Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/3.3
3.3 Ongerechtvaardigde verrijking
Datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- JCDI
JCDI:ADS624002:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Bregstein 1927. Zie over de vergelijking tussen ongerechtvaardigde verrijking en zaaksvervanging ook: Dirix 1993, p. 273; Sagaert 2003, p. 51-60.
Digitaal zoeken in de essentie van uitspraken in de NJ levert in januari 2010 bij 'ongerechtvaardigde verrijking' 79 resultaten op, tegenover slechts 8 treffers bij 'zaaksvervanging'. Zie daaronder voor ongerechtvaardigde verrijking met name HR 30 januari 1959, NJ 1959, 548 (Quint/Te Poel).
D. 50, 17, 206: lure naturae aequum est neminem cum alterius detrimento et iniuria fieri locupletiorem (Naar het recht van de natuur is het billijk dat niemand tot andermans schade en in strijd met diens recht verrijkt wordt; vertaling Corpus iuris civilis, tekst en vertaling, Spruit e.a. (red.), 2001). Zie ook D. 12, 6, 14: Nam hoc natura aequum est neminem cum alterius detrimento fieri locupletiorem (Want het is van nature billijk dat niemand verrijkt wordt ten koste van een ander; vertaling Corpus iuris civilis, tekst en vertaling, Spruit e.a. (red.), 1996), waarover Verhagen 1996, p. 368.
Zie over deze discussie Vraagpunt 18; Parl. Gesch. Boek 6, p. 823-828.
In het navolgende wordt geen onderscheid gemaakt tussen het beginsel dat ongerechtvaardigde verrijking moet worden voorkomen en de vordering op grond van art. 6:212 BW. Zie hierover ook Wissink 2002, p. 38.
Een benadering die volgens Linssen (2001, p. 463-465) door Von Savigny is geïntroduceerd en voor het huidige recht achterhaald is. Zie over dit verband ook Sagaert 2003, p. 53.
Zie Bregstein 1927, p. 192.
Zie Bregstein 1927, p. 193.
Zie onder anderen Hammerstein 1977, p. 77; Sagaert 2003, p. 58.
Zie Bregstein 1927, p. 196.
Zie Bregstein 1927, p. 195.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 832.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 833.
Zie Hartkamp 2001, p. 18. Deze oratie is tevens verschenen in WPNR (2001) 6440 en 6441. Zie ook Asser/Hartkamp 4-III 2006, nr. 352b.
D. 50, 17, 206 (Naar het recht van de natuur is het billijk dat niemand tot andermans schade en in strijd met diens recht verrijkt wordt; vertaling Corpus iuris civilis, tekst en vertaling, Spruit e.a. (red.), 2001). Zie Hartkamp 2001, p. 18. Zie ook Nieuwenhuis 1988, p. 112: 'De regel betreft de uitdrukking van een rechtsbeginsel, maar geen rechtsregel.'
Zie Snijders 2001, p. 7 en 17-18. Zie over deze discussie ook Salomon 2001, p. 994 en Wissink 2002, p. 37 e.v.
Zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 833.
Zie Bregstein 1927, p. 191; Snijders 2001, p. 5 en 17.
Vgl. Hammerstein 1977, p. 86: 'Grondslag blijft de billijkheid ook hier, maar anders dan bij personele subrogatie kan men de billijkheid niet als dwingend argument gebruiken voor een constructie die ook zakenrechtelijke gevolgen heeft.'
Zie ook Vranken 1997, p. 12.
Zie voor een genuanceerd standpunt binnen het verbintenissenrecht Wissink 2002, p. 65.
Vgl. Hammerstein (1977, p. 14) die de mogelijkheid dat zaaksvervanging onderdeel vormt van de regels met betrekking tot een bepaald rechtsgebied en hierop zelfs een noodzakelijke aanvulling vormt, niet uitsluit.
Zie Snijders 2001, p. 19-20.
