Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.6:3.6 Conclusie
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.6
3.6 Conclusie
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS299431:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk staat de vraag centraal wanneer het stadium in de onderhandelingen intreedt waarin het de onderhandelende partijen niet langer vrij staat om de onderhandelingen eenzijdig af te breken. Dat stadium kan op twee manieren worden bereikt, ofwel omdat er sprake is van rechtens relevant vertrouwen dat enigerlei contract uit de onderhandelingen zal gaan resulteren ofwel omdat zich "andere omstandigheden" voordoen die maken dat het eenzijdig beëindigen van de onderhandelingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Wanneer zich die laatste situatie voordoet, is vooralsnog ongewis. In neem aan dat de Hoge Raad het oog heeft gehad op het eertijds in het kader van het ontwerp Nieuw BW voorgestelde maar nimmer ingevoerde art. 6.5.2.8a. Uit de parlementaire geschiedenis op deze bepaling volgt dat als mogelijke "andere omstandigheden" die het afbreken van onderhandelingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zouden kunnen maken, hebben te gelden: het belang dat met de totstandkoming van de overeenkomst is gemoeid, zoals bij het voeren van onderhandelingen over collectieve arbeidsvoorwaarden onder invloed van een dreigende staking, het belang van de wederpartij in verband met het door de overheid te betrachten gelijkheidsbeginsel en verplichtingen tot onderhandelen die uit andere rechtsverhoudingen voortvloeien, alsmede bedongen verplichtingen tot onderhandelen. Naar ik meen zouden daar ook situaties onder moeten worden geschaard waarin de belangen van derden die bij de onderhandelingen op enigerlei wijze van doen hebben gehad of op wie de onderhandelingen invloed zouden kunnen hebben, zijn betrokken.
In verreweg de meeste zaken in verband met afgebroken onderhandelingen gaat het evenwel om het hiervoor bedoelde totstandkomingsvertrouwen. Wanneer rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen geacht moet worden te hebben postgevat, is een buitengewoon casuïstische vraag die slechts beantwoord kan worden op grond van alle relevante omstandigheden van het geval. Duidelijk is in elk geval dat het rechtens relevante totstandkomingsvertrouwen in beginsel niet zal kunnen postvatten indien partijen het over de essentialia van de te sluiten overeenkomst nog niet eens zijn. Wat echter als essentialia valt aan te merken, is bepaald niet eenduidig en hangt enerzijds af van de aard en het onderwerp van de overeenkomst waarover wordt onderhandeld en anderzijds van de persoonlijke perceptie van partijen voor zover die aan de onderhandelingspartner kenbaar is of aan de onderhandelingspartner geacht moet worden bekend te zijn. Zo is het denkbaar dat onderdelen van de overeenkomst waarover wordt onderhandeld wellicht na objectieve maatstaven en bezien in het licht van het geheel dat partijen beogen te regelen, als niet relevant of slechts van (zeer) ondergeschikt belang moeten worden gekwalificeerd, maar dat dit voor één van de onderhandelende partijen op voor zijn onderhandelingspartner kenbare wijze anders ligt. In dat geval behoren die omstandigheden tot de essentialia van de overeenkomst zonder overeenstemming over welke van het hiervoor bedoelde rechtens relevante totstandkomingsvertrouwen geen sprake kan zijn.
Sinds het arrest JPO/CBB geldt dat bij het aannemen van rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen een "strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf moet worden aangelegd". Uit een analyse van met name de lagere jurisprudentie die is gewezen na het arrest JPO/CBB komt naar voren dat ook de begrippen "streng" en "terughoudend" bepaald geen eenduidige begrippen zijn. Het aannemen van rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen was al een hele feitelijke kwestie, maar met de verschillende interpretaties die in de lagere jurisprudentie lijken te worden gegeven aan de door de Hoge Raad in het arrest JPO/CBB geformuleerde norm, maken de rechtsonzekerheid voor wat betreft het antwoord op de vraag of rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen moet worden aangenomen, alleen maar groter. Hier ligt een taak voor de feitenrechter om de praktijk door middel van heldere en uitvoerig gemotiveerde vonnissen en arresten handvatten te geven om in een voorkomend geval vast te kunnen stellen of de aan een bepaalde zaak ten grondslag liggende feiten, in onderling verband en samenhang beschouwd, voldoende grondslag bieden voor het aannemen van rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen.