Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/3.3.1
3.3.1 Gronden voor uitstel van het verzoek tot inbezitneming
S.J.L.M. van Bergen, datum 13-11-2018
- Datum
13-11-2018
- Auteur
S.J.L.M. van Bergen
- JCDI
JCDI:ADS624975:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Clark e.a. 2014, p. 599 en Harpum, Bridge & Dixon 2012, p. 1154. Dat is anders bij woonruimte; particulieren ontlenen onder meer bescherming aan: art. 36 Administration of Justice Act 1970, Rent Act, Protection form Eviction Act 1977 en s 126 Consumer Credit Act 1974.
Burn & Cartwright 2011, p. 848. Procesrechtelijke mogelijkheden van uitstel blijven hier buiten beschouwing (CPR Pt 3).
Clark e.a. 2014, p. 599, met een verwijzing naar Toms v Wilson (1863) 4 b&s 442; ANZ Banking Group (NZ) Ltd v Gibson [1981] 2 NZLR 513.
Moore v Shelley (1883) 8 pp Cas 285, PC; Cripps (Pharmaceuticals) Ltd v Wickenden [1973] 2 All ER 606, [1973] 1 WLR 944; ANZ Banking Group (NZ) Ltd v Gibson [181] 2 NZLR 513; cf Ronald Elwyn Foster Ltd v Dunlop Canada Ltd [1982] 1 SCR 726. Zie ook Hudson 2009, p. 1229.
Burn & Cartwright 2011, p. 848, Gray & Gray 2011, p. 306 en Birmingham Citizens Permanent Building Society v Caunt [1962] Ch 883, waarin zelfs bij woonruimte werd geoordeeld dat een rechtbank geen middelen had om inbezitneming af te wijzen. Later is in dit verband art. 36 AJA ingevoerd, dat uitstel van inbezitneming van woningen mogelijk maakt, zie Ropaigealach v Barclays Bank Plc [2000] QB 263.
Clark e.a. 2014, p. 633, met een verwijzing naar Royal Trust Co of Canada v Markham [1975] 3 All ER 433, [1975] 1 WLR 1416, CA; Cheltenham & Gloucester plc v Booker (1996) 73 P & CR 412, 29 HLR 634, CA; National Westminster Bank plc v Kitch [1996] 1 WLR 1316; (1997) LS 483 (Haley), zie ook Gray & Gray 2011, p. 306.
Burn & Cartwright 2011, p. 848, voetnoot 330, McFarlane, Hopkins & Nield 2017, p. 281, met verwijzing naar Citibank Trust Ltd v Ayivor [1987] 1 WLR 1157; Mobil Oil Co Ltd v Rawlinson (1982) 43 P & CR 221; in Albany Home Loans Ltd v Massey (1997) 29 HLR 902 is deze regel bevestigd.
Als er sprake is van een equitable right of set-off (recht op verrekening van twee samenhangende vorderingen), zie Clark e.a. 2014, p. 599, noot 7, en Harpum, Bridge & Dixon 2012, p. 1153, met verwijzingen naar onder meer National Westminster Bank plc v Skelton [1993] 1 WLR 72; Ashley Guarantee plc v Zacaria [1993] 1 All ER 254, [1993] 1 WLR 62 (idem), en Dunbar Assets plc v Dorcas Holdings Limited [2013] EWCA Civ 864 at [22].
Mobil Oil Co Ltd v Rawlinson (1982) 43 P & CR 226.
Wonnacott 2006, p. 80.
De rechter aan wie het verzoek tot inbezitneming wordt voorgelegd, toetst hoofdzakelijk of de overeengekomen voorwaarden voor inbezitneming zijn vervuld. Als dat zo is, dan zijn er (zeker) in commerciële verhoudingen voor de hypotheekgever maar weinig mogelijkheden om zich tegen de inbezitneming te verweren.1 Het afwijzen van een verzoek tot inbezitneming is in dat geval in principe niet aan de orde en rechters zijn ook zeer terughoudend met het verlenen van uitstel.2
Uit de literatuur volgen slechts enkele voorbeelden waarin de hypotheekgever respijt werd verleend. Een eerste voorbeeld is het geval waarin een lening op eerste verzoek van de financier moest worden terugbetaald. In de kredietovereenkomst was het recht op inbezitneming van de hypotheekhouder afhankelijk gemaakt van verzuim met betrekking tot die terugbetalingsverplichting. In zo’n situatie moet de hypotheekhouder na het doen van een betalingsverzoek de hypotheekgever een redelijke termijn geven om te betalen, voordat hij het vastgoed in bezit mag nemen.3 Een ander voorbeeld is een zaak waarin een vertegenwoordiger van de hypotheekhouder om betaling verzocht. De hypotheekgever moet dan een redelijke termijn krijgen om de inningsbevoegdheid van de vertegenwoordiger te verifiëren voordat de hypotheekhouder tot inbezitneming mag overgaan.4 De hypotheekhouder zal in zo’n situatie even pas op de plaats moeten maken.
Een laatste, wat algemenere grond voor het verlenen van uitstel bestaat wanneer de hypotheekgever binnen een redelijke termijn (within reasonable period) in staat zal zijn om de gehele gesecureerde vordering te voldoen.5 Om op deze grond uitstel te verlenen moet er daadwerkelijk een concrete mogelijkheid tot aflossing van de vordering zijn, bijvoorbeeld doordat de hypotheekgever een koopovereenkomst heeft gesloten waarbij de overeengekomen koopprijs hoog genoeg is om de vordering mee af te lossen.6 De rechter heeft weinig vrijheid; als de hypotheekgever niet een concrete terugbetalingsmogelijkheid kan aanwijzen, dan wordt het verzoek tot inbezitneming toegewezen.
Ook het bestaan van een tegenvordering van de hypotheekgever op de hypotheekhouder vormt in beginsel onvoldoende grond om een verzoek tot inbezitneming af te wijzen.7 Dat zou anders kunnen zijn als een te verrekenen tegenvordering (met een recht van equitable set-off) gelijk is aan de hypothecaire vordering, of deze zelfs overstijgt. In dat geval kan immers betoogd worden dat de hypothecaire vordering niet meer bestaat en er dus ook geen ruimte meer is voor het uitoefenen van hypothecaire bevoegdheden.
De Engelse jurisprudentie biedt echter nog geen uitsluitsel over de vraag of in dat geval een beroep op verrekening voldoende is voor het opschorten van inbezitneming door de hypotheekhouder.8 Hieraan staat het principe in de weg dat de hypotheekgever niet eenzijdig de hoogte van de hypothecaire vordering kan aanpassen:
‘The principle is that a mortgagor cannot unilaterally appropriate the amount of a cross-claim (…) in discharge of the mortgage debt.’9
Vooralsnog moet daarom worden aangenomen dat bij een beroep op het bestaan van een tegenvordering de hypotheekhouder het vastgoed ‘gewoon’ in bezit mag nemen, waarna over het bestaan en de omvang van de tegenvordering én de vraag of die met de hypothecaire vordering verrekend mag worden, geprocedeerd kan worden.10