Zie Sagaert 2003, p. 53 en 55.
Zie Snijders 2001, p. 18.
Verhagen (1996, p. 377), Linssen (2001, p. 453 e.v.) en Hartkamp (2001, p. 15) constateren overigens dat ongerechtvaardigde verrijking alleen in Nederland ais een grond voor schadevergoeding wordt gezien en niet voor ongedaanmaking van een verrijking.
Een aanvullende schadevergoedingsvordering is niet uitgesloten naast de toepassing van zaaksvervanging, als de deelgenoot ondanks de vervanging nog schade van de onbevoegde handeling van de ander ondervindt.
Zie Parl. Gesch. Boek 5, p. 112-114. Zie ook Snijders 2001, p. 7. Vgl. § 951BGB.
In sommige gevallen blijkt een goederenrechtelijke oplossing op den duur wel mogelijk, namelijk op het moment dat een bestanddeel weer wordt losgemaakt en een zelfstandige zaak wordt. De bezitter, houder, vruchtgebruiker, hypotheekgever, eigenaar van het heersende erf, erfpachter, opstaller en huurder kunnen zich in bepaalde gevallen op een wegneemrecht of ius tollendi beroepen. Zie hierover verder par. 4.3.9.
77.
Het leerstuk der ongerechtvaardigde verrijking kent een deels met zaaksvervanging vergelijkbare recente geschiedenis in de Nederlandse rechtsliteratuur. In 1927 is dit onderwerp in de schijnwerpers gezet door het proefschrift van Bregstein.1 Bregstein heeft daarbij, evenals Langemeijer, inspiratie geput uit het Franse recht. Verschillen zijn er echter ook. Ongerechtvaardigde verrijking heeft zowel in de jurisprudentie als in de literatuur meer aandacht gekregen.2 Het leerstuk staat in een lange traditie, terug te voeren op het Romeinse recht en het brengt direct een beginsel van het recht tot uitdrukking.3 De wetgever heeft er bij de invoering van het nieuw BW voor gekozen een uitdrukkelijke, algemene bepaling met betrekking tot ongerechtvaardigde verrijking op te nemen (art. 6:212 BW).4 Rond zaaksvervanging is het veel stiller en is juist niet gekozen voor een algemene bepaling.
Dit verschil in ontwikkeling hangt misschien deels samen met het grootste verschil tussen beide rechtsfiguren. Ongerechtvaardigde verrijking is een verbintenissenrechtelijke rechtsfiguur en niet een goederenrechtelijke zoals zaaksvervanging. In het verbintenissenrecht bestaat daarbij een grotere mogelijkheid voor een ontwikkeling van nieuwe rechtsfiguren en varianten op bestaande toepassingen, hetgeen bijvoorbeeld blijkt uit het uitgangspunt van contractsvrijheid en de rol van de redelijkheid en billijkheid (zie art. 6:2 BW). In het goederenrecht daarentegen zijn de grenzen van de mogelijke rechtsontwikkelingen duidelijker afgebakend, bijvoorbeeld door een beperking van de te vestigen beperkte rechten in art. 3:81 lid 1 BW. Dit onderscheid heeft gevolgen voor de vergelijking van zaaksvervanging en ongerechtvaardigde verrijking, die hieronder plaatsvindt. Op het punt van de ratio is een vergelijking zinvol, omdat beide rechtsfiguren bescherming bieden bij ongerechtvaardigde vermogensverschuivingen. De primaire vereisten voor een aanspraak op grond van art. 6:212 BW geven een uitwerking van deze achterliggende gedachte.5 Door zaaksvervanging in het licht van deze vereisten te plaatsen, zoals in paragraaf 3.4, wordt de specifieke ratio van zaaksvervanging nader afgebakend. Andere discussiepunten, zoals de subsidiariteit en de mogelijkheid van toepassing buiten een wettelijke grondslag (een discussie die met betrekking tot ongerechtvaardigde verrijking met name tot 1992 is gevoerd), lenen zich er niet tot nauwelijks voor om lessen met betrekking tot zaaksvervanging uit te trekken, omdat de aangevoerde argumenten te zeer samenhangen met het verbintenissenrecht en de plaats die de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking daarbinnen inneemt. Deze onderwerpen komen daarom niet nader aan bod.
