De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/9.1:9.1 Inleiding
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/9.1
9.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS372599:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor werden de belangen die met de bevrijdende verjaring worden gediend geïdentificeerd. Daaraan voorafgaand werd de inleidende opmerking gemaakt dat men met die identificatie nog maar halverwege is: vervolgens moet worden beoordeeld of de verwezenlijking van dat doel opweegt tegen het offer dat door de verjaring van de crediteur wordt gevergd. In deze paragraaf wordt deze tweede stap gezet.
Wij zullen zien dat in dat kader fundamentele betekenis toekomt aan het onderscheid tussen enerzijds de situatie waarin van de benadeelde redelijkerwijze verwacht had mogen worden dat hij zijn vordering instelde en anderzijds de situatie waarin van de benadeelde niet redelijkerwijze verwacht had mogen worden dat hij zijn vordering instelde. Als van hem wel redelijkerwijze verwacht had mogen worden dat hij zijn vordering instelde, is verjaring eigenlijk helemaal niet moeilijk te rechtvaardigen: tegenover de baten van de verjaring staat eigenlijk geen serieus belang van de crediteur bij voortdurende geldigheid van zijn recht; hij kan dat recht immers nu reeds geldend maken. Hem wordt zijn zelfverkozen dralen tegengeworpen.
Veel moeilijker is het verjaring te rechtvaardigen als van de benadeelde redelijker-wij ze niet verwacht had mogen worden dat hij zijn vordering geldend maakte. Verwijt kan in dat geval niet dienen als grond voor verlies van recht. Een alternatieve rechtvaardigingsgrond die even algemeen geldig is, zal blijken niet te bestaan. Waar in geval van verwijt welhaast ieder belang bij verjaring volstaat om verjaring gerechtvaardigd te achten — de benadeelde heeft het immers in eigen hand de verjaring af te wenden — moet buiten verwijt een veel genuanceerder belangenafweging plaatsvinden: van de hiervoor geïdentificeerde verjaringsbelangen moet worden bepaald of zij individueel of wellicht gecombineerd van voldoende gewicht zijn om het schuldeloze verlies van recht van de benadeelde te rechtvaardigen. Die exercitie zal in het tweede deel van deze paragraaf worden verricht.
Het tweede deel van deze paragraaf is langer dan het eerste doordat de oplossing van het probleem een uitvoeriger redenering vergt. Daaruit moet niet de indruk ontstaan dat het probleem van verjaring "buiten schuld" ook in praktische en kwantitatieve zin van grotere betekenis is dan verjaring in geval van verwijtbaar stilzitten, integendeel; om alvast enigszins op de zaken vooruit te lopen: verjaring buiten schuld vindt haar positiefrechtelijke vertaling in de lange (twintig of dertig jaar) absolute termijnen; verjaring in geval van verwijtbaar stilzitten in de korte relatieve termijnen (vijf jaar). Die relatieve termijnen zijn voor de rechtspraktijk van vele malen grotere betekenis dan de absolute termijnen.