De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/9.4:9.4 Conclusie
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/9.4
9.4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS370149:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het voorgaande is onderzocht wanneer verjaring gerechtvaardigd is. Wij zagen dat die rechtvaardiging eigenlijk helemaal niet problematisch is in gevallen waarin van de crediteur redelijkerwijze verwacht mocht worden dat hij zijn vordering instelde: het belang van de debiteur bij verjaring weegt dan duidelijk zwaarder dan het belang van de crediteur bij eeuwige geldigheid van zijn recht.
Gecompliceerder bleek de vraag naar rechtvaardiging van verjaring in het geval waarin van de crediteur redelijkerwijze niet verwacht mocht worden dat hij zijn vordering instelde. Moet het dan toch ooit afgelopen zijn? Het antwoord luidt: verjaring is gerechtvaardigd als het belang bij nakoming door de helende werking van de tijd is tenietgegaan en ook als het bestaan van de vordering niet meer met aanvaardbare mate van zekerheid kan worden vastgesteld. Als echter de vordering onverkort actueel is en zij nog wél kan worden vastgesteld, is verjaring niet te rechtvaardigen.
Men zou het voorgaande in de volgende regel kunnen vatten: een vordering verjaart, vijf jaar nadat van de crediteur redelijkerwijze verwacht mocht worden dat hij haar instelde. Een vordering verjaart in ieder geval twintig jaar nadat de feiten waarop zij is gebaseerd zich hebben voorgedaan, tenzij zij na ommekomst van die termijn nog actueel en verifieerbaar is. Ik zal deze 'hoofdregel' hierna zowel bij de beoordeling als de interpretatie van het nieuwe recht tot uitgangspunt nemen — onder nadere motivering ter plaatse overigens.