Einde inhoudsopgave
Beschadigd vertrouwen 2021/7.5.1.1
7.5.1.1 Opzet en verloop van de regelingen
G.M. Kuipers MSc, datum 01-09-2021
- Datum
01-09-2021
- Auteur
G.M. Kuipers MSc
- JCDI
JCDI:ADS480862:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Regeling geluidwerende voorzieningen, Stcrt. 1983, nr. 100.
Binnen het zwaarst belaste gebied werd een aantal woningen aangekocht om te slopen: Kamerstukken II 1981/82, 17307, nr. 3, p. 4.
Stcrt. 1983, nr. 100.
Regeling geluidwerende voorzieningen 1997, Stcrt. 1997, nr. 47, p. 1.
Kamerstukken II 1986/87, 19631, nr. 5; Kamerstukken II 1989/90, 21660, nr. 1; Bouwens & Dierikx 1996, p. 383.
Kamerstukken II 1989/90, 21660, nr. 1; Stcrt. 1983, nr. 100.
Kamerstukken II 1989/90, 21660, nr. 1; Stcrt. 1983, nr. 100.
Eindevaluatie GIS-3 2012, p. 7.
Beleidsevaluatie GIS-3 2013, p. 9.
Beleidsevaluatie GIS-3 2013, p. 30.
Eindevaluatie GIS-3 2012, p. 7.
Eindevaluatie GIS-3 2012, p. 20.
Stcrt. 1997, nr. 47, p. 8-9.
Stcrt. 1997, nr. 47, p. 4-5.
Stcrt. 1997, nr. 47, p. 2-3.
Stcrt. 1997, nr. 47, p. 13.
Stcrt. 1997, nr. 47, p. 9.
Stcrt. 1997, nr. 47, p. 14.
Stcrt. 1997, nr. 47, p. 9-10.
Stcrt. 1997, nr. 47, p. 7.
Stcrt. 1997, nr. 47, p. 15.
Stcrt. 1997, nr. 47, p. 7.
Stcrt. 1997, nr. 47, p. 2.
Stcrt. 1997, nr. 47, p. 3, 10, 16.
Stcrt. 1999, nr. 223, p. 2.
‘Omwonenden Schiphol kunnen geld in plaats van isolatie kiezen’, De Volkskrant 23 juni 1999.
Wijziging Regeling geluidwerende voorzieningen 1997, Stcrt. 2001, nr. 44, p. 1.
Stcrt. 2001, nr. 44, p. 1-2.
Subsidieregeling geluidsisolatie of vervangende nieuwbouw specifieke panden, Stcrt. 2004, nr. 70, p. 2.
Stcrt. 2004, nr. 70.
Kamerstukken II 1990/91, 21946, nr. 7, p. 6; Rapport Algemene Rekenkamer 2004, p. 19; Audit Sanering woningen 1991.
Kamerstukken II 1990/91, 21946, nr. 7, p. 6; Rapport Algemene Rekenkamer 2004, p. 19; Audit Sanering woningen 1991.
Stcrt. 1997, nr. 47, p. 7; Kamerstukken II 2003/04, 29750, nr. 2, p. 21.
Kamerstukken II 2003/04, 29750, nr. 2, p. 15; Interviews betrokkenen 2020.
Rapport Algemene Rekenkamer 2004, p. 19.
Rapport Algemene Rekenkamer 2004, p. 7.
Rapport Algemene Rekenkamer 2004, p. 5.
Rapport Algemene Rekenkamer 2004, p. 6-7, 41-42.
Beleidsevaluatie GIS-3, Eindrapportage, Baarn: AT Osborne 2013, p. 61; ‘Feitenoverzicht isolatieproject Schiphol’, ANP 15 september 2004.
‘Honderden woningen rond Schiphol niet meer geïsoleerd’, ANP 15 september 2004; zie ook ‘Schultz betaalt 110 miljoen voor geluidsisolatie’, ANP 15 september 2004; overigens lijkt € 68 miljoen hiervan ‘coulance’ aangezien zo’n € 42 miljoen juridisch niet kon worden verhaald in verband met het te laat vaststellen van een tarief in de Luchtvaartwet: GIS Voortgangsrapport 1 2005, p. 2.
Beleidsevaluatie GIS-3 2013, p. 6.
Stcrt. 1997, nr. 47, p. 13.
Stcrt. 1997, nr. 47, p. 11.
Beleidsevaluatie GIS-3 2013, p. 30.
Evaluatie Schipholbeleid. Eindrapport 2006.
