Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.3.3.2
4.3.3.2 Onderscheid tussen inhoud van een vordering en de bron van deze vordering
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS492730:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
In par. 4.4 (i.h.b. in par. 4.4.5 betoog ik dat een verrijking in de zin van artikel 6:212 niet ontstaat als iemands vermogen toeneemt (in dat geval zou men kunnen betogen dat kredietnemer B niet is verrijkt omdat er in zijn vermogen ook een verplichting bevindt om het geleende bedrag terug te betalen).
Burrows 2002, p. 31; Birks 2005, p. 74.
Birks 2000, p. xl; Smits 2003, nr. 21; Asser/Hartkamp & Sieburgh 2011 (6-IV*), nr. 9.
Zie hoofdstuk 2, par. 2.4 (i.h.b. par. 2.4.3.2 en par. 2.4.4.3). Duitse auteurs gaan hier bijna als vanzelfsprekend vanuit. Zozeer zelfs, dat het vereiste van een vermogensverschuiving als uitgangspunt nauwelijks wordt besproken.
Artikel 6:162 lid 2. Zie ook HR 12 maart 2004, NJ 2009/549 (XS4All). Uiteraard is niet elke inbreuk onrechtmatig; als een rechtvaardigingsgrond bestaat, is een inbreuk niet onrechtmatig Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond moet echter worden gesteld en (bij betwisting) worden bewezen door de inbreukmaker.
Vgl. HR 14 oktober 2005, NJ 2007/270 (Unocal/Conoco).
Om te kunnen onderzoeken wat het verband is tussen verrijking en verarming in de zin van artikel 6:212, moet worden bedacht dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de verbintenis tot afgifte van een verrijking en de bron waaruit deze verbintenis ontstaat. Vooral in de Engelse literatuur wordt dit verschil benadrukt. Zo wijst Birks erop dat een verplichting om een verrijking af te dragen kan voortvloeien uit verschillende bronnen. De bron kan ‘ongerechtvaardigde verrijking’ zijn, maar ook ‘overeenkomst’.
Stel bijvoorbeeld dat B geld heeft geleend van A. B is verrijkt met het bedrag dat hij heeft geleend.1 Deze verrijking wordt gerechtvaardigd door de kredietovereenkomst tussen A en B. Toch moet B zijn verrijking weer afdragen, omdat dit in de kredietovereenkomst is bepaald. Een andere overeenkomst die een bron van een verplichting tot afdracht van een verrijking kan zijn, is volgens mij de overeenkomst tussen een popartiest en zijn manager. De overeenkomst geeft de manager recht op een bepaald percentage van de geldelijke vergoeding die de popartiest krijgt voor zijn concertoptredens of voor medewerking aan reclameacties van een sponsor.
De verbintenis tot afdracht van een verrijking kan naar Engels recht ook voortvloeien uit de bron ‘onrechtmatige daad’. De hiervoor genoemde zaak A-G v Blake maakt dit duidelijk. Er bestaat niet een recht of een mogelijkheid voor de Britse overheid om winst te maken met het levensverhaal van Blake. Daarom komt diens winst niet uit het vermogen van de Britse staat. Blake´s winst kan daarom niet een ongerechtvaardigde verrijking ten koste van de Britse staat vormen op de grond dat Blake’s winst voortvloeit uit het vermogen van de staat.2 De vordering van de Britse staat kan alleen worden verklaard als sanctie op het laakbare gedrag van Blake; Blake’s gedrag vormt een wanprestatie, een species van de onrechtmatige daad.3 De bron van de verbintenis kan volgens Birks daarom alleen de onrechtmatige daad zijn. Kennelijk geeft onrechtmatig handelen een gelaedeerde niet alleen recht op schadevergoeding, maar soms ook op afdracht van een verrijking.
Er bestaan dus meerdere bronnen waaruit een verbintenis tot afdracht van een verrijking kan voortvloeien. Dat betekent dat de bron en de verbintenis tot afdracht van een verrijking niet altijd samenvallen; als een verrijking moet worden afgedragen, is dat niet altijd omdat zij ongerechtvaardigd wordt genoten ten koste van een ander. Opmerking verdient in dit verband dat veel Engelse en Duitse auteurs menen dat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking alleen ontstaat in gevallen waarin een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden.4 In overige gevallen waarin afdracht van een verrijking wordt gevorderd, moet derhalve een andere bron van verbintenissen worden aangewezen.
Aan het onderscheid tussen de verschillende bronnen van verbintenissen kan volgens de Duitse en Engelse auteurs echter niet afdoen dat in veel gevallen waarin sprake is van een verrijking, zowel een onrechtmatige daad is gepleegd als een ongerechtvaardigde verrijking is ontstaan. Zo is een inbreuk op een absoluut recht in beginsel onrechtmatig.5 De inbreukmaker moet dan de schade van de rechthebbende vergoeden. Maar de rechthebbende heeft ook een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking. Immers, de voordelen die het gevolg zijn van deze inbreuk horen niet thuis in het vermogen van de inbreukmaker maar in dat van de rechthebbende. De verrijking is daarom ongerechtvaardigd.
Stel bijvoorbeeld dat B naar olie boort in een deel van de zeebodem waar alleen A naar olie mag boren, omdat A als enige een concessie van de overheid heeft gekregen. B maakt dan inbreuk op de concessie van A, hetgeen onrechtmatig is.6 De schade die A daardoor lijdt, moet B vergoeden. A heeft daarnaast ook een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking. Op grond van de concessie heeft alleen A recht om naar olie te boren; de voordelen die in de concessie besloten liggen komen derhalve alleen toe aan A. De verrijking van B vloeit daarom uit het vermogen van A. Deze verrijking is ongerechtvaardigd omdat deze voordelen in beginsel alleen toekomen aan A en een rechtvaardiging voor de vermogensverschuiving ontbreekt.