RvdW 2026/451:Oplichting via internet, meermalen gepleegd (art. 326 lid 1 Sr) en witwassen van geldbedrag (art. 420bis lid 1 onder b Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Afwijzing van (voorwaardelijk) verzoek tot (benoemen van deskundige voor) verrichten van handtekening- en handschriftonderzoek. 2. Bewijsklacht, redengevendheid van wijzigingsformulier van Kamer van Koophandel voor bewijs. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft in zijn arrest geconcludeerd dat verklaring van verdachte, inhoudende dat een ander betrokken was bij tlgd., niet aannemelijk is geworden. Dat oordeel is, gelet op daarvoor gegeven (uitvoerige) onderbouwing, niet onbegrijpelijk. Daarmee vervalt fundament onder verzoek. Tot nadere motivering was hof in het licht van hetgeen is aangevoerd en vastgesteld niet gehouden. Ad 2. Uit p-v van tz. in hoger beroep blijkt dat hof vragen had over ondertekeningsdatum van wijzigingsformulier van Kamer van Koophandel. Hof heeft die vragen met verdachte besproken. Uit hetgeen op die zitting is besproken blijkt niet dat hof het wijzigingsformulier met ondertekeningsdatum 12 juli 2017 onbetrouwbaar heeft geacht. Hof heeft enkel geconstateerd dat zich bij brief van verdachte een wijzigingsformulier bevindt dat is ondertekend op 12 juli 2017 en dat zich bij brief van raadsvrouw een formulier bevindt dat is ondertekend op 12 juni 2017. Hof heeft vervolgens vastgesteld dat in de door verdachte ttz. in h.b. aan hof overgelegde map beide wijzigingsformulieren in dezelfde volgorde zijn opgenomen. Volgt verwerping. Samenhang met RvdW 2026/453.