78.
Het door de vergelijking van art. 6:212 BW en zaaksvervanging gelegde verband tussen verbintenissenrecht en goederenrecht is niet nieuw. Bregstein zag reeds een verband tussen ongerechtvaardigde verrijking en eigendom.6 Onder verwijzing naar Hugo de Groot stelt hij dat ongerechtvaardigde verrijking een persoonlijke actie is om de waarde van het object van een recht te a chterhalen. Deze mogelijkheid staat naast de revindicatie, welke vordering ons in staat stelt het materiële object van ons recht te achterhalen.
'Het eigendomsrecht is immers in de eerste plaats een recht op eenbepaalde waarde; door erkenning van dit recht moet de rechtsorde noodwendig naast de revindicatie een vorderingsrecht erkennen tegen hem die deze waarde geniet zonder dat dit waarde-genieten in de rechtsbetrekking tussen partijen zijn grondslag vindt of door enig ander grondbeginsel der rechtsorde of positieve wetsbepaling wordt gesanctioneerd.'7
Bregstein ziet de verrijkingsactie als een middel van gelijke orde als de revindicatie, namelijk tot behoud van de waarde die het eigendomsrecht vertegenwoordigt.8 Daarbij bestaat natuurlijk wel het belangrijke verschil dat art. 6:212 BW is gericht op het ongedaan maken van een opgetreden ongerechtvaardigde verrijking, terwijl zaaksvervanging preventief werkt door het intreden van een ongerechtvaardigde vermogensverschuiving te voorkomen.9 Doordat zaaksvervanging een goederenrechtelijke rechtsfiguur is, is het verband tussen de te voorkomen verrijking en eigendom nog gemakkelijker te leggen. Gevallen van zaaksvervanging hebben immers altijd betrekking op goederenrechtelijke aanspraken, waarvan eigendom het meest bekende voorbeeld is.
Bescherming van de waarde van het vermogen en het streven tot instandhouding van de waarde-elementen van het vermogen, voor zover de bezitter van het vermogen niet zelf van deze elementen afstand heeft willen doen, vormen de grondslag voor de aanspraken uit ongerechtvaardigde verrijking.10 Indien voor een vermogensovergang geen rechtvaardiging aanwijsbaar is in het door de rechtsorde gebillijkte doel van de rechtsbetrekking van partijen, behoort deze verandering, in overeenstemming met het karakter der verrijkingsactie, ongedaan te worden gemaakt. Hieruit leidt Bregstein ook de grenzen van vorderingen uit ongerechtvaardigde verrijking af. Niet elke verrijking rechtvaardigt een actie, 'de rechtsorde wil de eigendom en het vermogen beschermen, ook onder de gezichtshoek van economische waarden, maar dan toch ook slechts voor zover aan die vermogensovergang niet een door die rechtsorde gebillijkt doel ten grondslag ligt.'11
Waar de wetgever bij bepalingen van zaaksvervanging weinig aandacht besteedt aan de ratio, zijn de beraadslagingen bij de invoering van art. 6:212 BW een stuk uitgebreider. Zo vinden we daar de overweging dat de moeilijkheid van de figuur van de ongerechtvaardigde verrijking is, dat het daarbij veelal gaat om verschuivingen van vermogensbestanddelen van de een naar de ander op grond van een wetsbepaling of het stelsel van de wet. Dit stelsel kan men de werking niet ontzeggen, maar men kan daarin wel aanleiding zien om degene die daardoor verarmd is, een vordering tegen de verrijkte te geven.12 Hieraan wordt echter wel een waarschuwing toegevoegd:
'wanneer de wet in bepaalde omstandigheden tot een vermogensverschuiving leidt, zal veelal aangenomen mogen worden dat dan ook de verrijking die daarvan het gevolg is, gerechtvaardigd is, ook in die gevallen dat zij geheel buiten toedoen van de verarmde plaats vond, zij het dat uitzonderingen daarop denkbaar zijn.'13
79.
