teixeira de Mattos (1967); Mijnssen (1995) en Rank (1996) i.h.b. p. 221-227.
HR 26 januari 2001, NJ2002, 118 m.nt. JH en JOR 2001, 51 (`Standard-ING').
Van Erp (1997) p. 307-310, Faber (2005) p. 1-2.
HR 10 januari 1975, NJ 1976, 249 m.nt. BW (`Standaardfilms'). Het leerstuk is verder tot ontwikkeling gekomen in onder meer HR 8 juli 1987, NJ 1988, 104 m.nt. G (`Loeffen q.q.-BMH I'); HR 7 oktober 1988, NJ 1989, 449 m.nt. JBMV (`Amro-Curatoren THB'); HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 m.nt. WMK (`Mulder q.q.- CLBN'). Zie hierna hoofdstuk 7.
Hoofdstuk 2, par. 5.3.
In hoofdstuk 7, par. 2 komen de grenzen aan de orde die Hoge Raad heeft gesteld aan verrekening door de bank in het zicht van en tijdens het faillissement van een rekeninghouder.
Hoofdstuk 7, par. 4.
Hoe verhouden de giro-overeenkomst en de kredietfaciliteit zich tot elkaar? Binnen de kaders van de heersende leer blijven deze beide verscholen achter de toepassing van artikel 6:140 BW, de rekening-courant. Het artikel voorziet in de doorlopende verrekening van rechtswege van schulden en vorderingen. Deze toepassing is een direct gevolg van de opvatting dat het girale betalingsverkeer obligatoir van aard is en de bank en haar rekeninghouder, als uitvloeisel van de afwikkeling van betalingen, over en weer doorlopend schulden en vorderingen op elkaar verkrijgen. In deze paragraaf vergelijk ik de toepassing van artikel 6:140 BW op de rechtsverhouding die toegang geeft tot het girale betalingsverkeer (de 'bankrekening-courant', een bankrekening in de zin van artikel 6:1 1 4 BW) en andere rekening-courantverhoudingen (de 'reguliere rekening-courant', bijvoorbeeld tussen twee kooplieden). Het blijkt dat de bankrekening-courant op diverse onderdelen afwijkt van een reguliere rekening-courant. Deze afwijkingen zijn nauw verbonden met de aard van het betalingsverkeer en de twee hoedanigheden die de bank daarin aan kan nemen: die van intermediair en die van schuldeiser.
Ik begin met de aard van de vorderingen die in een betaalrekening-courant worden opgenomen. Naar wordt aangenomen behouden vorderingen in rekening-courant hun identiteit.1 Er is geen sprake van novatie. Vorderingen die deel uitmaken van het saldo van een rekening-courant blijven voortbestaan tot het moment waarop zij als gevolg van verrekening tenietgaan. Dat betekent dat eventueel aan die vordering verbonden nevenrechten tot dat moment blijven voortbestaan. Dit identiteitsbehoud is echter bij de bankrekening-courant niet van toepassing aangezien daarin geen reeds bestaande vorderingen worden opgenomen. Het gaat in de heersende leer om vorderingen die hun bestaan ontlenen, als rechtsfiguur sui generis, aan de schuldigverklaring door de bank of opdracht tot overschrijving door de rekeninghouder. De bankrekening-courant onderscheidt zich voorts door het feit dat de daarin opgenomen schulden niet uitsluitend zijn te herleiden tot betalingsverplichtingen tussen de beide partijen bij die rekening-courant. De rol van de bank als intermediair in het betalingsverkeer brengt met zich mee dat bijschrijvingen overwegend hun grondslag vinden in opdrachten van derden. Deze derden geven opdracht tot een bijschrijving om daarmee hun geldschuld aan de rekeninghouder na te komen.2
Ten tweede de functie van de betaalrekening-courant. In de literatuur is de rekening-courant met uiteenlopende functies in verband gebracht, zoals wederzijdse kredietverlening, vereenvoudigde afwikkeling van betalingen tussen partijen of een instrument tot zekerheid.3 Van wederzijdse kredietverlening zou wellicht sprake kunnen zijn indien een langere termijn verbonden is aan een periodieke afrekening van vorderingen in rekening-courant (bijvoorbeeld eenmaal per kwartaal) dan de betalingstermijn verbonden aan de afzonderlijke vorderingen voordat deze in rekening-courant werden geboekt (bijvoorbeeld veertien dagen na factuurdatum). De rekening-courant krijgt daarmee de trekken van een leverancierskrediet. Bij een betaalrekening-courant kan echter geen sprake zijn van een wederzijds krediet. Het debetsaldo is dan wel een uitdrukking van het bedrag dat de rekeninghouder van zijn bank heeft geleend (de bank als kredietverschaffer), maar een creditsaldo vormt daarentegen geen afspiegeling van een som geld die de rekeninghouder aan zijn bank heeft geleend Immers, de rekeninghouder behoudt de mogelijkheid om langs girale weg derden met dit tegoed te betalen. Evenmin kan worden gezegd dat de bankrekening-courant dient ter afwikkeling van betalingen tussen de bank en de rekeninghouder. De primaire functie van de rekening-courant is juist gelegen in de afwikkeling van betalingen tussen de rekeninghouder en derden. Uiteraard kan de rekeninghouder ook een betalingsverplichting hebben aan de bank en deze in de betaalrekening-courant voldoen. Als uitgangspunt geldt dat aan iedere debitering een opdracht van de rekeninghouder ten grondslag moet liggen, dus ook voor wat betreft betalingen aan