Strikt genomen was er sprake van een door de verdachte aan de griffie gegeven machtiging om namens hem beroep in cassatie in te stellen. Zie hierover nader mijn conclusie in de samenhangende ontnemingszaak.
HR, 17-03-2026, nr. 23/02361
ECLI:NL:HR:2026:380
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-03-2026
- Zaaknummer
23/02361
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:380, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑03‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:1872
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:36
ECLI:NL:PHR:2026:36, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 06‑01‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:380
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0101
Uitspraak 17‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Oplichting via internet, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr) en witwassen van geldbedrag (art. 420bis.1.b Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Afwijzing van (voorwaardelijk) verzoek tot (benoemen van deskundige voor) verrichten van handtekening- en handschriftonderzoek. 2. Bewijsklacht, redengevendheid van wijzigingsformulier van kamer van koophandel voor bewijs. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft in zijn arrest geconcludeerd dat verklaring van verdachte, inhoudende dat een ander betrokken was bij tlgd., niet aannemelijk is geworden. Dat oordeel is, gelet op daarvoor gegeven (uitvoerige) onderbouwing, niet onbegrijpelijk. Daarmee vervalt fundament onder verzoek. Tot nadere motivering was hof in het licht van hetgeen is aangevoerd en vastgesteld niet gehouden. Ad 2. Uit p-v van tz. in hoger beroep blijkt dat hof vragen had over ondertekeningsdatum van wijzigingsformulier van kamer van koophandel. Hof heeft die vragen met verdachte besproken. Uit hetgeen op die zitting is besproken blijkt niet dat hof het wijzigingsformulier met ondertekeningsdatum 12-7-2017 onbetrouwbaar heeft geacht. Hof heeft enkel geconstateerd dat zich bij brief van verdachte een wijzigingsformulier bevindt dat is ondertekend op 12-7-2017 en dat zich bij brief van raadsvrouw een formulier bevindt dat is ondertekend op 12-6-2017. Hof heeft vervolgens vastgesteld dat in de door verdachte ttz. in h.b. aan hof overgelegde map beide wijzigingsformulieren in dezelfde volgorde zijn opgenomen. Volgt verwerping. Samenhang met 23/03376 P.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02361
Datum 17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 juni 2023, nummer 20-000859-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat F. van Baarlen bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
2.1
Het eerste cassatiemiddel klaagt over de afwijzing van het (voorwaardelijke) verzoek van de verdediging tot benoeming van een deskundige (op het gebied van handtekeningen- en handschriftvergelijking). Het tweede cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3 en 4.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze negentien maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.
Conclusie 06‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Oplichting en witwassen. Falend middel over de afwijzing van een voorwaardelijk verzoek om handtekeningonderzoek. Tevens falend middel over de redengevendheid van een document. AG merkt ambtshalve op dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. De conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 23/03376.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02361
Zitting 6 januari 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 7 juni 2023 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (parketnummer 20-000859-20) veroordeeld voor ‘oplichting’ (de feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair), voor ‘oplichting, meermalen gepleegd’ (feit 4 primair) en voor ‘witwassen’ (feit 5 impliciet primair). Opgelegd is een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft tevens beslist op vorderingen van 27 benadeelde partijen en heeft met die beslissingen overeenkomende schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
1.2
Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak tegen de verdachte (23/03376). In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is volgens de daarvan opgemaakt akte op 19 juni 2023 ingesteld door de verdachte.1.F. van Baarlen, advocaat in Eindhoven , heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel is gericht tegen (de motivering van) de afwijzing van een voorwaardelijk verzoek en in het tweede middel wordt geklaagd over de bewijsvoering.
1.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Het procesverloop
2.1
Bij vonnis van 9 maart 2020 is de verdachte door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, vrijgesproken van alle aan hem ten laste gelegde feiten.
2.2
Op 20 maart 2020 heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
2.3
De zaak is door het hof ’s-Hertogenbosch inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 augustus 2022. Het onderzoek is gesloten op de terechtzitting van 6 september 2022.
2.4
Op de terechtzitting van 20 september 2022 heeft het hof bij tussenarrest het onderzoek heropend. Het hof heeft geoordeeld dat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft het “in het bijzonder noodzakelijk geacht dat [getuige] als getuige ter terechtzitting zal worden gehoord”. Het hof heeft bevolen dat de [getuige] tegen de dag en het tijdstip van een nog te bepalen terechtzitting zal worden opgeroepen.