Met betrekking tot de grondslag van vorderingen gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking, of vermogensvermeerdering, zoals Bregstein dit aanduidt, zijn in de literatuur twee visies te onderscheiden. Enerzijds benadert Hartkamp art. 6:212 BW als een uitwerking van de redelijkheid en billijkheid en in het bijzonder van de beperkende werking hier van.14 Deze benadering wordt (mede) ondersteund door een gezaghebbende bepaling uit het Romeinse recht: iure naturae aequum est neminem cum alterius detrimento et iniuria fieri locupletiorem.15 Anderzijds beschouwt W. Snijders de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking als een verfijning van het systeem en daarmee als een voortvloeisel uit het systeem van het recht.16 Dit standpunt onderbouwt hij met een verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, waarin wordt gesteld dat vermogensverschuivingen vaak optreden als gevolg van een wettelijke bepaling, maar dat soms gezegd kan worden dat,
'zo er al een rechtsgrond voor de verschuiving was, in ieder geval de verrijking die daarvan het gevolg geweest is, niet gerechtvaardigd is. Dit geldt met name in die gevallen dat het in het stelsel van de wet past dat deze correctie op een op de wet gegronde vermogensverschuiving wordt aangebracht.'17
De vraag rijst welk licht deze verschillende benaderingen werpen op de toepassing van zaaksvervanging. De stelling van Hartkamp dat de billijkheid aan de basis ligt van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking onderschrijf ik. In de Tijn van de argumenten van Bregstein en Snijders ben ik echter ook van mening, dat de redelijkheid en billijkheid op zich veelal een te algemene grond vormen om concreet richting te kunnen geven aan de invulling van een specifieke rechtsfiguur18 en zaaksvervanging in het bijzonder.19 De directe, zelfstandige rol van de redelijkheid en billijkheid, zoals in art. 6:2 en 6:248 BW verwoord, is daarbij naar mijn mening in het goederenrecht beperkter, terwijl zij in het verbintenissenrecht juist een belangrijke, zelfstandige maatstaf is. Te grote flexibiliteit bij de toepassing van goederenrechtelijke rechtsfiguren is met het oog op de rechtszekerheid ongewenst. Mijns inziens moet het uitgangspunt zijn een stelsel van goederenrecht, dat binnen de grenzen van rechtszekerheid de achterliggende redelijkheid en billijkheid tot uitdrukking brengt. In het verbintenissenrecht, waar de onderlinge verhouding tussen partijen centraal staat en door hen te beïnvloeden is, is de algemene rechtszekerheid veelal minder van belang, omdat de gevolgen voor derden beperkt zijn en het maatschappelijk belang eist daarentegen juist dat wederzijdse rechten en verplichtingen op een rechtvaardige en op een bij de specifieke situatie passende manier worden ingekleed.20 De redelijkheid en billijkheid en hun aanvullende en corrigerende werking zijn in het verbintenissenrecht noodzakelijk om bepalingen, die in ruime bewoordingen zijn gevat en die zijn gericht op een schier oneindig scala aan verschillende gevallen, de nodige flexibiliteit te geven. De benadering van ongerechtvaardigde verrijking vanuit de redelijkheid en billijkheid is naar mijn mening, anders dan als algemene rechtvaardigingsgrond, voor de vergelijking met zaaksvervanging daarom minder verhelderend.21
Voor zover de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking, met de redelijkheid en billijkheid als basis, een verfijning van het systeem inhoudt, kan de vergelijking met zaaksvervanging verder worden getrokken.22 Snijders vindt het meest waardevolle van de benadering van Bregstein dat de nadruk komt te liggen op het systeem van het vermogensrecht, dat door de toelating van de verrijkingsvordering eigenlijk pas zijn uiteindelijke gedaante krijgt. Het is immers onvermijdelijk dat er van tijd tot tijd dingen mis gaan en dan is er een middel nodig om een ongerechtvaardigde waardeverschuiving ongedaan te maken.23 Deze opmerking kan mijns inziens grotendeels worden vertaald naar zaaksvervanging. Zaaksvervanging vult het systeem van goederenrecht aan en verfijnt dit door bij te dragen aan het in meer gevallen bereiken van rechtvaardige oplossingen.
