Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/21.2.2:21.2.2 Een traditioneel godsdienstbegrip
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/21.2.2
21.2.2 Een traditioneel godsdienstbegrip
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS450451:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Habermas 2005, r. 37.
EHRM 25 februari 1995, nr. 22838/93 (Van den Dungen v the Netherlands); EHRM 2 oktober 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:1002DEC004985399 (Pichon en Sajous v Frankrijk), p. 4; EHRM 11 januari 2007, nr. 184/02, (Kuznetsov e.a. v Rusland); EHRM 3 december 2009 (ontv.), nr. 40010/04 (Skugar e.a. v Rusland).
Denk ook aan de objectieve eisen die aan andere wettelijke termen met een religieuze lading worden gesteld, zoals het begrip richting. Zie hiervoor hoofdstuk 19.
Rorty 2007, p. 278.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bovengenoemde drie politiek-filosofische stromingen gaan uit van een relatief godsdienstbegrip. Dat wil zeggen dat ze alle drie vinden dat het juridische systeem, de rechtsorde, geen taak heeft om over de (on)waarheid van godsdienst te oordelen. Inherent aan het uitgangspunt van de godsdienstvrijheid zoals dat geldt binnen het liberaal gezindtepluralisme en het accommodationisme of het uitgangspunt van religieuze tolerantie zoals dat geldt binnen het communautarisme is dat de overheid niet probeert haar burgers te overtuigen van de ware godsdienst. Wel laten het liberaal gezindtepluralisme en communautarisme een contextualisering1 van het juridische godsdienstbegrip toe. Dat betekent dat ze erkennen dat binnen een bepaalde context godsdienst een vastomlijnde betekenis kan hebben in de vorm van een specifieke godsdienst. Binnen de eigen sfeer kunnen de daartoe geautoriseerde instanties bepalen wat de ‘ware’ godsdienst is. Zo kan binnen de islamitische geloofsgemeenschap de islam (of een denominatie daarvan) gelden als ware godsdienst.
Het liberaal gezindtepluralisme is in zoverre star dat het alleen de traditioneel erkende godsdiensten en hun uitingen erkent. Het begrijpt godsdienst als fenomeen vanuit de typische vormen van belijden van traditioneel in het land gevestigde godsdiensten. Een zeker etnocentrisme lijkt hier een rol te spelen: alleen datgene wat we vanuit de achtergrond van de westerse samenleving (die is beïnvloed door de joods-christelijke godsdienst en het Grieks-Romeinse gedachtegoed) kunnen uitleggen als godsdienst kan als zodanig aanspraak maken op rechten. Tegen deze achtergrond kunnen we bepaalde criteria duiden die in de jurisprudentie zijn ontwikkeld, zoals het vereiste dat het bij godsdienstige uitingen en gedragingen moet gaan om uitingen en gedragingen ‘… in a generally accepted form’.2 Daarmee wordt gerefereerd aan de welbekende traditionele vormen van religieus belijden. Ook het vereiste dat godsdienst samenhangend moet zijn en fundamenteel van aard, kunnen we zien als een eis die onze vooronderstelling over godsdienst weerspiegelt.3 Deze vooronderstelling is te herleiden tot de voor ons bekende godsdiensten, denk aan het katholicisme dat inderdaad een samenhangende en fundamentele visie op het leven inhoudt.
Verder kan gewezen worden op het criterium dat godsdienstige uitingen en gedragingen in direct verband moeten staan met een godsdienst (directe uitdrukking van godsdienst). Ook dit vereiste kan men associëren met liberaal gezindtepluralisme. Het betreft dan de Lockeaanse opvatting over neutraliteit die aan dit ideaaltype ten grondslag ligt. De rechter krijgt daarmee een extra instrument in handen om godsdienstige claims af te wijzen. Hij kan dergelijke claims daarmee niet alleen afwijzen wanneer hij de aard van een uiting of gedraging niet als godsdienstig kwalificeert, maar ook wanneer hij vindt dat er onvoldoende verband is tussen een uiting of gedraging en de betreffende godsdienstige leer of traditie.
Dit criterium bevoordeelt impliciet de meerderheid van de bevolking ten opzichte van religieuze minderheden. Want, of een uiting of gedraging voldoende verband heeft met een godsdienstige leer of traditie is voor algemeen erkende godsdiensten eenvoudiger te bepalen dan voor meer exotische of meer singuliere godsdiensten. Men zal geneigd zijn om dit verband ten aanzien van meer exotische of meer singuliere godsdiensten te beoordelen vanuit de maatstaf van de algemeen erkende godsdiensten. Men heeft immers geen ander vergelijkingsmateriaal. In de praktijk wordt dit criterium gebruikt wanneer iemand vanwege zijn godsdienst een uitzondering claimt ten aanzien van algemeen geldende wetten met een neutrale strekking. Een bekend voorbeeld hiervan is de uitspraak van de ARRvS over de antroposofische huisarts. Het ging hier om een huisarts die zich vanwege zijn antroposofische levensovertuiging weigerde aan te sluiten bij het wettelijk verplichte pensioenfonds. De rechter oordeelde dat een dergelijke gedraging niet kon gelden als een directe uitdrukking van godsdienst of levensovertuiging. Waarom vindt de rechter dat dit geen godsdienstige of levensbeschouwelijke gedraging is? Waarschijnlijk omdat hij traditionele vormen van religieus belijden voor ogen had en niet een onderwerp als het weigeren om deel te nemen aan een verplicht pensioenfonds.
We zouden het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme ook pragmatisch kunnen noemen. Datgene waarmee ‘wij’ ons in enigermate kunnen identificeren kan gelden als godsdienst(ig).4 Vanuit dit pragmatisme komt ook de wens voort om in het algemeen godsdienst en zijn uitingen en gedragingen te plaatsen in een min of meer objectief kader. Dit kader wordt bepaald door een toets van gemeenschappelijke opvattingen over wat telt als godsdienst. Deze toets kan de vorm hebben van een refereren aan algemeen in de maatschappij geldende opvattingen over godsdienst, maar het kan ook een refereren zijn aan opvattingen van deskundigen. In het laatste geval laat men een deskundige bepalen of iets telt als godsdienst(ig). Binnen het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme wil de staat door middel van objectivering van het godsdienstbegrip de betekenis van godsdienst reguleren. Hieraan liggen geen totalitaire ambities ten grondslag zoals binnen een theocratie of een binnen een totalitaire atheïstische staat maar wel een neiging om het religieus pluralisme zoals dat er in de samenleving is te conserveren.