Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.3.4.3
6.3.4.3 De bevoegdheid tot het opleggen van administratieve sancties
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS394872:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit wordt ook bevestigd in artikel 5:4, eerste lid, van de Awb hoewel dit legaliteitsbeginsel voor bestuurlijke sancties alleen van toepassing is op in hoofdstuk 5 geregelde bestuurlijke sancties en bij wettelijk voorschrift aangewezen andere bestuurlijke sancties. Zie hieromtrent Bffiring & Naves 2010, p. 453.
Zie uitgebreid hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.5.3.
Zie artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.
Zie de artikelen 68 tot en met 70 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.
Zie artikel 16, zesde lid, van de Commissieverordening nr. 1975/2006.
Zie CBb 11 februari 2004, LJN A04316; CBb 31 augustus 2001, AB 2001, 362, m.nt. J.H. van der Veen. Uit CBb 31 augustus 2001, AB 2001, 374, m.nt. J.H. van der Veen, blijkt dat de minister van LNV het standpunt inneemt dat de bevoegdheid tot het opleggen van sancties op grond van de Verordening nr. 1469/95 wat betreft de uitvoerrestituties berustte op artikel 85, zevende lid, van de In- en uitvoerbeschikking landbouwgoederen 1981.
Zie bijvoorbeeld CBb 7 januari 2011, LJN BP2677, r.o. 5.4; CBb 17 september 2009, LJN BJ8629, r.o. 3.4; CBb 31 januari 2008, LJN 13C4126, r.o. 5.1; CBb 31 december 2003, LJN A02575, r.o. 2.4;
Zie hieromtrent ook Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 240-241.
Voor de ELFPO-subsidies die door GS worden verstrekt is een soortgelijke bepaling te vinden in de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer. Zie bijvoorbeeld artikel 4.1.1.5, eerste lid, aanhef en onder c van de regeling die geldt voor Noord-Brabant.
Zie bijvoorbeeld CBb 25 november 2005, LJN AU7838 en CBb 18 februari 2009, LJN BH4683. In laatstgenoemde uitspraak overweegt het CBB dat de minister van LNV was gehouden om toepassing te geven aan artikel 51 van de Commissieverordening nr. 796/2004 en daarom een uitsluiting moest opleggen.
Zie bijvoorbeeld CBb 29 april 2008, LJN BD2413 waarin niet alleen de reeds betaalde slachtpremie van 2.304,00 euro werd teruggevorderd, maar de eindontvanger van de Europese subsidie bovendien werd uitgesloten van premie voor een bedrag van 9.581,16 euro. Dit betekent dat een volgende aanvraag met dat bedrag wordt gekort.
Zie bijvoorbeeld CBb 23 april 2008, AB 2008, 233, m.nt. T. Barkhuysen (Socopa) waarin niet alleen de voorgeschoten uitvoerrestitutie werd teruggevorderd, maar daarbij ook een boete van bijna 500.000,00 euro werd opgelegd. Deze bevoegdheid voor het Productschap Vee en Vlees werd afgeleid uit de bevoegdheid om op de aanvraag voor een restitutie te beslissen.
Zie uitgebreid hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.5.3.
HvJEG 19 november 2002, C-304/00 (Strawson), Jur. 2002, p. 1-10737.
Zie bijvoorbeeld artikel 3:3 van het Algemeen Douanebesluit waarin is bepaald dat de minister bevoegd is de sancties op te leggen als bedoeld in de artikelen 51 en 52 van de Verordening nr. 800/1999.
Zie bijvoorbeeld de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Brabant.
Zie hieromtrent ook Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 241.
Vergelijk artikel 3:3 van het Algemeen Douanebesluit. Ingevolge de aanhef gelezen in verbinding met sub b is de minister van EL&I bevoegd de sancties op te leggen als bedoeld in de artikel 51 en 52 van de Commissieverordening nr. 800/1999.
Op grond van het legaliteitsbeginsel dient ook in Nederland het opleggen van sancties te berusten op een wettelijke grondslag.1 Een algemene regeling voor het opleggen van herstelsancties en bestuurlijke boetes door bestuursorganen is neergelegd in titel 5.3 en 5.4 van de Awb. Deze regeling heeft in beginsel geen betekenis voor de verstrekking van Awb-subsidies, nu in de subsidietitel geen bevoegdheden zijn neergelegd tot het toepassen van bestuursdwang, het opleggen van een bestuurlijke dwangsom en het opleggen van een bestuurlijke boete. Ook in de bijzondere wetten in formele zin die zien op de verstrekking van subsidies, zoals de Landbouwwet en de subsidiekaderwetten, is niet de bevoegdheid neergelegd om deze sancties op te leggen. In de subsidietitel van de Awb bestaan wel bevoegdheden voor het subsidieverstrekkende bestuursorgaan om in bepaalde limitatieve gevallen een verleende subsidie lager vast te stellen, te wijzigen en in te trekken. Ook een reeds vastgestelde subsidie kan worden gewijzigd en ingetrokken. De subsidiekaderwetten breiden deze bevoegdheden tot lagere vaststelling, wijziging en intrekking in sommige gevallen uit.2 Deze bevoegdheden kunnen derhalve tot niet meer leiden dan terugbetaling van het subsidiebedrag.