Stcrt. 2006, nr. 235, p. 10.
Stcrt. 2006, nr. 235, p. 2, 12.
Beleidsevaluatie GIS-3 2013, p. 10.
Stcrt. 2006, nr. 235, p. 3, 12.
Stcrt. 2006, nr. 235, p. 1, 11.
Stcrt. 2006, nr. 235, p. 5, 13.
Stcrt. 2006, nr. 235, p. 6, 13.
Stcrt. 2006, nr. 235, p. 1, 3, 11.
Eindevaluatie GIS-3 2012, p. 8.
Eindevaluatie GIS-3 2012, p. 25.
Eindevaluatie GIS-3 2012, p. 30.
Eindevaluatie GIS-3 2012, p. 18.
Eindevaluatie GIS-3 2012, p. 18; Beleidsevaluatie GIS-3 2013, p. 9.
Eindevaluatie GIS-3 2012, p. 37.
Eindevaluatie GIS-3 2012, p. 11, 19.
Eindevaluatie GIS-3 2012, p. 22.
GIS Voortgangsrapport 8 2008, p. 8; Eindevaluatie GIS-3 2012, p. 46.
GIS-1
Het eerste isolatieproject, GIS-1, werd in 1983 vastgelegd in de Regeling geluidwerende voorzieningen.1 Op basis van de Luchtvaartwet wees de minister van V&W een luchtvaartterrein met geluidszones aan waarbinnen bepaalde grenswaarden golden. Aan de hand van de geluidszones of -contouren werd bepaald welke geluidsgevoelige gebouwen (woningen, maar ook scholen of zorggebouwen) dienden te worden gesloopt2 of geïsoleerd. Voor iedere woning werd volgens de Regeling een Voorlopig Isolatieplan, een Ontwerp Isolatieplan en een Definitief Isolatieplan opgesteld.3 Het doel van de isolatiemaatregelen was het verbeteren van het draagvlak voor Schiphol, ook voor woningen die mogelijk na aanleg van de Polderbaan minder overlast zouden ervaren.4
De regeling kwam formeel ten laste van het Rijk.5 De Rijksoverheid rekende echter een heffing om de kosten te verhalen op de luchtvaart vanuit het principe ‘de veroorzaker betaalt’.6 Feitelijk kwam de regeling daarmee ten laste van luchtvaartmaatschappijen.7 Samen met Schiphol richtten zij de Stichting Geluidsisolatie Schiphol (SGIS) op om de kosten te laten voorfinancieren via de kapitaalmarkt.8 Tussen partijen bestond onenigheid over de financiering door de luchtvaartmaatschappijen en de hoogte van deze heffingen.9 Desalniettemin bleef de luchtvaartindustrie financieel verantwoordelijk voor de uitvoering van het geluidsisolatieproject. Later stelde de minister dat de kosten niet ten laste van het Rijk zouden moeten komen, omdat ‘veel passagiers niet in Nederland woonachtig zijn en hier dus ook geen belasting betalen.’10 Er werd in principe geen eigen bijdrage van omwonenden gevraagd, omdat de Luchtvaartwet de bewoners recht gaf op de voorzieningen11 en dit de complexiteit en uitvoerkosten van de regeling zou vergroten.12 Als sprake was van achterstallig onderhoud (waardoor geluidwerende voorzieningen niet doelmatig zouden kunnen worden aangebracht) of van bijkomende werkzaamheden vanwege wensen van omwonenden, was een eigen bijdrage wel nodig.13
De Rijksluchtvaartdienst, onderdeel van het Ministerie van V&W, voerde het project uit, ondersteund door adviesbureau Heidemij.14 Gedurende het project werden aanzienlijk meer woningen geïsoleerd dan aanvankelijk begroot, en ook waren de kosten van de isolatie en de overhead duurder dan verwacht.15 De regeling werd in 1990 gewijzigd omdat startende vliegtuigen meer geluidsoverlast bleken te veroorzaken waardoor sommige woningen (opnieuw) zwaarder moesten worden geïsoleerd.16 De SGIS ging niet akkoord met de kostenoverschrijdingen.17 Dit leidde tot een audit door de commissie In ’t Veld. Volgens de commissie waren de aangebrachte voorzieningen over het algemeen op een sobere en doelmatige manier tot stand gekomen, maar zouden praktische kostenbesparingen kunnen worden doorgevoerd.18 De commissie suggereerde dat een deel van de kosten ten laste van de omwonenden konden worden gebracht vanwege de verbeterde staat van hun woning, maar de regering hield vast aan het principe dat de vervuiler betaalt.19