In het goederenrecht bestaat soms behoefte aan een instrument om ongerechtvaardigde vermogensverschuivingen die in beginsel uit het systeem volgen, te voorkomen zonder het systeem aan te tasten. Zowel ongerechtvaardigde verrijking als zaaksvervanging laat het stelsel van de wet onaangetast, maar doet gelijktijdig recht aan de vermogensposities van betrokkenen. Sagaert spreekt in dit verband van de corrigerende aard van zowel de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking als zaaksvervanging. Beide bieden een correctie op de andere bepalingen, wanneer toepassing hiervan tot een onaanvaardbaar resultaat leidt.24
80.
De zienswijze van Bregstein op ongerechtvaardigde verrijking kan ook op zaaksvervanging worden toegepast. Het gaat om de verdeling van vermogen over de leden van de rechtsgemeenschap. De gedachte achter het verbod op ongerechtvaardigde verrijking en zaaksvervanging is, dat de verdeling van vermogen over de leden van de rechtsgemeenschap een gegeven is dat het privaatrecht in beginsel behoort te eerbiedigen en, waar dit in gevaar komt, in stand behoort te houden.25 Dit gemeenschappelijke streven kan op twee manieren worden verwezenlijkt: achteraf via het verbintenissenrecht met een schadevergoedingsvordering wegens ongerechtvaardigde verrijking en preventief via het goederenrecht met toepassing van zaaksvervanging.26
Het is de vraag welke benadering in welke gevallen de voorkeur verdient. Het standaardantwoord dat elke jurist paraat heeft, kan ook hier worden gegeven: het hangt af van de omstandigheden van het geval. Wanneer je raamkozijn lekt doordat dit deels gerot is, dan hangt de aard van de geboden oplossing af van de specialist die je belt. Een metselaar stelt voor het kozijn met raam en al te verwijderen en het gat dicht te maken, waar een timmerman aandraagt om het rotte deel te vervangen en daarna de ruit terug te plaatsen. Beiden bieden een oplossing, maar met verschillende kenmerken. De methode van de timmerman sluit beter aan bij het probleem en leidt tot een beter passende oplossing. Dit beeld kan men gebruiken bij beantwoording van de voorliggende vraag. Problemen van goederenrechtelijke aard dienen bij voorkeur met goederenrechtelijk gereedschap te worden aangepakt, waarbij de verbintenisrechtelijke gereedschapskist pas geopend wordt als een goederenrechtelijke oplossing niet voorhanden of ontoereikend is. In het geval dat het systeem van het goederenrecht tot een ongewenste aantasting van de vermogenspositie van een gerechtigde leidt, bestaat ruimte voor toepassing van zaaksvervanging om voor een passende goederenrechtelijke oplossing te zorgen. Waar door het tenietgaan van een zekerheidsobject de goederenrechtelijke aanspraken van een pandhouder in het geding zijn, is een goederenrechtelijk georiënteerde oplossing te prefereren boven een verbintenisrechtelijke. Een vervangend pandrecht op een vergoedingsvordering die de schuldenaar verkrijgt, geeft een beter passende bescherming, dan een (tweede) vordering op de voormalige eigenaar van het zekerheidsobject/schuldenaar. Wanneer een deelgenoot zijn aandeel in gemeenschappelijke middelen verliest doordat een ander hierover doeltreffend beschikt, is een aandeel in het met deze middelen aangeschafte kunstwerk een oplossing, die meer zekerheid biedt dan uitsluitend een persoonlijke vordering op de deelgenoot die zijn bevoegdheden heeft overschreden. Eigendom wordt zo geruild met eigendom en niet met een schadevergoedingsvordering.27
81.
