Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/4.2.2
2.2 Informatievoorziening
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS386453:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 30 juni 2010 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de invoering van een recht voor de ondernemingsraad van naamloze vennootschappen om een standpunt kenbaar te maken ten aanzien van belangrijke bestuursbesluiten en besluiten tot benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders en commissarissen alsmede ten aanzien van het bezoldigingsbeleid, Stb. 2010, 250.
SER-advies Evenwichtig ondernemingsbestuur, p. 62.
Kamerstukken I 2009-2010, 31 877, C, p. 2.
Kamerstukken II 2008-2009, 31 877, nr. 3, p. 11.
Dit heb ik uitgewerkt in Holtzer 2010b.
Zie over de rol van de ondernemingsraad bij het ontslag van de bestuurder de annotatie van Verburg bij Kantonrechter Apeldoorn 20 juni 2008, JOR 2008/226 (Wegener).
Zie over het standpuntbepalingsrecht bij totstandkoming van het bezoldigingsbeleid verder Holtzer 2012.
Duk wijst op jurisprudentie waarin het begrip ‘externe deskundige’ snel op bij de besluitvorming ingeschakelde personen wordt toegepast, zodanig dat daaronder onder meer ook medewerkers van een concerndienst vallen (Duk 2000b, p. 20, verwijzend naar OK 29 november 1984, NJ 1987, 991 en OK 21 juli 1983, NJ 1984, 776 m.nt. Maeijer). Hij meent dat de verplichting tot het vragen van advies niet geldt voor de inschakeling van een advocaat die adviseert over de aanpak van een in voorbereiding zijnde adviesprocedure.
OK 30 juli 1998, JAR 1998/197.
OK 9 juli 1998, JAR 1998/167.
Zie in vergelijkbare zin het oordeel van de Ondernemingskamer over de omvang van een adviesopdracht aan een externe deskundige OK 8 november 1990, ROR 1990/28 (BAT Nederland).
Kantonrechter Rotterdam, 23 april 2007, JAR 2007/152. Zie hierover Beltzer en Zaal 2008.
Kantonrechter Tiel, 15 juli 2009, JAR 2009/212 m.nt. Knipschild.
In hoofdstuk 3 besprak ik de rechten die de wetgever aan de ondernemingsraad heeft gegeven om informatie te verkrijgen over het strategisch beleid van de ondernemer. In de praktijk vormt het tijdig verkrijgen van informatie een belangrijk onderwerp bij de uitoefening van medezeggenschapsrechten. De ondernemingsraad van de naamloze vennootschap wordt hierbij geholpen door de introductie van het standpuntbepalingsrecht.
Op 1 juli 2010 is de wet in werking getreden die de ondernemingsraad van de naamloze vennootschap het recht geeft zijn standpunt kenbaar te maken over een aantal belangrijke strategische besluiten.1 De raad heeft sindsdien het recht zich uit te spreken over (1) belangrijke bestuursbesluiten in de zin van artikel 2:107a BW, (2) benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders en commissarissen ingevolge artikel 2:134a en artikel 2:144a BW, (3) vaststelling van het bezoldigingsbeleid in de zin van artikel 2:135 BW, en (4) benoeming op voordracht van commissarissen in het structuurregime ingevolge artikel 2:158 BW. Deze standpuntbepalingsrechten vloeien voort uit het SER-advies Evenwichtig ondernemingsbestuur;2 zij zijn niet beperkt tot beursvennootschappen, maar gelden voor alle naamloze vennootschappen.