2.5
Vervolgens is de zaak aangebracht op de terechtzitting van het hof van 28 december 2022. Om organisatorische redenen heeft de zitting toen geen doorgang gevonden en is het onderzoek ter terechtzitting geschorst tot de zitting van 10 mei 2023.
2.6
Op de terechtzitting van 10 mei 2023 is de [getuige] gehoord.
2.7
Op de zitting van 24 mei heeft het hof het onderzoek gesloten om vervolgens op 7 juni 2023 het hiervoor onder 1.1 bedoelde arrest te wijzen.
3. Het eerste middel
3.1
In het middel wordt geklaagd dat de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek om een handtekeningenonderzoek, onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.
3.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2023 luidt voor zover hier van belang als volgt:
“De voorzitter deelt mede dat (…) de behandeling van de feiten is afgerond en dat thans aan de orde is het verzoek van de verdediging in de brief van 25 april 2023 om een NRGD-geregistreerde deskundige te benoemen teneinde vergelijkend handtekening- en handschriftonderzoek uit te voeren en hiervan schriftelijk verslag te doen.
(…)
De advocaat-generaal deelt het volgende mede.
Het verzoek van de verdediging betreft onderzoek naar een aantal handtekeningen die onder stukken zijn gezet, van welke handtekeningen zowel de verdachte als de getuige zeggen dat ze niet van hen zijn. Ik denk dat de door de verdediging gewenste opdracht niet kan worden gegeven. De originele stukken kunnen wellicht wel worden bestudeerd.
Stel dat je een handtekening zet met het doel om te bewerkstelligen dat niet te achterhalen is aan wie die handtekening toebehoort, dan krabbel je maar wat. Het benoemen van welke deskundige dan ook die hier iets zinnigs over kan zeggen, leidt daarom tot niets. We weten de herkomst van bedoelde handtekeningen niet en daarom valt er niks te onderzoeken.
De raadsvrouw verklaart te persisteren bij haar verzoek.
Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraad
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter het volgende mede.
Het hof zal op het verzoek beslissen bij de beraadslaging.
De procesdeelnemers stemmen daarmee in”
3.3
In het arrest heeft het hof het volgende overwogen en beslist:
“Bewijsoverwegingen
De beoordeling van de feiten 1 tot en met 4
Als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte op 7 april 2017 een drietal rechtspersonen heeft opgericht, deze heeft ingeschreven in de Kamer van Koophandel en voor ieder van die rechtspersonen bankrekeningen heeft geopend alsook dat [getuige] voorbereidingshandelingen voor het oprichten van die rechtspersonen heeft verricht en hij de verdachte op 7 april 2017 heeft vergezeld.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij – tegen een vergoeding – voornoemde handelingen heeft verricht op verzoek van [getuige] en de pasjes, inlogcodes en TAN-codes van de bankrekeningen aan [getuige] heeft gegeven zodat hij, verdachte, niet langer het beheer had over die bankrekeningen. Of zoals de verdachte het zelf ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard: “het klopt dat er sprake is van oplichting en witwassen, maar de bedenker en uitvoerder daarvan was [getuige] . Ik heb daar enig aandeel in gehad, maar dat was allemaal te goeder trouw”.
Het hof staat voor de beantwoording van de vraag naar de juistheid van voornoemde verklaring van de verdachte, te meer nu [getuige] die verklaring uitdrukkelijk betwist.
Het hof stelt eerstens vast dat de verdachte over een aantal kwesties tegenstrijdig heeft verklaard.
De verdachte heeft tegenstrijdig verklaard over de reden die [getuige] zou hebben gegeven voor het oprichten van de rechtspersonen.
[A-G: in het arrest volgt een opsomming van een aantal tegenstrijdigheden].
Voorts stelt het hof vast dat de verdachte tegenstrijdig heeft verklaard over de kwestie van het verstrekken van de bankpasjes en de inloggegevens van de bankrekeningen van de rechtspersonen aan [getuige] .
[A-G: in het arrest volgt een opsomming van een aantal tegenstrijdigheden].
