Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/7.5.2.3
7.5.2.3 Ongelijke informatieverstrekking
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971937:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit ligt besloten in de aard van een beginsel, zie hierover ook Alexy 2021, p. 1-2, waar beginselen worden geduid als ‘optimization requirements’.
HR 31 december 1993, NJ 1994/436 m.nt. J.M.M. Maeijer (Verenigde Bootlieden).
HR 31 december 1993, NJ 1994/436 m.nt. J.M.M. Maeijer (Verenigde Bootlieden), r.o. 4.3.1 onder (3).
Zie Raaijmakers 2012, p. 47 e.v. Raaijmakers noemt ook een belangenafweging, maar erkent dat dit in principe ook al wordt ondervangen door de proportionaliteitstoets (zie Raaijmakers 2012, p. 52: “De afwijking zal in verhouding dienen te staan tot het nadeel dat de ongelijk behandelde aandeelhouder(s) ondervinden. In wezen vloeit dit al voort uit de hiervoor beschreven afweging tussen belang van de vennootschap en veroorzaakt nadeel.”).
Zie ook par. 7.4.2.6 hiervoor.
Absoluut is het recht op gelijke behandeling niet;1 onder omstandigheden kan een ongelijke behandeling geoorloofd zijn. Richtinggevend in dit verband is het Verenigde Bootlieden-arrest, waarin de Hoge Raad overwoog dat van schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake is indien voor de ongelijke behandeling een redelijke en objectieve rechtvaardiging kan worden aangewezen.2 In die zaak bestond de ongelijke behandeling eruit dat sommige aandeelhouders wel en andere geen nieuw uitgegeven aandelen ontvingen. Het doel hiervan was om te bewerkstelligen dat alle aandeelhouders gebruik zouden kunnen maken van de deelnemingsvrijstelling. De Hoge Raad achtte dit een redelijk en objectieve rechtvaardiging:
“De bijzondere (…) omstandigheden – met name de omstandigheid (r.o. 15) dat het ging om het opheffen van een voor vier aandeelhouders nadelige fiscale ongelijkheid, door maatregelen welke voor de andere aandeelhouders slechts een relatief geringe daling van hun belang meebrachten – vormen een zodanige rechtvaardiging.”3
In de kern vindt aldus een proportionaliteits- en een subsidiariteitstoets plaats.4 Het belang dat wordt gediend met de ongelijke behandeling wordt afgewogen tegen het daardoor veroorzaakte nadeel (proportionaliteit). Ondervindt de aandeelhouder geen concreet nadeel als gevolg van de ongelijke behandeling, dan komt het gelijkheidsbeginsel in beginsel dus ook niet in het geding. Daarnaast zal worden gekeken of er minder bezwarende en realistische alternatieven voorhanden zijn die vergelijkbare of lagere kosten met zich brengen om hetzelfde doel te behalen (subsidiariteit). Beide toetsen moeten worden gehaald. Daarbij komt aan de vennootschapsleiding een zekere mate van beleidsvrijheid toe. De rechter dient dit marginaal te toetsen, met name waar het ziet op subsidiariteit.
Of in een gegeven situatie ongelijke informatieverstrekking al dan niet gerechtvaardigd kan zijn, dient steeds te worden vastgesteld op basis van de concrete feiten en omstandigheden. Een uitputtend overzicht valt daardoor niet te geven. Ik kan mij echter voorstellen dat ongelijke behandeling geoorloofd kan zijn in bepaalde gevallen waarin een aandeelhouder een belang heeft dat tegenstrijdig is aan dat van de vennootschap. Zo zal een vennootschap zich terughoudender mogen opstellen indien de aandeelhouder de aldus te verstrekken informatie kan aanwenden ten behoeve van zijn concurrerende onderneming. Hetzelfde geldt indien de aandeelhouder beoogt de verkregen informatie aan te wenden om de vennootschapsleiding op oneigenlijke wijze onder druk te zetten; denk aan de al eerdergenoemde strategische informatieverzoeken. De ongelijke behandeling dient dan om de vennootschap te beschermen tegen onevenredige benadeling, althans misbruik van het informatierecht te voorkomen.5