De uitvoering van het project werd enigszins gewijzigd naar aanleiding van de audit. Aanvankelijk paste men de regeling redelijk ruimhartig toe, waardoor bijvoorbeeld zolderslaapkamers die niet voldeden aan de eisen van het geldende Bouwbesluit alsnog werden geïsoleerd. Volgens de minister was het ‘om de medewerking van de SGIS te behouden … noodzakelijk enige terughoudendheid te betrachten.’20 Een voorbeeld hiervan is dat burgers zelf de afwerking van kamers moesten verzorgen en hiervoor ƒ 225,- per kamer ontvingen, terwijl dit eerder door de overheid werd geregeld. (De minister stelde dat dit niet alleen een bezuiniging was, maar ook paste bij de wens die bij bepaalde bewoners bestond om meer initiatief in het proces te kunnen nemen.21)
Naast de kostenoverschrijdingen kende het project ook termijnoverschrijdingen. Het project had tot 1994 moeten duren, maar werd uiteindelijk in 1997 afgerond.22 3.700 van de 4.300 beoogde gebouwen werden geïsoleerd, een participatiegraad van 85%.23 Het budget ging van ƒ 150 miljoen naar ƒ 280 miljoen,24 zo’n € 127 miljoen;25 ongeveer een verdubbeling van de kosten.
GIS-2
De overheid startte een tweede isolatieproject, GIS-2, naar aanleiding van de Planologische Kernbeslissing rondom de aanleg van de Polderbaan en de in 1994 gewijzigde Luchtvaartwet.26 In 1997 werd een nieuwe Regeling geluidwerende voorzieningen ingevoerd. Via deze regeling kon ook worden geïsoleerd volgens de zogenaamde nachtnorm en de procedure werd tevens aangepast aan de opgedane praktijkervaring; betrokkenen bleken in de praktijk geen behoefte te hebben aan een Voorlopig Isolatieplan, een Ontwerp Isolatieplan en een Definitief Isolatieplan.27 In de nieuwe procedure stelde de minister een jaarlijks isolatieprogramma vast.28 Aan de hand van deze planning werden omwonenden verzocht in te stemmen met een akoestisch en bouwtechnisch onderzoek, zodat een raming kon worden opgesteld over kosten ten laste van het Rijk en ten koste van de eigenaar vanwege achterstallig onderhoud.29 Eigenaren en bewoners moesten volledig instemmen met de plannen, omdat partiële isolatie niet werd toegestaan.30 De procedure kende relatief korte termijnen: omwonenden kregen in principe drie weken om te reageren. Iedere stap mondde uit in een Awb-besluit, waardoor voor het handelen van de minister reguliere termijnen (in principe acht weken) en de bezwaar- en beroepsprocedure golden.31 De minister mocht eigen termijnen stellen voor de uitvoering, zodat gebouwen in een gebied gelijktijdig werden geïsoleerd en extra kosten werden voorkomen.32
De nieuwe nachtnorm resulteerde in een onderscheid tussen woonruimtes (d.w.z. woon-, eet- of slaapkamers, dagisolatie) en enkel slaapkamers (nachtisolatie).33 Geluidwerende voorzieningen mochten niet leiden tot een ‘essentiële vermindering van het comfort’,34 waarbij beperkte verkleining van de ruimte of bijvoorbeeld het terugbrengen tot een draaiend raam of deur was toegestaan. Het aanbrengen van de voorzieningen diende ‘sober en doelmatig’35 te gebeuren en de isolatie diende langdurig effectief te zijn bij normaal onderhoud.36 De regeling introduceerde twee instrumenten om het beleidsdoel ‘sober en doelmatig’ verder te ondersteunen: een zogenaamde ‘tweejaarstoets’ om isolatie te voorkomen van panden die binnen twee jaar na de start van de regeling buiten de geluidscontouren kwamen te vallen;37 en een ‘kostenbegrenzingswaarde’ die was bedoeld om te voorkomen dat de kosten van de isolatie hoger waren dan de waarde van het gebouw. Het gebouw werd dan niet-isoleerbaar geacht, tenzij de eigenaar de extra kosten op zich zou nemen.38
