Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/5.3.6:5.3.6 Nadere regels door lidstaten vast te stellen
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/5.3.6
5.3.6 Nadere regels door lidstaten vast te stellen
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS501491:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 186 Btw-richtlijn bevat de opdracht aan de lidstaten om voor toepassing van art. 184-185 Btw-richtlijn nadere regels vast te stellen. Het is onduidelijk wat de reikwijdte is van deze bepaling. Uit het ontstaan van de bepaling, zoals uiteengezet in de inleiding van dit hoofdstuk, volgt dat een soortgelijke bepaling onder de Zesde richtlijn niet bestond. In plaats daarvan kende de Zesde richtlijn (art. 20 lid 1) de toevoeging dat de aftrek ‘op de door de lidstaten vastgestelde wijze’ werd herzien. Daaruit zou met enige lenigheid van geest kunnen worden opgemaakt dat de vrijheid van lidstaten om voorwaarden te stellen met de invoering van de Btw-richtlijn is verbreed. Desondanks komt het mij voor dat geen verschil met de Zesde richtlijn is beoogd. Ik vermoed dan ook dat de verschillen enkel een gevolg zijn van de herschikking van de richtlijn. Daarnaast zou ik ervoor willen pleiten om (zeker daar waar het de in art. 90 Btw-richtlijn bedoelde categorieën betreft) aan art. 186 Btw-richtlijn eenzelfde betekenis toe te kennen als de ‘door lidstaten te stellen voorwaarden’. Er zit mijns inziens namelijk weinig licht tussen het ‘stellen van nadere regels’ en het ‘stellen van voorwaarden’.
Ik volsta hier met een korte samenvatting van mijn eerdere bevindingen (paragraaf 3.3.5). Gebleken is dat de door de lidstaten in het kader van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn te stellen voorwaarden, waaraan belastingplichtigen moeten voldoen om het recht op verlaging van de maatstaf van heffing te kunnen uitoefenen, beperkt zijn tot die welke de mogelijkheid bieden aan te tonen dat de vergoeding in elk van de in art. 90 lid 1 Btw-richtlijn opgesomde categorieën niet zal worden ontvangen. Daar waar het in art. 90 Btw-richtlijn draait om het recht van de belastingplichtige om de maatstaf van heffing te verlagen, betreft het in art. 185 lid 2 eerste alinea Btw-richtlijn vanzelfsprekend om het recht van de belastingplichtige om in bepaalde situaties de aftrek niet te hoeven herzien en gaat het in art. 185 lid 2 tweede alinea om het recht van de Belastingdienst om in bepaalde situaties btw te kunnen naheffen. Hieruit volgt dat de ‘nadere regels’ enkel betrekking mogen hebben op het aantonen of zich één van de in art. 185 lid 2 Btw-richtlijn opgesomde gevallen heeft voorgedaan. Lidstaten zijn echter niet volledig vrij in het stellen van voorwaarden of nadere regels. Wanneer een lidstaat niet of onvoldoende heeft voorzien in procedures op grond waarvan bedoelde rechten geldend kunnen worden gemaakt of als een lidstaat wel heeft voorzien in bepaalde regels, maar als gevolg daarvan het behouden van het aftrekrecht onmogelijk of uiterst moeilijk is (bijvoorbeeld omdat de voorwaarden te stringent zijn, waardoor er een inbreuk plaatsvindt op het neutraliteits- en evenredigheidbeginsel), staat het de belastingplichtige vrij een rechtstreeks beroep te doen op de Btw-richtlijn. De ‘nadere regels’ mogen aldus geen betrekking hebben op de inhoud van de bepaling; zij mogen uitsluitend zien op de vormvoorschriften waaraan moet worden voldaan om geen herziening van de aftrek te bewerkstelligen, mits zij geen afbreuk doen aan de doeleinden en beginselen van de Btw-richtlijn.