De gedachte achter het standpuntbepalingsrecht is dat aandeelhouders bij hun besluitvorming moeten kunnen beschikken over informatie die zo volledig mogelijk is. Hiertoe behoort dat aandeelhouders kennis kunnen nemen van meningen van de werknemers, zodat zij zicht kunnen krijgen op het draagvlak voor het te nemen besluit. De rechten doen geen afbreuk aan de uiteindelijke bevoegdheid van de aandeelhouders om besluiten te nemen.3 De regeling lijkt dus primair te zijn gericht op versterking van de positie van aandeelhouders, niet op die van de werknemers. De ondernemingsraad is niet verplicht om zijn standpunt te bepalen4 en de algemene vergadering is niet verplicht om dit standpunt, wanneer het wel is gegeven, te volgen. De wetgever heeft de rechten niet van sancties voorzien. Wanneer het standpuntbepalingsrecht wordt genegeerd, geldt de regel van artikel 2:135 lid 2, laatste zin, BW, dat het ontbreken van dat standpunt de besluitvorming inzake het bezoldigingsbeleid niet aantast. Dat betekent dat nietigheid en vernietigbaarheid op grond van artikel 2:14 BW of artikel 2:15 BW zijn uitgesloten.5
Ondanks dit gebrek aan sancties meen ik dat het standpuntbepalingsrecht waarde kan vertegenwoordigen. De rechten kunnen leiden tot nieuwe alertheid bij ondernemingsraden en tot een einde aan het debat over de vraag of de ondernemingsraad een rol heeft bij de totstandkoming van de besluiten waarover zijn standpunt moet worden verkregen. Bij vennootschappen die hechten aan zorgvuldige besluitvorming – en dat zal bij beursvennootschappen (vaak) het geval zijn – komt de betrokkenheid van de ondernemingsraad spontaan tot stand, aangezien de vennootschap het initiatief moet nemen tot het verkrijgen van zijn standpunt. Als gevolg daarvan kunnen werknemers soms in een vroegtijdig stadium betrokken raken bij de totstandkoming van het beleid. Daarom schaar ik het standpuntbepalingsrecht onder de informatierechten van de ondernemingsraad, omdat ik vind dat daarin de kern is gelegen: zo verkrijgen ondernemingsraden gegevens over aanstaande strategische ontwikkelingen die anders niet of pas in een later stadium met hen zouden worden gedeeld. Zij worden uitgenodigd over deze besluiten na te denken en daarover een standpunt te formuleren. In hoeverre die betrokkenheid dan leidt tot werkelijke invloed, hangt mede af van de houding van de raad zelf. Bij beursvennootschappen kunnen (institutionele) beleggers het standpunt van de raad betrekken in hun stemgedrag over het voorgestelde beleid.
Als gevolg van het standpuntbepalingsrecht heeft de ondernemingsraad daarnaast het recht om aanwezig te zijn op de algemene vergaderingen waarin die besluitvorming plaatsvindt (het spreekrecht). Daaruit volgt dat de algemene vergadering van naamloze vennootschappen – ook als zij niet beursgenoteerd zijn – wellicht een grotere dynamiek zal gaan kennen dan voorheen het geval was. Met name in die situaties waarin ontslag van een bestuurder6 of een significante opwaartse aanpassing van het bezoldigingsbeleid aan de orde is, kunnen spanningen ontstaan die nu ook tijdens de behandeling op een algemene vergadering tot uiting kunnen komen. Het recht van de ondernemingsraad tot het bijwonen van de algemene vergadering is beperkt tot die gedeelten waarvoor het standpuntbepalingsrecht geldt,7 maar hij kan zo informatie verkrijgen over en deelnemen aan het debat over het strategisch beleid. Daarmee kan de discussie in de algemene vergadering in de praktijk scherper worden en leiden tot aanpassing van voorstellen van (of over) het bestuur, zeker wanneer de bezwaren van werknemers worden gedeeld of overgenomen door de aandeelhouders.
Het standpuntbepalingsrecht van de ondernemingsraad geldt overigens niet in zijn geheel voor de vennootschap die onderworpen is aan het volledige structuurregime, aangezien de besluitvorming over benoeming en ontslag van bestuurders bij de raad van commissarissen ligt. Bij het bezoldigingsbeleid is de algemene vergadering altijd het bevoegde orgaan. Voor de toepasselijkheid van dat recht maakt de structuur van de vennootschap dus niet uit.8
Het standpuntbepalingsrecht geldt niet voor de besloten vennootschap. De ondernemingsraad daarvan heeft – evenals die van de naamloze vennootschap – de algemene in de WOR genoemde informatierechten tot zijn beschikking, waaronder de bedrijfseconomische informatie op de voet van artikel 31 e.v. WOR en de informatie verkregen in een overlegvergadering op de voet van artikel 23 of 24 WOR. De ondernemingsraad die wil doordringen naar een eerdere fase in het besluitvormingsproces kan voorts een beroep doen op artikel 25 lid 1 sub n WOR, waarin is bepaald dat de ondernemer advies moet vragen voorafgaand aan het verstrekken en het formuleren van een adviesopdracht aan een externe deskundige buiten de onderneming betreffende een adviesplichtige aangelegenheid. Besluiten van ingrijpende aard worden vaak voorafgegaan door een dergelijke opdracht, bijvoorbeeld aan een strategische consultant of een corporate-finance-adviseur.9Over deze wettelijke bepaling wordt relatief weinig geprocedeerd en de jurisprudentie vertoont een wisselend beeld.