In 1999 werd de regeling gewijzigd en werd partiële isolatie toegestaan, omdat in de praktijk was gebleken dat eigenaren niet akkoord gingen met volledige isolatie maar partiële isolatie wensten, waardoor ‘het doel van de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 niet (volledig) wordt gerealiseerd.’39 Volgens de minister ‘”zijn we te rigide geweest met het verplichten van geluidsisolatie”‘.40 Twee jaar later werd de regeling verder versoepeld omdat de kostenbegrenzingswaarde tot ‘onaanvaardbare situaties’41 leidde aangezien de extra isolatiekosten zo hoog waren dat deze redelijkerwijs niet via een eigen bijdrage konden worden opgebracht. De beoogde geluidsisolatie voor de betreffende woningen werd verlaagd, waardoor geen of een geringe eigen bijdrage werd bereikt. Eigenaren konden via volledige eigen bijdrage alsnog tot maximale geluidsisolatie komen.42 De kostenbegrenzingswaarde bleek voor 30 tot 35 woningen met ‘een sterk afwijkende bouw of vormgeving’43 tot dermate hoge kosten te leiden, dat de verantwoordelijke staatssecretaris van V&W een speciale subsidieregeling vaststelde. De regeling lijkt voort te komen uit coulance: de extra kosten kwamen voor rekening van het ministerie, terwijl zij eerder via een eigen bijdrage werden verhaald.44
GIS-2 werd aanvankelijk uitgevoerd onder leiding van Schiphol in plaats van de Rijksluchtvaartdienst.45 De commissie In ’t Veld en een audit door Berenschot hadden aanbevolen om de verantwoordelijkheid bij de luchthaven te beleggen, aangezien Schiphol belang had bij lage uitvoeringskosten en het project daardoor doelmatiger zou verlopen.46 Schiphol creëerde projectorganisatie Geluidsisolatie Schiphol, Progis, als uitvoeringsorganisatie.47 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State adviseerde echter om deze opzet te wijzigen, omdat het saneren van woningen een overheidstaak zou moeten zijn.48 Vanaf 2000 werd de uitvoering overgedragen aan uitvoeringsorganisatie Rijkswaterstaat, directie Noord-Holland, onderdeel van V&W.49 Het project kende onder beide uitvoerders kostenoverschrijdingen. De Algemene Rekenkamer constateerde dat de overdracht van de werkzaamheden van de Rijksluchtvaartdienst aan Schiphol slecht was onderbouwd50 en dat de overheid meerkosten niet verhaalde op Schiphol.51 De aansturing vanuit het ministerie was onvoldoende, waardoor de uitvoering ondoelmatig en zelfs onrechtmatig verliep: onjuiste aannames leidden tot vertraging, tijdsdruk, onrechtmatige aanbestedingen en schadeclaims van aannemers.52 Daarnaast zorgden beleidswijzigingen voor overschrijdingen: de geluidscontouren wijzigden, de Polderbaan werd eerder dan gepland in gebruik genomen, en omwonenden werd de mogelijkheid geboden tegelijkertijd warmte-isolatie te laten aanbrengen (‘wensvoorzieningen’).53 De regeling werd voorgefinancierd door het Rijk.54 Omdat de Rekenkamer concludeerde dat beleidswijzigingen tot kostenoverschrijdingen hadden geleid, besloot de minister in overleg met de luchtvaartmaatschappijen in 2004 om € 110 miljoen van de € 400 miljoen ten laste van de Rijksoverheid te doen komen: ‘Wat het Rijk voor de burger heeft gedaan, hoeft niet voor rekening van de luchtvaart te komen.’55
In totaal werden onder GIS-2 8.465 van 14.000 gebouwen in het aangewezen gebied geïsoleerd; een participatiegraad van 60%.56 De lagere participatiegraad was verwacht, omdat het bouwtechnisch en akoestisch onderzoek zou uitwijzen dat sommige panden reeds voldoende geïsoleerd waren.57 Sommige gebouwen hadden onderdeel gevormd van GIS-1, maar ontvingen aanvullende isolatie vanwege aangepaste geluidscontouren.58 De kostenoverschrijdingen waren aanzienlijk. Het budget steeg van ƒ 395 miljoen naar € 396,6 miljoen, ongeveer een verdubbeling van de kosten. Hoewel de regeling geen projecttermijn noemde, was het de bedoeling GIS-2 af te ronden voor de ingebruikname van de Polderbaan in 2003. Dit bleek door de complexiteit en kostenoverschrijdingen niet mogelijk. De tweede fase van het geluidsisolatieproject werd afgerond in juni 2008.59
GIS-3