Naast voornoemde tegenstrijdigheden is voor het hof voor de beoordeling van de juistheid van de verklaring van de verdachte doorslaggevend de kwestie van de TAN-codes. Deze codes zouden zijn gebruikt bij de overboeking van gelden van de bankrekeningen van de rechtspersonen naar een Chinese bankrekening. De verdachte ontkent met klem die TAN codes te hebben ontvangen. Dit blijkt in ieder geval ten aanzien van een van de rechtspersonen in strijd met de waarheid te zijn. De acht overboekingen naar een Chinese bankrekening hebben digitaal plaatsgevonden en ter verificatie van het doen van die betalingen zijn TAN-codes verzonden naar het bij de verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer. Hieruit volgt dat de verdachte zelf voornoemde overboekingen heeft verricht. Het hof ziet geen reden te twijfelen aan de verklaringen van een medewerker van de ING Bank over deze kwestie en acht deze, ook bij het ontbreken van een zogenaamd logboek, bruikbaar voor het bewijs.
Namens de verdachte zijn nog Whatsappberichten in het geding gebracht die tussen hem en [getuige] zouden zijn gewisseld tussen 15 maart 2017 en 13 september 2017, waaruit volgt dat zij onder andere spreken over bankrekeningen, betalingen, Chinezen, het door hen regelen van liquiditeit, het door hen te grazen zijn genomen en het aanpassen van gegevens in de Kamer van Koophandel. Hieruit zou volgen dat [getuige] wel degelijk bij een en ander betrokken zou zijn geweest. Het hof gaat hieraan voorbij nu de politie nader onderzoek heeft gedaan in de kopie van de inhoud van de bij de verdachte inbeslaggenomen telefoon. Het chatgesprek voornoemd is daarop niet aangetroffen, hetgeen de conclusie rechtvaardigt dat de verdachte dit gesprek zelf heeft opgesteld om te trachten zijn (onjuiste) verklaring over de betrokkenheid van [getuige] te onderbouwen. Ook de in het geding gebrachte e mailberichten zijn (op enkele uitzonderingen na) niet aangetroffen in de telefoon van de verdachte. De authenticiteit daarvan is derhalve niet vast te stellen. Over de wel aangetroffen e-mailberichten tussen de verdachte en [getuige] is vastgesteld dat deze niet als relevant in het onderzoek aan te merken zijn, omdat hieruit niets meer dan reeds bekend was over de rol van [getuige] in het opsporingsonderzoek naar voren is gekomen.
Bij het oordeel over de aannemelijkheid van de verklaring van de verdachte heeft het hof nog in aanmerking genomen de verklaring die [getuige] als getuige onder ede ten overstaan van het hof heeft afgelegd. Het hof heeft immers ambtshalve bepaald [getuige] als getuige ter terechtzitting te horen teneinde zichzelf een oordeel te kunnen vormen over de betrouwbaarheid van diens ontkennende verklaringen. [getuige] heeft daarbij op het hof een authentieke indruk gemaakt en een, naar het oordeel van het hof, aannemelijke verklaring gegeven voor het door hem verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de oprichting van de rechtspersonen en het door hem vergezellen van de verdachte op 7 april 2017, te weten dat hij dat heeft gedaan in het kader van acquisitiewerkzaamheden voor het kantoor waar hij alstoen werkzaam was. De verdachte zou zich hebben voorgedaan als een persoon die het kantoor veel opdrachten kon verzorgen. Die verklaring komt het hof niet vreemd voor. Ook tegenover het hof heeft de verdachte te kennen gegeven dat hij nog een zaak onder de rechter heeft waarmee veel geld gemoeid is, terwijl hij bij de rechtbank heeft verklaard dat hij nog 8.5 miljoen van de provincie verwacht.
Concluderend acht het hof de verklaring van de verdachte over de betrokkenheid van [getuige] bij onderhavige kwestie niet aannemelijk geworden en gaat het er bij de beoordeling in dezen (onder meer) van uit dat de verdachte de oprichting van de rechtspersonen heeft geïnitieerd en dat hij, de verdachte, de enige persoon was die gemachtigd was tot de bankrekeningen van die rechtspersonen en daarover het beheer had.
(…)
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft verzocht om een deskundige te benoemen teneinde een handtekening- en handschriftonderzoek uit te voeren en hiervan schriftelijk verslag te doen. Dit onderzoek zou dienen om de verklaring van de verdachte omtrent de betrokkenheid van [getuige] bij onderhavige kwestie te kunnen onderbouwen. Gelet op voornoemde conclusie van het hof is de noodzaak van dit onderzoek niet gebleken. Het verzoek wordt afgewezen.”