de bank. Zo mag de bank vorderingen die zij heeft of meent te hebben op de rekeninghouder op grond van een onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking niet ten laste brengen van de betaalrekening-courant.4 De volgende functie van de rekening-courant, die van zekerheidsinstrument, is verbonden met het rechtskarakter van verrekening als zodanig. Omdat verrekening een bijzondere wijze is van voldoening van een schuld, vindt een schuldeiser in zijn schuld een zekerheid voor de voldoening van zijn vordering door de debiteur.5 De bank kan aan deze functie in beginsel een voordeel ontlenen. Door haar rol als intermediair in het betalingsverkeer, beschikt de bank over een bron waaruit doorlopend potentieel verrekenbare vorderingen opwellen. Telkens als een derde een overschrijving verricht aan de rekeninghouder, is de bank gehouden zich voor een gelijk bedrag schuldig te verklaren jegens de rekeninghouder. Indien de bank deze aldus ontstane schuld vervolgens zou mogen verrekenen met vorderingen die zij heeft op de rekeninghouder, wordt de bank in een feitelijk preferente positie geplaatst. Met andere woorden: de rekening-courant vervlecht in deze gevallen de rol van intermediair met die van schuldeiser en wel op een zodanige wijze dat onder omstandigheden sprake kan zijn van een inbreuk op het beginsel van de paritas creditorum. In een reeks van arresten heeft de Hoge Raad daarom een aantal beperkingen aangebracht op het recht van de bank om in het zicht van en tijdens het faillissement van de rekeninghouder te mogen verrekenen. Ik kom daar nog op terug.6 Hier is het vooral van belang te constateren dat de feitelijk preferente positie van de bank niet alleen voortvloeit uit haar feitelijke positie in het betalingsverkeer, maar ook het resultaat is van deze positie tezamen met de toepassing van de regels van de rekening-courant op de rechtsverhouding tussen bank en rekeninghouder.
Als derde karakteristiek van de betaalrekening-courant wijs ik op de gevolgen die artikel 6:140 BW heeft voor de wijze waarop in het girale betalingsverkeer een vermogensovergang wordt afgewikkeld. Indien partijen tot elkaar staan in een rekening-courantverhouding, zijn zij over en weer slechts het saldo verschuldigd van de vorderingen en schulden die in de rekening-courant zijn opgenomen. Voor de betaalrekening-courant heeft dat tot gevolg dat binnenkomende betalingen worden verrekend met een eventuele schuld. Uitsluitend het residu staat na verrekening ter vrije besteding aan de accipiënt. Dat is een opmerkelijke volgorde. Opmerkelijk, omdat deze volgorde niet goed verenigbaar lijkt te zijn met het algemeen aanvaarde uitgangspunt dat een girale vermogensverschuiving plaatsvindt rechtstreeks tussen de solvent en accipiënt, en de bank slechts fungeert als intermediair.7 In de hoedanigheid van intermediair kunnen, zo mag worden verwacht, de bank geen aanspraken toekomen op geld dat voor de rekeninghouder bestemd is. De rol van intermediair impliceert dat de bank een bedrag dat door derden wordt overgemaakt in beginsel volledig aan de rekeninghouder ter beschikking stelt, tenzij zij uitdrukkelijk de bevoegdheid heeft verkregen een deel van dit bedrag in te houden, bijvoorbeeld als vergoeding voor de overschrijving. Pas nadat de bijschrijving heeft plaatsgevonden mag de bank, nu echter in de hoedanigheid van schuldeiser, van de rekeninghouder verlangen dat hij zijn schuld aan de bank aflost. In de praktijk zal de rekeninghouder zich daartoe bij voorbaat obligatoir hebben verbonden door in te stemmen met een daartoe strekkend beding in de rekeningvoorwaarden. Deze twee stappen, dus het ter beschikking stellen door de bank aan de rekeninghouder en de aflossing door de rekeninghouder aan de bank, plaats ik hier nadrukkelijk na elkaar, maar ze zullen doorgaans feitelijk op één moment samenvallen. In het gros van de gevallen levert mijn benadering materieel eenzelfde resultaat op als thans wordt bereikt door middel van verrekening. Er zijn echter enkele uitzonderingen. In het onderscheid tussen de twee hoedanigheden van de bank en de daarmee samenhangende volgorde van de girale betaling kunnen belangrijke aanknopingspunten worden gevonden voor de regulering van verhaal op giraal geld en de positie daarbij van de bank.8
De voorgaande vergelijking toont aan dat de bankrekening-courant verschilt van de reguliere rekening-courant. Deze verschillen zijn te herleiden tot het feit dat de bankrekening-courant toegang verschaft tot het girale betalingsverkeer en de bank daarbij zowel als intermediair en als schuldeiser kan optreden. Echter, in plaats van het toepassen van artikel 6:140 BW om daar vervolgens weer beperkingen op aan te brengen, dringt zich de gedachte op om bij de betaalrekening artikel 6:140 BW geheel buiten beschouwing te laten en op zoek te gaan naar een alternatief. Een dergelijk alternatief ligt besloten in mijn kwalificatie van giraal geld. Ik kom daar op terug in hoofdstuk 7.9