In de optiek van de Europese landbouwsubsidieverordeningen is het in geval van onregelmatigheden doorgaans niet voldoende dat de Europese subsidie wordt geweigerd of terugbetaald. In hoofdstuk 5 is besproken dat het voorkomt dat uiteindelijk een bedrag aan het nationaal uitvoeringsorgaan moet worden betaald — vergelijkbaar met een bestuurlijke boete —, dat een eindontvanger van een Europese subsidie gedurende een bepaalde periode of voor een bepaald bedrag van het ontvangen van een Europese subsidie moet worden uitgesloten en dat een voor deelneming aan een Europese subsidieregeling benodigde erkenning wordt ingetrokken.3 Deze administratieve sancties komen bovenop de weigering van ten onrechte aangevraagde Europese subsidies of de intrekking van reeds betaalde Europese subsidies, waarop in de volgende paragraaf zal worden ingegaan.
Voormelde Europeesrechtelijke administratieve sancties zijn voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk geformuleerd, zodat zij rechtstreeks door nationale uitvoeringsorganen kunnen worden toegepast. Voor geen van de sancties is in de Europese subsidieverordeningen echter geregeld welk specifiek Nederlands bestuursorgaan bevoegd is deze sancties op te leggen. In veel gevallen ontbreekt ook een nationale bevoegdheidsgrondslag.
Dit geldt bijvoorbeeld voor de administratieve sancties tot uitsluiting die zijn neergelegd in artikel 72, tweede lid, van de Commissieverordening nr. 1122/2009. Deze sancties dienen te worden opgelegd in het kader van de bedrijfstoeslag. Uit de Verordening nr. 1290/2005 volgt dat deze sancties moeten worden opgelegd door het betaalorgaan. Wat de bedrijfstoeslag betreft geldt weliswaar dat in Nederland de Dienst Regelingen als betaalorgaan is aangewezen, maar dit is niet neergelegd in een wettelijk voorschrift. Daarbij komt dat de Europese administratieve sancties in de praktijk door de minister van EL&I worden opgelegd; de Dienst Regelingen legt de administratieve sancties slechts in mandaat op. Een bevoegdheid voor de minister om deze sancties op te leggen is echter niet te vinden in de Landbouwwet. In de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 is weliswaar aan de minister een bevoegdheid toegekend subsidie op grond van de bedrijfstoeslagregeling te verstrekken4 en de Europese subsidie in de in de Commissieverordening nr. 1122/2009 genoemde gevallen in te trekken en kortingen op te leggen,5 maar de bevoegdheid tot oplegging van de voormelde administratieve sancties tot uitsluiting neergelegd in de Commissieverordening nr. 1122/2009 ontbreekt.
Een tweede voorbeeld bieden de sancties tot uitsluiting voor een bepaald subsidiebedrag die moeten worden opgelegd op grond van de Commissieverordening nr. 1975/2006 (ELFPO). Indien de aanvrager of eindontvanger van de Europese subsidie 20% meer oppervlakte opgeeft dan waarover hij beschikt, wordt hij niet alleen uitgesloten van de steun die hij voor een bepaald kalenderjaar had kunnen krijgen, maar nogmaals van steun uitgesloten tot het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte. Hoewel dit bedrag dat hieruit voortvloeit wordt verrekend met de steunbetalingen in het kader van andere steunmaatregelen waarop de betrokkene aanspraak kan maken op grond van de aanvragen die hij indient in de drie kalenderjaren volgend op het kalenderjaar van de betrokken bevinding,6 komt deze kortingsregeling neer op een boete. Er wordt immers meer ingetrokken dan de Europese subsidie waarop de eindontvanger van de Europese subsidie in een bepaald kalenderjaar op grond van een bepaalde subsidieregeling recht had gehad als hij zich aan de regels had gehouden. Dat in de Commissieverordening nr. 1975/2006 wordt gekozen voor een verrekeningsmethodiek doet daaraan niet af. In artikel 10.1 van de Subsidieregeling natuur-en landschapsbeheer Noord-Brabant is bepaald dat GS de subsidie overeenkomstig artikel 16 van de Commissieverordening nr. 1975/2006 de jaarvergoeding verlaagt indien de omvang van het uitgevoerde agrarisch beheerpakket, het uitgevoerde beheerpakket landschap of de oppervlakte van de landbouwgrond waarop wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn verbonden aan een toeslag of een probleemgebiedensubsidie kleiner is dan de omvang waarvoor die subsidie is verleend. Nu in deze bepaling slechts wordt gesproken van verlaging van de jaarvergoeding, biedt de bepaling mijns inziens geen grondslag voor het opleggen van een extra uitsluiting die tot gevolg heeft dat het recht op een Europese subsidie in andere kalenderjaren en op grond van andere Europese subsidieregelingen wordt verminderd. Ook in andere regelingen is deze grondslag niet te vinden.