3.4
Het verzoek van de verdediging is een voorwaardelijk verzoek tot het doen van nader onderzoek als bedoeld in art. 328 in verbinding met art. 315 Sv, waarop het hof op grond van art. 415 in verbinding met art. 330 Sv dient te beslissen.2.De toepasselijke maatstaf is het noodzakelijkheidscriterium.3.Bij toepassing van dit criterium kan een verzoek worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzaak van het verzochte onderzoek niet is gebleken.4.
3.5
Aan het verzoek tot het doen van handtekening- en handschriftonderzoek ligt het door de verdachte gehuldigde standpunt ten grondslag dat [getuige] betrokken zou zijn bij het tenlastegelegde. Door middel van het verzochte onderzoek zou daarover meer duidelijkheid kunnen worden verkregen. Het hof heeft in zijn arrest echter geconcludeerd dat de verklaring van de verdachte, dat [getuige] betrokkenheid heeft gehad bij het tenlastegelegde, niet aannemelijk is geworden. Dat oordeel acht ik, gelet op de daarvoor gegeven (uitvoerige) onderbouwing (zie randnr. 3.3), niet onbegrijpelijk. Daarmee vervalt het fundament onder het verzoek. Tot een nadere motivering was het hof in het licht van hetgeen is aangevoerd en vastgesteld niet gehouden. De door de steller van het middel gegeven argumenten voor de onderbouwing van de ‘noodzaak’ maken dat niet anders, omdat deze argumenten in feitelijke aanleg niet aan het verzoek ten grondslag zijn gelegd.
3.6
Het middel faalt.
4. Het tweede middel
4.1
In het tweede middel wordt geklaagd dat het hof “een onbetrouwbaar geacht wijzigingsformulier [A-G: van de kamer van Koophandel] mede redengevend heeft geacht voor het bewijs en een voor de motivering van het bewezenverklaarde (deels) onbegrijpelijke bewijsoverweging heeft gebruikt in het licht van dit bewijsmiddel en/of in het licht van hetgeen door de verdediging is verzocht”.
4.2
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2023 blijkt dat op de zitting over wijzigingsformulieren van de Kamer van Koophandel het volgende is besproken:
“De voorzitter deelt het volgende mede.
Ik heb daarnaast nog een vraag over wijzigingsformulieren van de Kamer van Koophandel. Deze hebben verschillende data van ondertekening.
Bij brief van de raadsvrouw van 25 april 2023 is als bijlage 8A1 en 8A2 gevoegd een wijzigingsformulier van de Kamer van Koophandel waarin staat vermeld dat het bedrijf [A] BV verhuist naar het adres [a-straat 1] te [plaats] met ingang van 14 juni 2017. Daarbij wordt het e-mailadres van het bedrijf [B] genoemd: te weten: [e-mailadres] . Het wijzigingsformulier is op 12 juni 2017 ondertekend [A-G: cursivering door mij].
Bij brief van de verdachte van 23 augustus 2022 bevindt zich evenwel een wijzigingsformulier van de Kamer van Koophandel waarin staat vermeld dat het bedrijf [A] BV verhuist is naar het adres [a-straat 1] te [plaats] met ingang van 14 juni 2017. Daarbij wordt ook het e-mailadres van het bedrijf [B] genoemd, te weten: [e-mailadres] . Dat wijzigingsformulier is op 12 juli 2017 ondertekend [A-G: cursivering door mij] .
De voorzitter vraagt de verdachte en de raadsvrouw even naar voren te komen zodat zij de door haar bedoelde stukken kunnen inzien. Aldus geschiedt.
De verdachte verklaart op verdere vragen van de voorzitter als volgt.
Ik herken de stukken die u mij toont op zich wel, maar de handtekening onder voormelde wijzigingsformulieren zijn niet van mij.
U deelt mij mede dat mijn raadsvrouw en ik twee verschillende wijzigingsformulieren hebben overgelegd die op verschillende data zouden zijn ondertekend.
Dat is omdat het ontdekt is, niet ik, maar de bedrijven. U zegt dat u mij niet begrijpt.
U vraagt mij welke van de twee formulieren de juiste is. Ik zeg u daarop dat die formulieren van de Kamer van Koophandel komen.
U vraagt mij hoe het hof kan weten welke tweede pagina bij de eerste pagina hoort. U kunt dat weten omdat er een nummer boven staat. U deelt mij mede dat dat niet het geval lijkt te zijn. Ik zeg (…) dat de Kamer van Koophandel die wijzigingen pas later verwerkt.