Zaaksvervanging biedt een goederenrechtelijke remedie in gevallen waarin het systeem van het goederenrecht anders tot onbillijke uitkomsten leidt. Verbintenisrechtelijke remedies spelen een rol als dit middel niet voorhanden is, of slechts gedeeltelijk het intreden van het dreigende nadeel kan verhinderen. Wanneer zaaksvervanging om de een of andere reden niet mogelijk is, kan de benadeelde alsnog met een beroep op bijvoorbeeld art. 6:212 BW zijn verliezen proberen te verhalen. Indien de aantasting van de vermogenspositie een verbintenisrechtelijk karakter heeft, is voor zaaksvervanging geen ruimte en is een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking een mogelijke oplossing.
Deze benadering kan worden geïllustreerd aan de hand van de vermogensverschuivingen die plaatsvinden als gevolg van natrekking, zaaksvorming en vermenging. Het goederenrecht leidt hier tot toewijzing van eigendomsrechten aan een van de betrokken partijen, terwijl de andere partij met lege handen achterblijft. Deze verkrijging vloeit voort uit het goederenrechtelijk systeem, waarin één goed één corresponderend eigendomsrecht heeft (het eenheidsbeginsel). De aantasting van het eigendomsrecht van de zaak die bestanddeel van een hoofdzaak wordt of van de grondstof die door bewerking een nieuwe zaak wordt die toekomt aan de bewerker, volgt uit het goederenrecht en betreft goederenrechtelijke aanspraken. Voor zover een ongerechtvaardigde verschuiving van vermogen optreedt, kan men hiervoor in de eerste plaats proberen een oplossing in het goederenrecht te vinden.
Een goederenrechtelijke oplossing voor de eigenaren van de oorspronkelijke goederen is in deze gevallen echter niet altijd mogelijk. Bij natrekking ontbreekt een vervangende zaak, nu het bestanddeel geen zelfstandige betekenis meer heeft in het recht en (het eigendomsrecht van) de hoofdzaak reeds bestond. Bij zaaksvorming is er een nieuwe zaak, maar daarvan is de eigendom in gevallen waarop art. 5:16 lid 2 BW van toepassing is, uitdrukkelijk niet aan de eigenaar van de grondstof toegekend. De vervangende zaak komt dan niet voor de toekenning van vervangende goederenrechtelijke aanspraken in aanmerking, omdat de wetgever een andere afweging heeft gemaakt.
In deze gevallen dient daarom een verbintenisrechtelijke oplossing te worden gezocht, zoals een vordering op grond van art. 6:212 BW. Deze oplossing volgt ook uit de parlementaire geschiedenis behorend bij het niet ingevoerde art. 5.2.14 Ontwerp BW.28 Om buiten twijfel te stellen dat de algemene regels die voor vorderingen gelden ook in een dergelijk geval van toepassing zijn, bepaalde dit artikel dat originaire verkrijging op grond van de voorstaande artikelen (art. 5:14-16 BW) onverlet laat dat, indien daarvoor gronden zijn, tegen degene die krachtens die bepalingen eigenaar is geworden, een vordering uit onrechtmatige daad of wegens ongerechtvaardigde verrijking wordt ingesteld. Deze bepaling is geschrapt, omdat zij overbodig was.29 Het verbintenissenrecht biedt uitkomst als de wet in het goederenrecht geen passend antwoord geeft.