Een derde voorbeeld bieden de maatregelen die op grond van de Verordening nr. 1469/1995 moeten worden opgelegd ten aanzien van begunstigden van Europese subsidies die zich kort gezegd schuldig hebben gemaakt aan het plegen van doelbewuste onregelmatigheden. In het nationale recht is alleen wat betreft de exportrestituties in artikel 3.19, vierde lid, van de Algemene douaneregeling geregeld dat het productschap bevoegd is tot het opleggen van maatregelen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Verordening nr. 1469/1995. Omdat het om ingrijpende sancties gaat, zou voor het productschap ook een bevoegdheid in een wet in formele zin moeten zijn neergelegd. In de paar uitspraken van het CBb die bestaan omtrent het uitoefenen van deze bevoegdheid, wordt aan de bevoegdheidskwestie geen afzonderlijke aandacht besteed.7 Voor de overige Europese subsidies is bij mijn weten niet geregeld welk Nederlands bestuursorgaan bevoegd is de maatregelen als verscherpte controle dan wel de uitsluiting voor een bepaalde periode van een Europese subsidieregeling op te leggen.
Een bevoegdheidsgrondslag voor het opleggen van de Europese administratieve sancties kan niet worden gevonden in de subsidietitel van de Awb. Nog daargelaten dat de subsidietitel van de Awb voor sancties als de uitsluiting en het opleggen van boetes geen grondslag bevat, bestaat, gelet op de rechtstreekse toepasselijkheid van de Europese bepalingen, geen ruimte voor de subsidietitel van de Awb. Het nationaal uitvoeringsorgaan is verplicht om de Europese sanctiebepalingen rechtstreeks toe te passen. Dit wordt ook door het CBb erkend.8 De praktijk dat de uitsluiting van het ontvangen van een Europese subsidie voor het jaar volgend op het kalenderjaar waarin zich onregelmatigheden hebben voorgedaan, wordt vormgegeven in een besluit tot weigering van de Europese subsidie,9 is dan ook niet alleen nodeloos ingewikkeld, maar evenmin in overeenstemming met het Europese recht. Voorts betekent deze constructie dat door de ontvanger/aanvrager van de Europese subsidie pas tegen de sanctie van uitsluiting kan worden opgekomen, nadat een nieuwe aanvraag voor een nieuwe subsidieperiode is gedaan.
Een voorbeeld biedt artikel 1:20, derde lid, aanhef en onder b, van de Regeling ',Nv-subsidies. Deze bepaling ziet op de ELFPO-subsidies die door de minister van EL&I worden verstrekt en schrijft voor dat de minister de subsidieverlening weigert indien in het voorafgaande jaar met opzet onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt bij een aanvraag tot subsidieverlening of subsidievaststelling met betrekking tot dezelfde activiteit.10 Deze bepaling dient ter uitvoering van artikel 31, tweede lid, van de Commissieverordening nr. 1975/2006 waarin onder meer is bepaald dat indien blijkt dat een begunstigde opzettelijk een valse verklaring heeft afgelegd, hij voor het daaropvolgende kalenderjaar wordt uitgesloten van het ontvangen van steun in het kader van dezelfde maatregel. Omdat deze bepaling zich leent voor rechtstreekse toepassing, zou echter voldoende zijn geweest wanneer in het nationale recht zou zijn neergelegd dat de minister bevoegd is tot het toepassen van artikel 31, tweede lid, van de Commissieverordening nr. 1975/2006. Omdat artikel 1:20, derde lid, aanhef en onder b, van de Regeling LNV-subsidies niet verwijst naar artikel 31, tweede lid, van de Commissieverordening nr. 1975 /2006, wordt bovendien de Europese herkomst van de bepaling verhuld.