Ik begrijp dat u een aanwijzing heeft dat er iets niet klopt. Ik heb de juiste volgorde van de stukken bij me in een map en die kan ik aan het hof laten zien. Ik hoor u zeggen dat dat niet nodig is, omdat u de betreffende stukken al heeft. Ik denk het niet, want u betwijfelt dat het klopt. Ik hoor u zeggen dat u mij slechts voorhoudt wat u in het dossier aantreft.
Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt.
Ik leg op uw verzoek aan het hof mijn map met stukken over die ik heb meegenomen.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek teneinde de door de verdachte overgelegde stukken in raadkamer te kunnen bekijken.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter het volgende mede.
Het hof heeft in raadkamer vastgesteld dat, zoals ik eerder heb medegedeeld, bij de brief van de verdachte van 23 augustus 2022 als bijlage een wijzigingsformulier van de Kamer van Koophandel is gevoegd dat op 12 juli 2017 is ondertekend. In de map met stukken die de verdachte heeft overgelegd bevindt zich een kopie van hetzelfde formulier met als datum van ondertekening 12 juni 2017. In die volgorde bevinden genoemde stukken zich ook in die map.
De procesdeelnemers hebben naar aanleiding van vorenstaande geen opmerkingen.”
4.3
Het hof heeft in de bewijsvoering onder punt 11 een wijzigingsformulier van de Kamer van Koophandel tot het bewijs gebezigd. Dat formulier luidt als volgt:
“Een wijzigingsformulier ondernemings- vestigingsgegevens van de Kamer van Koophandel d.d. 4 juli 2017, overgelegd door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 23 augustus 2022 bij het laatste woord en in kopie als bijlage 2 bij deze aanvulling bewijsmiddelen gevoegd, voor zover inhoudende:
Wijziging voor
Organisatie: [A] B.V.
KvK-nummer: [KvK-nummer]
(....)
Emailadres
Nieuwe emailadres(sen): [e-mailadres] , 14-06-2017
Ondertekenaar
Naam ondertekenaar: [verdachte]
Datum ondertekening: 12-07-2017.”
4.4
Het middel berust op de veronderstelling dat het hof het onder randnr. 4.3 genoemde wijzigingsformulier heeft gebezigd tot het bewijs, terwijl het hof dat bewijsmiddel niet betrouwbaar heeft geacht. Die veronderstelling berust op een verkeerde lezing van het arrest en/of op een verkeerde interpretatie van hetgeen op de terechtzitting van 10 mei 2023 is besproken. Daarmee mist het middel feitelijke grondslag en is het gedoemd te mislukken.
4.5
Uit de hiervoor onder randnr. 4.2 opgenomen passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 mei 2023 blijkt dat het hof vragen had over de ondertekeningsdatum van een wijzigingsformulier van de Kamer van Koophandel. Het hof heeft die vragen met de verdachte besproken. Uit hetgeen op die zitting is besproken blijkt niet dat het hof het wijzigingsformulier met de ondertekeningsdatum 12 juli 2017 onbetrouwbaar heeft geacht. Het hof heeft enkel geconstateerd dat zich bij een brief van de verdachte van 23 augustus 2022 een wijzigingsformulier bevindt dat is ondertekend op 12 juli 2017 en dat zich bij een brief van de raadsvrouw van 25 april 2023 een formulier bevindt dat is ondertekend op 12 juni 2017. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat in de door de verdachte ter terechtzitting van 10 mei 2023 aan het hof overgelegde map beide wijzigingsformulieren in dezelfde volgorde zijn opgenomen. Niet meer en niet minder.
4.6
Het middel faalt.5.
5. Slotsom
5.1
De middelen falen. Omdat het middel klaagt over de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO niet voor de hand.6.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep op 19 juni 2023. Daarom is de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.7.Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑01‑2026
Zie hierover uitgebreid de conclusie van A-G Keulen voor HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:447 en de conclusie van A-G van Kempen voor HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1555.
Vgl. HR 31 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1471.
Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.8.
Ter zijde merk ik op dat het hof ook zonder dit bewijsmiddel tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde had kunnen komen op basis van de 22 andere door het hof voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen.
HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106, m.nt. N. Keijzer, rov. 2.5.
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.1.2, 3.1.3 en 3.2.