Vanaf de ingebruikname en lopende evaluatie van de Polderbaan vanaf 2003 werd gewerkt aan een derde geluidsisolatieproject: GIS-3.60 De staatssecretaris was aanvankelijk van plan om via subsidie te werken, zodat bewoners zelf aan de slag konden als uitvoerders en kostenoverschrijdingen konden worden voorkomen.61 Ook wilde zij de eindverantwoordelijkheid bij de luchtvaartsector leggen. Na overleg met betrokken partijen besloot zij echter om de uitvoering via Rijkswaterstaat te behouden. Zowel luchtvaartsector als bewoners waren tevreden over de gang van zaken sinds de wijzigingen na het kritische Rekenkamerrapport en zij voelden zich niet geëquipeerd om de uitvoering te leiden.62
GIS-3 werd opgestart in 2006. De Regeling geluidwerende voorzieningen uit 1997 werd gewijzigd naar aanleiding van praktijkervaringen bij GIS-2 en het Rekenkamerrapport,63 gericht op meer duidelijkheid voor bewoners en meer flexibiliteit in de uitvoering.64 Het jaarlijkse isolatieprogramma bleek in de praktijk niet te werken, dus werden ‘deelprojecten’ geïnitieerd zodat een concretere planning kon worden gemaakt. Achterstallig onderhoud bleef voor rekening van de eigenaar, tenzij de panden voldeden aan huidige regelgeving maar de extra belasting van de geluidwerende voorzieningen niet konden dragen.65 Het project werd wederom voorgefinancierd door het Rijk, dat de kosten op de luchtvaartmaatschappijen verhaalde via een geluidsheffing.66
De regeling introduceerde diverse meer coulante bepalingen. De termijnen in de regeling werden verruimd voor de burger: eigenaren dienden binnen twee maanden in plaats van drie weken te reageren op een besluit van de minister. De minister diende vervolgens binnen zes maanden het bouwtechnisch en akoestisch onderzoek te beginnen. Ook kon een eigenaar nu een second opinion aanvragen voor dit onderzoek.67 De regeling kende een ‘zaagtand’: als de isolatiegrens vanwege de geluidscontour door een blok woningen liep, werden alle woningen volgens het zwaarst vereiste isolatiepakket geïsoleerd, omdat het niet redelijk werd geacht die buren niet te voorzien68 en om de ‘architectonische eenheid’69 niet te verstoren. Eigenaren konden als zij dit wensten een gedeelte van de isolatiewerkzaamheden zelf uitvoeren.70 Tot slot werd de tweejaarstoets aangepast: deze vond per deelproject plaats, en zou niet meer worden toegepast als het onderzoek was aangevangen. Als bewoners was verteld dat hun huis onderdeel zou vormen van het isolatieproject, bleven zij vanwege rechtszekerheid onderdeel van de procedure.71
In de uitvoering werd ingezet op kortere termijnen. Het streven was dat tussen het akkoord op het isolatieaanbod en de oplevering hoogstens 18 maanden zou zitten.72 Hoewel dit niet bij alle woningen werd behaald, kende de meerderheid een uitvoeringstijd van 8-14 maanden.73 Het project liep echter uit: de afronding vond niet eind 2010, maar eind 2012 plaats.74 Wel slaagde GIS-3 erin om binnen het budget van € 77,4 miljoen te blijven, met als totale kosten € 51,9 miljoen.75 Er werden echter veel minder woningen geïsoleerd dan bij dat budget was voorzien. Het project kende een participatiegraad van slechts 21%.76 Van de 5.214 panden waarmee rekening werd gehouden in de opzet bleek een derde na technisch onderzoek voldoende geïsoleerd. Hoewel een kleine groep via aanvraag of bezwaarschrift werd opgenomen in de procedure,77 haakte bijna de helft van de oorspronkelijk geïdentificeerde eigenaren af tijdens de procedure. Vooral de nachtisolatie werd door eigenaren gezien als onvoldoende effectief.78 Omdat tijdens de uitvoering voorbereidingskosten werden gemaakt, ook voor woningen die uiteindelijk niet werden geïsoleerd, werd alsnog ruim € 50 miljoen besteed aan het project.79
GIS-3 vormde (voorlopig) de laatste fase van het geluidsisolatieproject rond Schiphol, hoewel in evaluaties werd stilgestaan bij aandachtspunten voor mogelijke toekomstige geluidsisolerende initiatieven.80 In individuele ‘schrijnende’ gevallen vond nog geluidsisolatie plaats, zoals afgesproken in het omgevingsconvenant van de Alderstafel81 (zie ook par. 7.5.3).