Betoogd zou kunnen worden dat met de bevoegdheid tot het verstrekken van de Europese landbouwsubsidies die doorgaans is neergelegd in de Landbouwwet, een geïmpliceerde bevoegdheid tot het opleggen van de in de Europese subsidieverordeningen neergelegde administratieve sancties bestaat. Het uitgangspunt is immers dat de sancties in het kader van aanvraag voor de Europese subsidie worden opgelegd. Logischerwijs is het orgaan dat bevoegd is om te beslissen op de subsidieaanvraag — dit is de minister op grond van de Landbouwwet — ook bevoegd om de administratieve sancties op te leggen. Hiervan lijkt ook het CBb uit te gaan, nu in jurisprudentie waarin het gaat om het opleggen van voormelde sancties geen aandacht wordt besteed aan de bevoegdheid om deze sancties op te leggen.11 Voor zover de Europese administratieve sanctie niet tot meer leidt dan dat in het geheel geen recht meer bestaat op een Europese subsidie, kan ik mij een dergelijke geïmpliceerde bevoegdheid nog wel voorstellen. Voor de sancties van uitsluiting voor een bepaalde periode dan wel voor een bepaald bedrag12 en het betalen van een boete13 ligt dit anders. Dat het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat uitsluitingen geen punitief karakter hebben (voor de boete moet het oordeel van het Hof nog worden afgewacht),14 maakt niet dat niet langer een afdoende wettelijke grondslag is vereist, zowel op Europees als nationaal niveau. Daarbij komt dat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat de sancties niet alleen in het kader van de beoordeling van de aanvraag moeten worden opgelegd, maar ook indien de onregelmatigheden pas aan het licht komen indien de Europese subsidie reeds is uitbetaald 15 Gelet hierop, is mijns inziens een afzonderlijke bevoegdheidsgrondslag in het nationale recht noodzakelijk.
De vraag die vervolgens rijst is in hoeverre deze grondslag in een wet in formele zin moet zijn neergelegd. Voor de bevoegdheden tot het opleggen van Europese administratieve sancties die wel zijn geregeld in het nationale recht, geldt dat zij niet in een wet in formele zin zijn neergelegd, maar in een amvb16 of een provinciale verordening.17 Voor zover de subsidietitel van de Awb geen bevoegdheid kent om deze sancties op te leggen, ontstaat vanuit nationaalrechtelijk perspectief strijd met de Awb.18 De materiële bevoegdheid tot het opleggen van de Europese administratieve sancties is echter neergelegd in Europese subsidieverordeningen die voorrang hebben op de subsidietitel van de Awb. De subsidietitel van de Awb is in zoverre dan ook niet van toepassing. Om verwarring te voorkomen, verdient het echter de voorkeur dat in de Wet inzake Europese subsidies wordt neergelegd dat het bestuursorgaan dat bevoegd is de Europese subsidie te verstrekken, ook bevoegd is de in de Europese subsidieverordeningen voorgeschreven Europese administratieve sancties op te leggen. Hiermee wordt duidelijk dat de subsidietitel van de Awb in zoverre geen betekenis heeft.
In dat kader moet dan wel duidelijk zijn dat het gaat om een Europese verplichting. In de uitspraak van het CBb van 2 februari 200919 was in een nationale regeling neergelegd dat degene die door ernstige nalatigheid of opzet een onjuiste aanvraag tot subsidievaststelling voor het betreffende kalenderjaar had ingediend, werd uitgesloten van alle steun op grond van de Verordening nr. 1257/2006. Er ontstond verwarring over de vraag in hoeverre deze bepaling een ruimere mogelijkheid tot uitsluiting bood dan de rechtstreeks toepasselijke bepalingen die waren neergelegd in de Commissieverordening nr. 817/2004. Het CBb moest uit de wetsgeschiedenis afleiden dat met de nationale bepaling was bedoeld de inhoud van een bepaling uit de Europese verordening weer te geven. Gelet hierop vindt het CBb geen aanleiding de nationale bepaling ruimer uit te leggen dan zij was bedoeld. Het artikel kan dus geen grond vormen voor het opleggen van een zwaardere sanctie dan ingevolge de Commissieverordening nr. 817/2004 moest worden opgelegd.
In een lagere subsidieregeling kan vervolgens per Europese subsidie worden gespecificeerd om welke Europeesrechtelijke administratieve sancties het gaat. Daarbij moet worden voorkomen dat de suggestie wordt gewekt dat de nationale gelding van Europeesrechtelijke administratieve sancties afhankelijk is van 'nationale incorporatie' van deze sancties. Een mogelijkheid is dat in een lagere subsidieregeling wordt neergelegd dat het desbetreffende subsidieverstrekkende bestuursorgaan bevoegd is de sancties op te leggen als bedoeld in bijvoorbeeld de Commissieverordening nr. 1122/2009.20 De materiële bevoegdheid is neergelegd in de Europese verordening; de institutionele bevoegdheid is neergelegd in een lagere subsidieregeling die is gebaseerd op een wet in formele zin waarin voor het subsidieverstrekkende bestuursorgaan de algemene bevoegdheid tot het opleggen van Europeesrechtelijke administratieve sancties is neergelegd.