In de zaak Vluchtelingenwerk10 leidde een aan Coopers & Lybrand, een accountantskantoor, verstrekte opdracht tot onder meer het opstellen van een concept voor de statuten, een sociaal plan en een bestuurlijke samenwerkingsovereenkomst, zonder meer tot het oordeel dat Vluchtelingenwerk bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit tot het verstrekken van deze opdracht had kunnen komen. Voorts legde de Ondernemingskamer Vluchtelingenwerk de verplichting op dit besluit in te trekken.
Dat laatste gebeurde niet bij de verstrekking van de opdracht door Duinwaterbedrijf Zuid-Holland aan organisatieadviesbureau GEA tot aanstelling van een interim-manager en het uitwerken van een aantal strategische scenario’s.11 De Ondernemingskamer overwoog dat, nu dit besluit zonder voorafgaand advies was genomen, inderdaad tekort was gedaan aan de rechten en de belangen van de ondernemingsraad. Het voerde in de gegeven omstandigheden te ver om het onderzoek opnieuw te laten plaatsvinden. Daarbij nam de Ondernemingskamer in aanmerking dat de werknemers geen (duidelijke) bezwaren leken te hebben gehad tegen de opdracht aan GEA. Voorts ging de kamer ervan uit dat de ondernemer over de scenario’s de discussie met de ondernemingsraad zou aangaan en daarbij rekening zou houden met de omstandigheid dat hij geen invloed had kunnen hebben op de formulering van de adviesopdracht. Om die reden werd het verzoek tot intrekking van het besluit niet toegewezen.12 Mocht dit laatste oordeel van de Ondernemingskamer de lijn in de jurisprudentie gaan bepalen, dan lijkt het adviesrecht bij de benoeming van een deskundige buiten de onderneming weinig handvatten te bieden voor pogingen het beleidsvormingsproces in een vroeger stadium te beïnvloeden. Het aantal uitspraken over dit recht is overigens nog te gering om hieruit algemene conclusies te trekken.
Bij de verstrekking van de wettelijk gespecificeerde informatie van artikel 31 e.v. WOR lijkt de rechter een ruimere opvatting te kiezen, vooral waar het gaat om de retrospectieve (financiële) informatie van de vennootschap of de groep waarvan deze deel uitmaakt. De ondernemingsraad kan deze informatie zo nodig afdwingen door, na bemiddeling en advies van de bedrijfscommissie, een procedure op de voet van artikel 36 WOR te voeren.
In de zaak Archer Daniels,13 een verwerkingsbedrijf voor agrarische gewassen, oordeelde de kantonrechter dat artikel 31a WOR een vergaande informatieverplichting aan de ondernemer oplegt. De ondernemingsraad had aldus recht op de jaarrekening en het jaarverslag van de onderneming en, nu gebleken was dat sprake was van een groot aantal vennootschappen die opgenomen waren in de geconsolideerde verslaglegging, zodanige informatie dat de wederwaardigheden van de onderneming voor de raad navolgbaar waren. De ondernemer moest informatie verstrekken als ware de verslaggeving niet geconsolideerd. De ondernemingsraad diende volgens de kantonrechter inzicht te hebben in de bijdrage van de onderneming aan het gezamenlijk resultaat van alle groepsvennootschappen, temeer nu het totaaloverzicht niet door een centrale of groepsondernemingsraad kon worden beoordeeld. Gelet op de weigerachtige houding van de ondernemer werd in die zaak een dwangsom verbonden aan de verplichting tot het verstrekken van de gevraagde financiële gegevens.
Het informatierecht van de ondernemingsraad is ook hier niet onbegrensd. Zo wees de kantonrechter een verzoek van de ondernemingsraad van vakorganisatie De Unie af dat tot doel had informatie te verkrijgen over afvloeiingsregelingen van leden van het managementteam.14 De kantonrechter toetste dit verzoek aan de hand van de vereisten van artikel 31d WOR en was van oordeel dat het managementteam als “groep” kon worden aangemerkt in de zin van dat artikel. Dat bracht mee dat ook de normen op het gebied van de privacy van de betrokken personen van toepassing waren. Aldus moest alleen informatie worden verstrekt over de financiële effecten van de afspraken en niet over alle details daarvan.